vrijdag 19 oktober 2007

Inburgeren in eigen familie

Ons huis wordt door veel kinderen bevolkt en bezocht. Mensen van verschillende en vooral gemengde nationaliteiten lopen hier de deur plat. Ze komen vaak eten, soms logeren. Andere of dubbele nationaliteiten, cultuurverschillen, vooral bij kinderen speelt het geen rol. Dat mij, als enige autochtoon in dit gezin, de Nederlandse gewoontes zo zwaar zouden vallen, had ik niet verwacht.

De treinreis duurde twee uur. Leo leest alle opschriften op treinen en fabrieken. Alleen bij de stations waar de intercity voorbijraast, gaan de plaatsnaambordjes hem te snel. De oom haalt ons op in de stromende regen. Hij is blij ons te zien. Ik was hier niet eerder en dat vervult me met enige schaamte, ze wonen hier al twintig jaar. Onze ontmoetigen hebben zich beperkt tot de steeds frequentere begrafenissen van de laatste jaren.

Eenmaal bij hun thuis maan ik de kleintjes tot het vegen van voeten en het wassen van handen. In het uur dat volgt spelen ze als de meest voorbeeldige kindjes die er bestaan. Het is koud in huis, ze bieden me niets aan. Als na een uur eindelijk de thee uit de muts komt, ligt er welgeteld één koek op mijn schoteltje. Ik denk aan wat Maxima hierover zei: het ene koekje maar ook hartelijkheid zouden deel uitmaken van de Hollandse identiteit. Ze heeft gelijk. Beide zijn hier van toepassing.

Kees wil Limonade, Leo chocomel. Tante is wat slecht ter been dus help ik in de keuken. Dit betekent geenszins dat ik vlees ga marineren of bossen verse kruiden ga hakselen. Nee, 'helpen' is hier het aanlengen van de limonade. 't.h.t juli 2004' prijkt er op de bovenkant van de fles. Ik ben bleu, zeg niks en troost me met de gedachte dat er zo veel suikers in dat spul moet zitten dat Kees vast geen voedselvergiftiging oploopt.

Van familieleden worden de kinderen en hun carrières besproken. Met mijn boerse handen omklem ik het sjieke theekopje, het schoteltje laat ik staan op de salontafel. Met de andere hand breng ik argeloos de pencee naar mijn mond. Een blik opzij leert me dat het kopje bij het oor dient te worden vastgehouden, voor de koek lag er een vorkje klaar.

Oom wil graag dat we blijven eten en fluistert tante iets in het oor over diepriespizza's. 'Nee', zegt ze 'dat is haar te veel werk'. Ik sputter gauw: 'Doe vooral geen moeite' en 'we nemen de eerstvolgende trein'. Oom probeert het nog één keer, door zijn vrouw tegemoet te komen. 'Nee, nee, dat kun jíj niet doen', wijst ze zijn aanbod resoluut af. De jongens worden hangerig, ik wil ze even uitlaten. Tante drukt ons op het hart dat ze niet over het grasveld voor huis mogen rennen. Oom en ik wandelen en kletsen in de Hollandse motgregen. Er is verder niemand op straat.

Kort erna brengt hij ons weer naar het station. 'Jullie zijn altijd welkom' zeg ik hem ten afscheid. Hij antwoordt iets soortelijks. Ik zeg het niet, maar hij weet en voelt dat ik hier niet snel weer kom. Niet dat mijn familie niet hartelijk zou zijn, integendeel. Maar Hollandse hartelijkheid moet je kunnen zien. Inburgeren valt niet mee.

De jongens krijgen patat bij de snackbar. Thuis maak ik een pannetje soep, het is meer dan we opkunnen. Je weet tenslotte nooit wie er onverwacht langs kan komen.

Geen opmerkingen: