donderdag 2 juni 2011

Groningen, Pritzwalk, Berlijn in de nacht

De eerste dag van juni sluit ik af met een nachtelijke tocht Oostwaarts. Naar hun tante, onze nichtjes. Om negen uur race ik nog even naar de buurtsuper om het door hun bestelde Nederlandse brood te kopen. Ik doe nog een afwasje en maak me klaar voor vertrek. Leo wil niet mee, gaat op de bank liggen en reageert op mijn verzoek zijn spullen te pakken met struisvogelpolitiek. Op de bank, met de gordijnen en de deur dicht, zal er vast niks gebeuren lijkt zijn redenatie. "Ik ga niet mee!" Op zijn broertje heeft deze bokkigheid een stimulerend effect. Keesje wil helpen inladen, zoekt knuffels en onderbroeken bij elkaar en installeert een lekkker bedje achter in de auto. Als ik Leo van de bank naar de auto til, is het enige doelwit wat zich in zijn buurt bevind, zijn broertje. Die krijgt een ferme trap in zijn zij en zo begin ik, met twee jengelende kindjes, aan mijn uitstapje naar de Berenstad. De jongens vallen gelukkig gauw in slaap.

Na Leer en Oldenburg kan ik lekkere doorjakkeren. En niet lang nadat de laatste lichtheid in het westen in mijn achteruitkijkspiegel is verdwenen, gloort er aan de horizon voor me, een warme oranje gloed. Nevel hangt laag op de velden, moerassen, akkers, koeien steken er spookachtig hun koppen bovenuit. Als er niet zo veel windmolens waren en ik ook mijn eigen bolide op het asfalt wegdenk, waan ik me zo in een tafereel van eeuwen her. Landontginners trekken door bossen en moerassen om het woeste land richting Polen te ontginnen. Ook nu is er geen huis te bekennen. Dan hoor ik Kees met zware ochtendstem vanaf de achterbank "Kijk zonsondergang". En ach, hoe heerlijk zo'n uitspraak ook is, zeker nadat ik al vele malen mijn favoriete nummers van de usb-stick heb afgespeeld, ik ben toch ook maar een ma. Dus corrigeer ik hem met een "Nee, schatje, dat is de zonsòpgang,...het is al ochtend. Ik wijs hem op het sprookjesachtige tafereel aan de andere kant van de weg: "Kijk, zie je die mist." Kennelijk zijn zijn ogen en zijn mond eerder wakker dan zijn oren. Want Keesje zegt zelf: "Kijk, allemaal rook." Waarop Lehti opnieuw betweterig meldt dat het hier wolken betreft die op het land liggen. Met een kort "O" valt hij weer in slaap.



Als het hele land verlicht is, hou ik een korte rookstop nabij Pritzwalk. Poolse vrachtauto's met onuitspreekbare plaatsnamen staan als legoblokjes langs de kant. Hun chauffeurs liggen nog op één oor achter in hun cabine. Ik ben de enige PKW hier. Dan zoeven er drie BMW's de parkeerplaats op. Mannen met brede armen, zonnebrillen, kale koppen en gotische letters op hun kleding stappen uit de zwarte auto's. Ik vraag me af of dit een paar van die neonazi's kunnen zijn die mijn nichtje onlangs de stuipen op het lijf joegen toen ze voor het eerst alleen met de metro ging. Een groep zat een wagon vóór haar. Hun bedoeling was om in de kleurrijke wijk Kreuzberg de boel op stelten te zetten. Hoewel de politie de zaak niet onder controle had en er later alsnog veel mensen werden afgetuigd, liet men de metro (met zowel mijn iele nichtje als de neonazi's aan boord) zonder te stoppen tot aan de eindhalte rijden. Om bloedvergieten te voorkomen, of om de neonazi's te verspreiden. Mijn nichtje kwam toen met bonzend hart op een haar volkomen vreemd station terecht. Huilend en veel later dan gepland kwam ze thuis. Maar hier op deze Rasstätte zie ik geen swastika's dus het is vast alleen de plaatselijke voetbalfanclub. Maar misschien maakt dat ook niet zo'n groot verschil.

Een uur later rij ik de Autobahn af, de stille Tempelhoferdamm op. In geen enkele andere wereldstad van die omvang grenst de natuur zo tot aan de rand van de stad en ook kun je volgens mij zelden via de snelweg zo ver doordringen in de stad. Berlijn, stad van extremen. Een paar vrouwen haasten zich naar hun vroege schoonmaakbaantjes. Het is 2 juni, Hemelvaartsdag, de dag dat de Zoon naar de Vader terugkeerde. In Duitsland viert men dan vaderdag. Of 'Herrentag'. En dan moet je niet denken aan kunstig geknutselde stropdassen of beschilderde spaghetti, nee, dat is gewoon met mannen onder elkaar zuipen tot je er bij neervalt. Of net niet. Zoals de man die nu met zijn rug tegen een auto staat, slapend, met zijn hoofd naar één schouder gezakt. Als ie voorover valt, rij ik zijn kop er af. Hij blijft gelukkig staan.

We passeren de voormalige flughafen Tempelhof. Ooit landden hier de zogenaamde 'Rosinenbomber', nu ligt het enorme grasveld er verlaten bij. In afwachting van een nieuwe bestemming hebben de konijntjes, die eerst huisden op de totenstreifen tussen de Muur, hier een veilig heenkomen gevonden.

Ik wil mijn zus niet om zes uur 's ochtends wakker klingeln. Ook mijn jongens liggen achterin de auto nog in diepe rust. Ik parkeer mijn auto dubbel voor een Backerei. Een vroege klant op het terras leest zijn krantje bij een verse kop koffie. Dat lijkt mij ook wel wat. Maar er is niemand in de zaak. Het ruikt er lekker en het uitgestalde banket doet me watertanden. Na mijn voorzichtige 'Hallo', komt er een vrouw van achteren aansloffen. Bij het zien van haar kille blik, voel ik me al bijna schuldig dat ik haar zoete broodjes wil komen kopen. Oja, bedenk ik me dan, dat was ook zo, dat is de welbekende "Berliner Snauzer". Dat is niet snauwen, dat is gewoon hun manier van beleefde zakelijkheid. Niks geen 'Waarmee kan ik u van dienst zijn?' of 'Verders nog iets, mevrouw?'. De klant zegt wat ie wil en krijgt wat ie wil. Niks geen zoete broodjes bakken. Die zijn al klaar. Ik probeer na het bestellen van koffie nog een luchtig babbeltje te houden over haar heerlijke baksels. Maar meer dan 'Klein oder Gross?', krijg ik niet van haar terug. Ja, het wisselgeld, dat ze op de toonbank kwakt. Ook een kwestie van gewoonte. Zo snel als ze kan is ze weer verdwenen achterin de winkel. Ook goedemorgen mevrouw.

Mijn koffie drink ik op, gezeten op een bak met zand voor in de winter. Op de stoep van de nog gesloten rolluiken van de fietsenmaker. Hoe vaak hebben we hier niet met drie broeken aan over de sneeuw en het ijs geglibberd. Bevroren wc's, dichtgevroren autosloten, het is hier echt vreselijk koud in de winter. Niet voor niets zijn alle ramen voorzien van vierdubbel glas. Maar nu laat de aangename kant van het landklimaat zich voelen. Het is pas half zeven en de zon voelt gelijk al warm. "Trust no one" staat er op de bak met zand gekalkt. De koffie is smerig maar heet. Het broodje smaakt naar reuzel.

Om zeven uur maak ik Leo wakker. Hij is nog steeds struisvogel en weigert uit te stappen. Maar even later speelt hij lachend met zijn nichtjes en broertje het spoken spel. Ik stort neer op het bed van mijn zus en val als een blok in slaap. Wat een lange nacht. De neefjes en nichtjes gaan ontbijten, met meegebracht Nederlands brood.
Leo wil niet meer naar huis. Hij wil hier blijven wonen.

1 opmerking:

Anoniem zei

Hai mijn lieve zussie,

Ik heb werkelijk in een deuk gelegen bij de beschrijving van je nachtelijke aankomst hier. De smerige koffie en het reuzelbroodje, van de bijzonder "aardige" bakkersvrouw, ik weet precies waar je die gehaald hebt, hier in de straat, naast de fietsenwinkel.

En dan die foto van mijn oeroude, in de loop der jaren vaak gebruikte liftbordje "Berlijn". Dat bordje bracht mij meer dan twintig jaar geleden geregeld van Leiden naar Berlijn. Een goede startplek was de bloemenveiling in Rijnsburg, daar kwamen veel Duitse vrachtwagens.

Je schrijft leuk, herkenbaar, met droge humor. Ga zo door!

Kus van je zus