vrijdag 6 januari 2012

Dag oma, welterusten

Op een maandag in februari, nu bijna drie jaar geleden, at ik samen met mijn oma makreel en speelden we domino. Ze won steeds. Een paar dagen later overleed ze. Dit verhaal heeft mijn zus geschreven en voorgelezen op de begrafenis van onze oma. In maart 2009.

De naam Paul die ik hier gebruik, heb ik van haar. Het is de naam die mijn opa heeft meegekregen uit Wenen.

Dankjewel, zus.
---------------------

Oma, Oma Beppe, mijn lieve Omaatje, nou ben je dood. Zo snel, zo plotseling. Al jaren dacht ik elke keer als ik bij je was: goed kijken en voelen en ruiken en ervaren, want dit is misschien de laatste keer. Het afscheid, elke keer weer schrikken hoe dun ze is, vel over been, maar toch zo eigen, zo thuis, zo familie. Haar perkamenten huid, haar zachte haren. Dag Oma, we gaan nu, tot de volgende keer. Niet huilen, zeg ik tegen mezelf, je zei: tot de volgende keer, dus er komt nog een volgende keer. Kom kinderen, we gaan.

De laatste jaren zakte ze steeds verder weg in haar eigen wereldje, en werd steeds minder duidelijk of ze nou wel of niet begreep waar je het over had. Of ze het echt niet snapte of dat ze eigenlijk dondersgoed wist waar het over ging, maar het wel goed vond en er gewoon niet meer op in ging. Zo doof als een kwartel, maar als je haar aan de telefoon vertelde dat je de volgende dag langs zou komen, deden haar oren het plotseling wonderwel.

Daar zat ze dan, alleen in haar huisje. Weliswaar omringd door zorgers en helpers en huishouders, maar toch alleen. Geen bezigheden meer, niks omhanden. Het Staphorster stipwerk, zingen in het koor, volksdansen, schilderen en natuurlijk altijd weer breien, haken, naaien, handwerken, dat ging allemaal niet meer. Haar huisje vol met zelfgemaakte knuffelbeesten en een grote verscheidenheid aan zelfgeschilderde landschapjes, bloemen, vulkanen, veelkleurige vogeltjes, een Homerusportret en een hongerend kindje, een Javaanse dessa en een dame in badpak. En foto’s van de kinderen, de kleinkinderen, de achterkleinkinderen.

’s Avonds kwam het telefoontje, Oma is gevallen, ze heeft haar heup gebroken en wordt vanavond nog geopereerd. De schrik, mijn aanvankelijke reactie om er meteen heen te willen, dan het relativeren, het zal allemaal wel loslopen. En bovendien, wat zou ik daar nou moeten? De ziekenhuismensen in de weg lopen? Aan haar bed zitten terwijl ze nog onder narcose is? Ik ga die avond uit en vermaak me, maar ik ben er met mijn hoofd niet helemaal bij. Midden in de nacht kom ik thuis, er zijn twee berichtjes op mijn telefoon – van mijn moeder en van mijn zusje – dat de operatie geslaagd is. Ik ga gerustgesteld slapen.

Zondagochtend om half 10 wordt ik door de telefoon gewekt. Het is Lehti, mijn zusje. De operatie is inderdaad geslaagd, maar Oma is toch wel erg zwak. Er moet gerevalideerd worden, en wie gaat dat begeleiden? En wat zal Oma daar van vinden? Mijn zusje en ik praten erover en komen tot de slotsom dat het allemaal wel niet zo’n vaart zal lopen. Oma heeft ons wel vaker versteld doen staan. Ze is weliswaar oud en broos, maar ze is taai. Ik besluit in Berlijn te blijven en reken er op dat ik deze week nog naar Nederland moet om Oma te helpen.

Om twee uur ‘s middags weer een telefoontje, het is mijn vader. Het is toch erger dan het aanvankelijk leek. Oma heeft het moeilijk, en het zou kunnen dat ze niet lang meer leeft. Mijn hart staat stil, ik wil daar zijn, niet hier aan de telefoon, ik wil dáár zijn, bij Oma, aan haar bed, met de anderen. Maar ik ben er niet. Papa, ik stap over een uur op de trein, dan ben ik middernacht in Leeuwarden. “Het zou kunnen dat je dan al te laat bent…”

Ik schakel over op de automatische piloot. Telefoontjes plegen, briefjes schrijven, afscheid nemen van de kinderen, die zo lang bij hun vader in Berlijn blijven. Ik pak snel wat kleren in een tas en ren de deur uit naar de metro, naar het station.

In de trein, met de trein, ergens heen, de treinreis, het reizen.
Opa in de trein. Een paar verre treinreizen heeft hij gemaakt. Die ieder voor zich zijn leven volkomen veranderd hebben. Op zijn veertiende, de grote reis van Wenen naar Friesland, van zijn geboortestad naar een onbekende toekomst, van de plek van honger en alleen zijn op zoek naar een nieuwe familie en een nieuw thuis. Ook hij reed van Duitstalig gebied naar het Friese Land, net als ik nu. Duits was zijn moedertaal, de taal die hij twintig jaar later slechts nog met accent kon spreken. Nederlands is mijn moedertaal, die ik – nu ik al bijna twintig jaar in Duitsland woon – niet meer perfect beheers, waar gaten in vallen, zonder dat ik er een andere moedertaal voor in de plaats krijg. Duits en Nederlands zijn de moedertalen van mijn kinderen. Hoe zou Opa het gevonden hebben om met zijn achterkleinkinderen, die nog lang niet geboren waren toen hij overleed, te praten in de taal die zijn moeder in een ver verleden met hem sprak. Naar Friesland kwam hij, waar Fries gesproken werd, een taal die ik niet versta.

Hij vond wat hij zocht, een nieuw thuis en een nieuwe familie. En, een paar jaar later, toen hij geen kind meer was, maar een jongeman, ook een meisje, het zusje van een schoolvriend van hem. Oma was een boerendochter en had een paar jaar tijd om na te denken of ze deze man, de buitenlander, tot man wilde. Na zijn opleiding tot machinist op de Grote Vaart, reisde hij op stoomschepen de wereld rond als baas van de machinekamer, en zij wachtte op hem.
Oma zei ja toen ze 21 was en samen verhuisden ze naar de Grote Hoogstraat, van waaruit hij de grote ovens van de bakkers in Friesland ontwierp en bouwde en waar zij in de winkel bakplaten, pannenschrapers en amandelbroodblikken verkocht.

Oma, mijn lieve Omaatje. Jij werd daar moeder van twee dochters, de tweede drie jaar jonger dan de eerste. En mijn moeder, jouw jongste dochter, werd moeder van twee dochters, de tweede ruim drie jaar jonger dan de eerste. En wat dacht je dat ik deed? Ik werd moeder van twee dochters, de tweede drie jaar jonger dan de eerste.

De ovenbouwer, de kleine Oostenrijker, mijn Opa, had samen met de Friese boerendochter, mijn Oma, nu zelf een gezin gesticht. In Nederland, zijn nieuwe thuisland. Maar zijn paspoort was nog Oostenrijks. Iets wat in de jaren daarna voor het jonge gezin bijna fatale gevolgen had. Hij moest, na talloze pogingen er onderuit te komen, in militaire dienst, onder de wapenen, voor de Führer.

Toen kwam die andere grote, levensgevaarlijke reis, ook van Duits gebied naar Friesland, ruim twintig jaar na zijn eerste grote treinreis. Geen jongen meer nu, maar een man, een echtgenoot en vader van twee kinderen. Terug naar huis wilde hij, en niet, niet, niet vechten voor nazi-Duitsland. Dus vervalste hij papieren en vluchtte hij weg van het oorlogsgeweld. Als deserteur uit het Duitse leger, van Stettin naar Leeuwarden, terug naar huis. Zou hij over Berlijn gereisd zijn? De trein waar ik nu in zit, komt uit Stettin. Zou hij precies dezelfde weg afgelegd hebben als die ik nu afleg? Langs Berlijn, Hannover, Bremen, Oldenburg, Groningen? Ik weet het niet, niemand zal het meer weten. Maar zijn einddoel en het mijne zijn exact hetzelfde: hij wilde terug naar vrouw en kinderen en dat zijn precies dezelfde mensen die ik straks ook zal aantreffen aan het einde van mijn treinreis, die 65 jaar na zijn reis plaatsvindt. Het zijn mijn Oma, mijn moeder en mijn tante.

Het is half 7. Mijn mobiel gaat. Ik neem op, ik hoor de gesmoorde stem van mijn moeder. Het is voorbij, het is gebeurd. Is ze dood? vraag ik. Ja, ze is dood.
Ik zak in elkaar.
Ze is dood.
En ik ben juist naar haar op weg. Om haar te zien en haar hand vast te houden en over haar hoofd te aaien en om zachtjes met haar te praten. Maar het is te laat. Ik wil uitstappen en de eerste de beste trein terug nemen. Waarom ben ik verdorie niet een paar uur eerder in de trein gestapt? Vanochtend had ik ook al kunnen vertrekken, maar dat heb ik niet gedaan. En nu is het te laat. Mijn treintijdenschema dwingt me om mijn spulletjes bij elkaar te pakken, me in de rij voor de deur te voegen, en over te stappen op de volgende trein. Verder naar het westen, niet terug naar het oosten.

Oma, mijn Oma, die toen nog geen Oma was, maar een jonge moeder, zat 65 jaar geleden, midden in de oorlog, op hem te wachten, niet wetend waar hij was, of hij nog leefde, of ze hem ooit levend terug zou zien. Maar hij kwam. Na zijn terugkomst moest hij onmiddellijk onderduiken, want bij ontdekking zou hij ter plekke terechtgesteld worden. En omdat de echtgenote van de deserteur geacht werd te weten waar hij was, moest ook mijn oma met haar kinderen onderduiken. Niet weten waar je man is, of hij nog leeft, of je kinderen hun vader ooit terug zullen zien, niet weten of je morgen opgepakt wordt, zien dat je eigen kinderen oneerlijk behandeld worden, maar er niets aan kunnen doen, omdat je dankbaar moet zijn dat je hier een onderkomen gevonden hebt. Haar dagelijkse angst dat de kinderen, jong en onbevangen als ze zijn, per ongeluk hun echte, Duits klinkende naam zullen zeggen en dat ze vergeten dat ze niet Paul maar De Vries moeten antwoorden op de vraag hoe hun achternaam is.
Het gaat goed, het einde van de oorlog is in zicht, de bevrijding, het gezin is weer herenigd.

De kinderen worden groter. Het gezin beklimt de treetjes van de sociale ladder. Er wordt gereisd, naar Amerika, met de Holland-Amerika-lijn. Ruim dertig jaar na Opa’s vertrek uit zijn geboortestad, reizen Oma en de dochters mee naar Wenen. Hij was er al die jaren niet weer terug geweest.

De dochters vliegen uit en stichten gezinnen. De kleindochters, mijn zusje en ik, komen graag bij Opa en Oma in Leeuwarden. Als ik tien ben en mijn zusje bijna zeven – net zo oud als mijn dochters nu zijn - gaat Opa dood. Eerst is het vreemd, Oma zonder Opa. Ze voelt zich onthand, moet veel dingen eerst leren. Maar ze maakt er het beste van en ontdekt op haar oude dag nog allerlei interessante bezigheden. Ze handwerkt als de beste, breit truien en vesten voor de kleinkinderen, naait knuffelbeesten, die door ons van namen worden voorzien. Ze volksdanst, zingt in een koor, speelt piano en begint zelfs te schilderen. Wij knutselen er koffers vol sinterklaaskadootjes; geborduurde kussens, gebreide popjes, genaaide raamversieringen.
De vegetariërsbond, de vereniging tegen vivisectie, Esperanto-wereldcongressen, haar correspondentie in verschillende talen met mensen over de hele wereld; het woord “verveling” komt niet in haar woordenschat voor. Ze is zuinig, laat ons de kapotte wasknijpers repareren, spoelt plastic zakjes en yoghurtbekertjes af en gebruikt die weer ergens anders voor. En als het niet meer gebruikt kan worden, maken wij er mooie dingen van. Recycling avant la lettre.

Ze is onze Oma, niet onze moeder. We mogen haar mooie, lange, grijze haar kammen en vlechten, doen gek met een panty en hebben lol met elkaar. Als dan plotseling de bel gaat en ze eigenlijk naar de deur moet, durft ze niet. Zo kan ze zich toch niet aan de buren vertonen?
Wij kleine, spichtige bleekscheetjes moeten vooral ook goed eten als we bij haar zijn. ’s Middags warm, zilvervliesrijst met vis en groente, of rijstpannenkoekjes, of kaaskroketjes. Zelf brood bakken en havermoutkoekjes en lekkere vette tulband met rozijnen. En oranjekoek van de banketbakker en Friese dumkes en roggebrood en kwark met bieslook en groentesoep en vla met bessensap. Als we een week later dan weer op de trein naar het westen stapten, terug naar onze ouders, zei ze tevreden dat we van dat weekje bij haar een lekkere kleur op onze wangen gekregen hadden.

Ook de kleindochters vliegen uit en stichten gezinnen. Ze zetten de traditie voort, zoeken buitenlandse of half-buitenlandse mannen en baren allochtone kindertjes. Haar tweede achterkleinkind, mijn oudste dochter, wordt tien jaar geleden geboren. Ik wil graag de Friese traditie van het doorgeven van de namen voortzetten, en zoek in de stamboom naar een geschikte naam. “Oma, ben jij ook naar je Oma genoemd?” “Nee, mijn Oma Njiske vond haar naam niet mooi en zei dat mijn ouders het pasgeboren meisje, mij dus, maar een andere naam moesten geven. Zo ben ik naar mijn vader genoemd". Ik, die de naam van mijn Oma draag, geef mijn oudste dochter de naam die mijn Oma eigenlijk had zullen krijgen, de naam van haar Oma.

De vorige keer dat ik bij haar was, de laatste keer, bij mijn lieve, oude, broze Omaatje, hebben we spelletjes gedaan. Halma. Oma met haar stijve reumavingers, mijn dochter met haar friemelige kindervingertjes. Negentig jaar leeftijdsverschil, maar dat mocht de pret niet drukken. Nee, Oma, dat kan niet, die moet daarheen, niet daar. Oja, ik zie het.



Na het middageten met een lekker visje, ging Oma op de bank liggen. Ik had bij het eten al aangekondigd dat we dan weer weg zouden gaan. Er kwam niet veel reactie, de bank riep. Maar toen ze daar vredig lag bij te trekken, en ik haar over haar hoofd aaide en zei dat we nu zouden gaan, prevelde ze iets. Wat zeg je, Oma? Centjes, centjes uit de beurs. Wat zeg je? Moet ik centjes uit je beurs halen? Centjes, een centje voor de spaarpot, uit de beurs. Oh, moet ik een centje uit de beurs halen voor de spaarpot van de kinderen? Ja, ik had het goed begrepen, beduidde ze. Nauwelijks beseffend dat de twee blonde meisjes met wie ze net halma gespeeld had, haar achterkleindochters en niet haar kleindochters waren, had ze er in haar halfslaap toch maar mooi aan gedacht om de kinderen even wat toe te stoppen.

Oma, mijn lieve Omaatje,
de reis is afgelopen.
Je was de allerliefste en allerbeste lievelingsoma van de hele wereld.
Welterusten.

------------------

Ik bedenk me nu pas dat ik oma ook echt 'in slaap' zong. Met 'do byst myn femke'. (Jij bent mijn meisje). Dat ze dertig jaar eerder voor ons zong. Weet niet of ze het hoorde. Wel aaide ik haar grijze haar. Ook namens jou, zus.

7 opmerkingen:

  1. Interessant en emotioneel. Dank je wel.

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Wat een prachtig verhaal.
    En jij lijkt op haar.

    BeantwoordenVerwijderen
  3. @ bentenge. Jij ook en erg leuk dat je meeleest. Mijn oma was een bijzonder mens. In het laatste jaar dat ze leefde ging ik wekelijks naar haar toe. En schreef soms hoe dat dan ging: http://lehti-paul.blogspot.com/2008/11/oma-en-obama.html.

    BeantwoordenVerwijderen
  4. @ Novy. Je op handen zijnde verhuizing maakt niet zo veel uit. Ik lees je toch vaker hier dan irl ;-)
    En ja, dat ik op mijn oma lijk/leek (als degene op wie je lijkt dood is, moet het dan t.t. of v.t. zijn?) heb ik vaker gehoord. Van buiten en van binnen.

    BeantwoordenVerwijderen
  5. en nu heb ik - via jou - ook je zus heel even leren kennen. Er zit *gvd* enorm veel in jullie twee....

    BeantwoordenVerwijderen
  6. Dank je wel Olijf. En altijd leuk dat je meeleest.

    BeantwoordenVerwijderen
  7. Ha zussie,

    Het is leuk om dat verhaaltje weer eens te lezen, om het te voelen, om aan onze oma te denken, wier naam (en - zoals in de reacties ook al gesuggereerd wordt - vast nog wel meer dan alleen haar naam) ik draag. Ze zou nu 100 geweest zijn.

    Kus van je zus

    BeantwoordenVerwijderen

Leuk dat je hier komt lezen! Nog leuker als je laat horen wat je er van vindt.