woensdag 16 september 2015

Gestolen

Of eigenlijk kan ik beter 'bestolen' zeggen. Zo voelt het soms als ik de, verder prima geschreven columns van Carolien Omidi lees (standplaats Teheran). Of bij het zien van een aflevering van Thomas Erdbrink. Jawel, ook hij als 'onze Man in Teheran'.

Want vrijwel al hun thema's sneed ook ik aan in mijn reisverslag. Dat helaas niemand wilde publiceren. Van het ontbijt met bubbeltjesplastic-brood tot en met vrij verkrijgbaar antiobioticum,  de ingewikkelde Ta'arof, huwelijksmarkten, het boze oog en alles wat daar tussen zit. Maar niet getreurd, ik gooi gewoon een paar stukjes op dit blog. Men heeft anno 2015 geen uitgever meer nodig.

Carolien en Thomas zullen vast meer recht van spreken hebben dan ik, zijnde beide werkzaam in Iran en getrouwd met een autochtoon, maar daardoor zullen ze misschien ook niet gauw meer in hun eentje op een doos gaan zitten in een winkelcentrum. Da's dan weer het voordeel van toerist zijn. Maar het gesleep met presentjes zal aan hen, als goed geïntegreerde Hollanders, wel nooit voorbij gaan. 




Aankomst:

Ze hangen aan me, de kinderen die om beurten op mijn schoot sliepen op onze nachtelijke tocht van Teheran naar Tabriz. We delen stiften, chocola en stickers uit. De opvoeder in mij kon het niet laten om ook speelgoed te kopen waarbij ze zèlf in actie moesten komen.

Maar dan blijkt dat deze kinderen niet alleen geen zandbak kennen, ze hebben ook nog nooit van knutselen gehoord. Twee zesjarige meisjes kijken me vragend aan als er van gekleurde kralen een ketting geregen moet worden. Het begint al bij de verpakking, ze krijgen het plakband niet losgepeuterd met hun nette nageltjes. Ook hun oudere nicht Hamideh weet er geen raad mee.

Al gauw ben ik omringd door negen meisjes en vrouwen die giebelend naar me kijken en mijn hand aaien. Hamideh laat me haar Engelse schoolschrift zien, haar nagellak, haar pumps waarop ze heen en weer wiebelt. Op mijn vraag wat ze na schooltijd doet, knikt ze heftig. Ze snapt het niet, ik moet nog flink oefenen op mijn uitspraak.
(...)


Vertrek 

Met de terugreis in zicht wordt het tijd om de ruimte, die er in mijn koffer is ontstaan, weer te vullen. Met spullen voor mijn familie. Maar ook voor mijn Iraanse vrienden, die hier zelf niet heen kunnen, neem ik graag de geuren en smaken Perzië mee. Koekjes uit Qom, dadels uit Bam en kleden uit Kandovan. Maar ik wil ook nog thee, saffraan en een samovar kopen.

Zohra loopt binnen bij elke beautysalon. Ik heb als toerist meer oog voor de zakken vol spaanse pepers of winkels met alleen bonen of stapels aubergines. Na de zoveelste winkel met make-up waar Zohra binnengaat, blijf ik buiten. Ik ga zitten op de kartonnen doos van mijn inmiddels aangeschafte samovar. Er klinkt muziek vanaf een galerij onder mij. Als ik voorzichtig over de balustrade gluur, houden de muzikanten op met spelen. Ik lurk aan mijn wortelsap met slagroom en kijk om me heen. Een groep jongens staat een eindje verderop. Zodra ik hun blik heb beantwoord komt één van hen mijn kant op. Op gepaste afstand, zo’n anderhalve meter, blijft de jongen van een jaar of twintig staan. 


Na wat verplichte begroetingen volgen er vragen als ‘Can I help you?, ‘Have you visit the museum near the blue Mosk’ en ‘Do you know the bazar is older than Tabriz?’ Ik lach vriendelijk, maar weer hem niet af. Ik weet helaas al alles, helpen kan hij me niet. Hij heeft zijn vrienden straks in elk geval wat te vertellen. Zou hij Holland kennen? Veel Irani’s die er wonen, kwamen er per ongeluk terecht, door een mislukte emigratie naar Canada of de VS. Hun tussenstop werd eindbestemming. Ik loop nog een paar rondes over de bazar. Vrijwel iedereen kent nu mijn verschijning. Zohra is eindelijk klaar. We gaan per taxi op notenjacht.  (...)




Teheran:

Behalve kennis van de taal, heeft Vida ook een andere Hollandse gave, het openlijk kritiek durven geven op andermans land. Ja zeker, ze heeft er gewoond. Op mijn vraag waar dit dan was, antwoordt ze ‘overal’. Ik weet genoeg. 

Ze verhuisde van het ene AZC naar het andere en leerde goed Nederlands. Vier jaar lang stond haar leven stil. Dat ze niet mocht blijven was niet het ergste, wèl dat ze dat pas na zo lang hoorde.

Ze lijkt te schrikken van haar eigen felheid en beseft dat ik niet de Nederlandse staat in eigen persoon vertegenwoordig. Zoals het een echte Iraanse betaamt, relativeert ze gauw haar kritiek: ‘Ik heb ook meegemaakt mooie dingen en ontmoet goede mensen.’ 

We babbelen vrolijk verder over Tabriz en Utrecht, over Teheran en Zeist. Ik zoek in mijn koffer naar iets om haar te geven, iets Nederlands dat ik niet al eerder uitdeelde aan mijn gastgezin.  
 

Ze kauwt bedenkelijk op de dropjes.



Geen opmerkingen: