Die was dus óók kwijt. Niet alleen werd ik gefrustreerd bij een poging verhaaltjes op het net te zetten, maar ook de mogelijkheid om plaatjes te schieten was nu weg. De accu was zoek.
Ik heb nog een heuse ouderwetse camera. Wel zo'n digitaal geval, maar ik kan er niet ook mee pingen, twitteren of bloggen op de fiets. Het apparaat dient alleen om foto's mee te maken. Wel zo overzichtelijk. Ik heb hem áltijd bij me. In een vlaag van verstandsverheldering was ik gelukkig wel zo slim om een geheugenkaartje aan te schaffen, maar aan een extra accuutje was ik niet toegekomen. En nu zat ik zonder.
Ik wist nog precies wáár Leo de laatste foto had geschoten. In de Ikea. Toen hij een foto nam van twaalf Leo's in spiegels die tegenover elkaar waren opgehangen (Ikea is net een pretpark). Hij had de display zelfs uitgezet om stroom te besparen. De camera protesteerde al een tijdje (lampje, bliebje, 'Hallo, hallo, ik ben léég, dóe wat!'). En toen, vlak nadat ik thuis de batterij eruit haalde om hem op te laden, was ie dus weg. Foetsie. Hoe kan een mens in zo'n korte tijd iets kwijtraken?! Het is gewoon een gave! Maar dan toont Lehti zich van haar meest drammerige kant. Plaats delict wist ik. Het ding móest en zóu daar dus in de buurt moeten liggen.
Bed werd opgeklapt, kleed uitgeklopt, kleren bijeen geraapt, losse papiertjes (met dingen die vandaag nog gedaan moeten worden) weggemikt, rekeningen, schoenen herschikt, alle broek- en jaszakken, zelfs van die ik niet had aangehad, werden binnenstebuiten gekeerd (goh, is die usb stick híer, leuk zeg), offertes netjes in de daartoe aangelegde map gedaan, kranten bij het oud papier gegooid.
Soms, heel soms, is het fijn om te beschikken over een overdosis zelfvertrouwen. Althans, het kwam me nu van pas. Want, -na een halve dag onrust- lag het ding dus precíes waar ik hem was kwijtgeraakt, ònder het kussen van de stoel. Als men op dat moment de chemische gelukstofjes in mijn hersenpan had gemeten, was de activiteit er van vast gelijk aan die van een junk die zijn shotje binnen handbereik heeft. Heerlijk.
Nu gauw opladen.
Trein uitzoeken.
Tandenborstel en kleren in een tas mikken.
Boekje mee, spelletje er bij.
Camera niet vergeten.
"Jongens, schoenen aan, we gáháán."
"Heb je je camera mee?"
"Ja, en de batterij is terug."
"Ja, ècht?"
"Yep."
Op naar Amsterdam.
vrijdag 21 oktober 2011
woensdag 19 oktober 2011
30, 60, 120....
Daarover schreef ik. Maar toen was de tekst opeens weg. Nu zijn het plaatjes zonder ondertiteling. En een stomme film. In de woordeloze betekenis.
En 120, dat sloeg op het aantal bezoekers dat gister opeens de weg naar dit weblog wist te vinden. Wie er ook schuilgaat achter die op muizen rustende, schuivende of klikkende wijsvingers, wie jullie ook mogen zijn, wees welkom!
Zin in een ècht verhaaltje voor het slapen gaan? Lees dan hier over walnootfetisjisten.
Er zat ook een bij op de bloesem. Hoezo 'global warming'?
Misschien zijn de bramen rijp rond kerst.
Dan kom ik weer om.
Misschien zijn de bramen rijp rond kerst.
Dan kom ik weer om.
maandag 17 oktober 2011
Man, ik ruik je!
Het ligt niet aan mijn geslaagde stoppoging. Met/van roken bedoel ik dus. Want eerder had ik ook al een uitermate goed reukvermogen. Misschien dat ook zintuiglijke vermogens relatief zijn. Dus nu ik een bril heb aangeschaft en mezelf steeds vaker "Ik versta je niet", tegen mijn kinderen hoor zeggen, valt het extra op dat mijn neus kennelijk nog goed doet waar ie voor bedoeld is.
Gelukkig is het niet zo erg als in 'Das Parfum', waar Jean-Baptiste Grenouille de geuren op de Ponte Veccchio te Firenze al van een kilometer ver kon ruiken. Ik las dat boek op de Havo, toen het net uit was, in het kader van een zogenaamd 'afrondingprogramma'. Een slimme manier om leerlingen die het vak Duits zouden laten vallen, toch nog wat ervaring met die taal te laten opdoen. Duizend bladzijden moest je als 'afvallige' lezen. Mijn toenmalige lerares, Wiecky heette ze (waarom onthoudt men namen uit een ver verleden wèl en vergeet men die van dierbaren. Toch maar 's een ander boek van mijn wishlist er op naslaan. Dat boek met die lange titel van Douwe Draaisma. Quote: "De herinnering is als een hond die gaat liggen waar hij wil."
Wow, mooie beeldspraak.)
Goed, die Wiecky dus, die had het dus níet gelezen. Das Parfum. Ik kon er van alles van maken. Wat de schrijver bedoelde en zo. Zij slikte het. En ik was óver. Geloof ik. Niet dat ik daar wat mee deed, want ik hield school al gauw voor gezien. Was met mijn hoofd ergens anders. Bij de natuurkundeles wist ik van de video over Gallileo Gallilei (ai ai ai, ik wilde hier bijna 'Goethe' schrijven. Heb mezelf als vroegtijdig schoolverlater toch een lelijk gat in mijn algemene ontwikkeling bezorgd. Interpunctie gaat me ook al zo slecht af. Of die hond is gewoon verkeerd gaan liggen.) goed, ik wist over die film dus alleen te vertellen hoe mooi dat Toscaanse landschap toch was. De docent nam daar geen genoegen mee. Wat op zich weinig zei, want de docent in kwestie had zelf óók meer oog voor het vrouwelijk (piep) jongvolk dat in zijn lokaal zat (jazeker, ook zíjn naam ken ik nog), dan voor de lesstof.
Maar ik ruik dus goed. Ik ruik het als mijn buurmeisje is langs geweest, ik ruik het als de theedoeken te drogen hangen over de radiator, ik ruik de paardenmest die wordt uitgespreid in de volkstuintjes, als er buiten op de stoep wordt gerookt, wat de buren eten, ik ruik de mond van mijn danspartner, de verse krant, de gewassen haren van mijn kinderen, thee die net is gezet. Ik ruik de rotte aardappel, ergens onderin de zak van de supermarkt, ik ruik gevallen populierenbladeren die op straat liggen, in het bos ruik ik in de herfst porcini (éékhoorntjesbrood, wie verzint zo'n belachelijk lange naam voor een pàddestoel! Rare taal. Nederlands) en ik ruik het ook als de herfst begint in Groningen. Suikerbieten. Want hoewel de suikerfabriek hier ter stede onlangs is afgebroken, draait die in het nabijgelegen Hoogkerk nog op volle toeren. Even de afstand opzoeken. Dat is zes kilometer hier vandaan! Ok, laten het er hemelsbreed drie zijn. Maar dan nog. Ik doop mezelf hierbij Lehti Grenouille. Zonder criminele ambities. Ik lees nu trouwens net in een samenvatting van 'Das Parfum', dat inmiddels vertaald in mijn kast staat, dat Firenze er niet in voorkomt. Het betrof geen ponte maar een pont. Over de Seine. Niks geen Arno. De naam Grenouille zegt natuurlijk al genoeg. Ach ja, maar dat Italië zat kennelijk toen al in mijn poriën. Korte tijd later woonde ik er zelf. De vergelijking met Grenouille gaat gelukkig op meerdere vlakken mank. Want hij is geurloos. En ik kan soms flink stinken.
Waarom ik hierover begin? Omdat, toen ik gister naar bed zou, en ik naar beneden ging om de thermostaat laag te draaien en de ontbijttafel te dekken....
toen rook ik iets.
Een man.
Ja, ik rook een mannengeur. Onmiskenbaar. Maar waar kwam het vandaan? Er stond geen vrijer in het portiek bij mijn buurmeisje, er hing geen vergeten jas van mijn minnaar of mijn oudste zoon aan de kapstok (beide strooien kwistig met geurtjes)....
Als een loops hondje liep ik door de keuken en kamer, trap op en trap af. Mijn neus achterna. En dan komt nu de vraag; hoe eíndig ik dit logje. Wat ik ben er nog steeds niet achter waar die (geur van die) man zich verscholen houdt. Dus heeft deze blogpost geen ontknoping, geen clou.
Ik ruik een vent hier in huis. Maar waar?
Gelukkig is het niet zo erg als in 'Das Parfum', waar Jean-Baptiste Grenouille de geuren op de Ponte Veccchio te Firenze al van een kilometer ver kon ruiken. Ik las dat boek op de Havo, toen het net uit was, in het kader van een zogenaamd 'afrondingprogramma'. Een slimme manier om leerlingen die het vak Duits zouden laten vallen, toch nog wat ervaring met die taal te laten opdoen. Duizend bladzijden moest je als 'afvallige' lezen. Mijn toenmalige lerares, Wiecky heette ze (waarom onthoudt men namen uit een ver verleden wèl en vergeet men die van dierbaren. Toch maar 's een ander boek van mijn wishlist er op naslaan. Dat boek met die lange titel van Douwe Draaisma. Quote: "De herinnering is als een hond die gaat liggen waar hij wil."
Wow, mooie beeldspraak.)
Goed, die Wiecky dus, die had het dus níet gelezen. Das Parfum. Ik kon er van alles van maken. Wat de schrijver bedoelde en zo. Zij slikte het. En ik was óver. Geloof ik. Niet dat ik daar wat mee deed, want ik hield school al gauw voor gezien. Was met mijn hoofd ergens anders. Bij de natuurkundeles wist ik van de video over Gallileo Gallilei (ai ai ai, ik wilde hier bijna 'Goethe' schrijven. Heb mezelf als vroegtijdig schoolverlater toch een lelijk gat in mijn algemene ontwikkeling bezorgd. Interpunctie gaat me ook al zo slecht af. Of die hond is gewoon verkeerd gaan liggen.) goed, ik wist over die film dus alleen te vertellen hoe mooi dat Toscaanse landschap toch was. De docent nam daar geen genoegen mee. Wat op zich weinig zei, want de docent in kwestie had zelf óók meer oog voor het vrouwelijk (piep) jongvolk dat in zijn lokaal zat (jazeker, ook zíjn naam ken ik nog), dan voor de lesstof.
Maar ik ruik dus goed. Ik ruik het als mijn buurmeisje is langs geweest, ik ruik het als de theedoeken te drogen hangen over de radiator, ik ruik de paardenmest die wordt uitgespreid in de volkstuintjes, als er buiten op de stoep wordt gerookt, wat de buren eten, ik ruik de mond van mijn danspartner, de verse krant, de gewassen haren van mijn kinderen, thee die net is gezet. Ik ruik de rotte aardappel, ergens onderin de zak van de supermarkt, ik ruik gevallen populierenbladeren die op straat liggen, in het bos ruik ik in de herfst porcini (éékhoorntjesbrood, wie verzint zo'n belachelijk lange naam voor een pàddestoel! Rare taal. Nederlands) en ik ruik het ook als de herfst begint in Groningen. Suikerbieten. Want hoewel de suikerfabriek hier ter stede onlangs is afgebroken, draait die in het nabijgelegen Hoogkerk nog op volle toeren. Even de afstand opzoeken. Dat is zes kilometer hier vandaan! Ok, laten het er hemelsbreed drie zijn. Maar dan nog. Ik doop mezelf hierbij Lehti Grenouille. Zonder criminele ambities. Ik lees nu trouwens net in een samenvatting van 'Das Parfum', dat inmiddels vertaald in mijn kast staat, dat Firenze er niet in voorkomt. Het betrof geen ponte maar een pont. Over de Seine. Niks geen Arno. De naam Grenouille zegt natuurlijk al genoeg. Ach ja, maar dat Italië zat kennelijk toen al in mijn poriën. Korte tijd later woonde ik er zelf. De vergelijking met Grenouille gaat gelukkig op meerdere vlakken mank. Want hij is geurloos. En ik kan soms flink stinken.
Waarom ik hierover begin? Omdat, toen ik gister naar bed zou, en ik naar beneden ging om de thermostaat laag te draaien en de ontbijttafel te dekken....
toen rook ik iets.
Een man.
Ja, ik rook een mannengeur. Onmiskenbaar. Maar waar kwam het vandaan? Er stond geen vrijer in het portiek bij mijn buurmeisje, er hing geen vergeten jas van mijn minnaar of mijn oudste zoon aan de kapstok (beide strooien kwistig met geurtjes)....
Als een loops hondje liep ik door de keuken en kamer, trap op en trap af. Mijn neus achterna. En dan komt nu de vraag; hoe eíndig ik dit logje. Wat ik ben er nog steeds niet achter waar die (geur van die) man zich verscholen houdt. Dus heeft deze blogpost geen ontknoping, geen clou.
Ik ruik een vent hier in huis. Maar waar?
zondag 16 oktober 2011
Wie wil stoeien is welkom.

Deze foto's behoeven verder niet veel uitleg lijkt me. 'Samen koken' of 'Sla en snijbonen', ook goed. En gehaktballetjes en rijst. Maar als ik dat op de foto had gezet, was de camera uit mijn vingers gegleden. Onder het koken vroeg Kees (7) zich af waarom zijn grote broer nooit meer met hen stoeide. Dus vlak voordat de bonen gaar waren werd er een briefje op de deur geplakt met:WIE
WIL
STOEIEN
IS
WELKOM
WIL
STOEIEN
IS
WELKOM
bedoeld voor Frans (20). Die die dag kwam eten. Tussen het leggen van zijn laminaat en het sauzen van de muur in. Met zijn vriend. Te midden van vier jongens zat ik aan tafel. We eten al drie dagen hetzelfde. Ik kan geen snijboon meer zien. Maar gestoeid werd er. En hoe.

Leo (10) en Kees zag ik verwikkeld in een kluwen armen en benen waar af en toe een oerkreet uit te voorschijn kwam. Er lag een zacht kleedje onder deze jongensknoop, dus moeders was gerust (en deed nu niet zelf mee). Voor de afwas had ik dit keer een andere kandidaat. Maar, zodra Frans dreigde weg te lopen van het partijtje stoeien, mengde deze zich ook in de strijd. "Dat kietelt!!!"

zaterdag 15 oktober 2011
Rucola, dood, een voorstelling en weer muizen

Na een ontbijt van rucola en gorgonzola, rij ik naar mijn werk in Leeuwarden. Om CV en elektra te repareren. En als de kachel en het licht bij de klant weer brandt, zet ik weer vrolijk koers naar het Oosten. Hoewel ik weet dat de reparaties nodig waren om bezoek een warm onthaal te geven. Rouwbezoek wel te verstaan. Van een nog niet overleden vrouw. Die nog geen jaar terug haar eigen moeder te grave droeg. Triest. Maar het verhaal dat zij nu, samen met haar broer, haar eigen begrafenis tot in de puntjes kan regelen, op de manier die het best bij haar past, ontroert me. Het is vast vele malen te verkiezen boven het plotseling wegvallen van een naaste. Warm.
Ik rij langs de kerk waar mijn oma ligt begraven. Die twee jaar geleden in mijn armen stierf, terwijl ik 'do bist myn femke' (je bent mijn meisje) voor haar zong. Net als zij dat, jaren eerder, voor mij zong. Ze ligt bij haar man. Die ooit als twaalfjarig bleekneusje uit Wenen naar Friesland kwam. Om aan te sterken. Net als Miep Gies. Ze gingen beiden niet meer terug. Op de dag dat ik zeven jaar zou worden, zou mijn opa de zeventig volmaken. Maar hij ging eerder dood. Toen was ik ontroostbaar. Nu is het goed.
De zon schijnt nog steeds uitbundig. Dit keer doet de Iraanse reggaemuziek het op de weg terug naar huis prima. Zou dat ook aan het weer liggen? Ik kan niet meezingen, want ik ben de taal niet machtig. Het betekent iets van "Zeg maar niks meer".
Maar ik zeg wel wat. Want Kees (7) was 's avonds weer meesterlijk. We stonden in de badkamer.
Of dat ook overging, die ziekte van hem, vroeg hij.
"Nee," zei ik, "die gaat niet over."
Kees: (zonder al te veel emotie) "Maar dan ga ik dood."
"Nee," zei ik "je gaat niet er niet dood aan en je hebt ook geen pijn, het is alleen wel strontvervelend. Van dat slapen en dat vallen. Maar het is ook bijzonder want het is een heel zeldzame ziekte die jij hebt."
Z'n ogen gingen twinkelen en ik zag dat er een plan in zijn koppie opkwam.
Kees: "O, maar dan kan ik wel een voorstelling geven, en dan komen er mensen kijken en dan wordt ik vet rijk!"
En toen stapte hij zingend onder de douche en zong hij, uit volle borst "Say, say, say." (x25). Na het zien van de clip besef ik pas hoe hilarisch de link is. Ik zag het niet eerder.
Zelfs de aardappels op de markt worden er mooi van.
Weet je hoe ze die noemen,
die piepers uit Andijk?
'Muizen'.
dinsdag 11 oktober 2011
Over lekkende kranen en gammele muziek
Geen punt als mensen hun lekkende kraan zelf niet kunnen of willen repareren. Dat geeft mij weer wat brood (-kruimels) op de plank. Klein klusje. Zo gepiept.
Maar ja, zo'n kraan is natuurlijk merkloos. Bijpassende rubbers zijn dus lastig te vinden. En om klanten nou gelijk op kosten te jagen door ze een nieuwe kraan aan te smeren, da's niet mijn stijl. Even verder zoeken.
Heb ik eindelijk drie nieuwe rubbers (de laatste, logisch), volgt er een nieuwe uitdaging: waar zal ik die ielige ringetjes, op de weg tussen aankoop en het huis van de klant, zolang bewaren? Beter niet in één van mijn tien broekzakken of portemonnee en al helemáál niet op de autostoel. Dan maar gewoon in het zicht, op het dashboard, vóór de kilometerteller.
Je raadt het natuurlijk al, ik leg ze daar neer en FLOEP, weg zijn ze!
Verschwunden! Desaparecido! Scomparsi! Kutringetjes. Moet ik potjandorie mijn auto slopen om een lekkende kraan te kunnen repareren! 't Wordt hier al gekker. Zie je ze liggen?
Waarom ik ze niet gewoon voor de bijrijdersstoel legde? Logisch toch, daar lag het al vol met andere zooi. Vind ik ze helemáál nooit meer terug tussen steeksleutels, afgekloven appels, legoblokjes en cd's.
Cd's, ook zoiets. Geef mij maar zo'n Universeel-Seriëel-Bus-stokje. Beter bekend als USB-stick. Want zo'n rond zilveren plaatje, daar komen maar krassen op. Dat merk ik dan pas als ik na gedane arbeid terug naar huis rij. En deze natte grijze dinsdag wil opvrolijken met muziek. Met een cd die een mooie jongeling drie jaar geleden voor mij brandde in een hypermodern winkelcentrum in Tabriz. Muziek waar ik op danste met Perzische dames in zijden jurken en losse haren. Van hun buikdansen mocht ik geen foto's maken. Laat staan een filmpje. Geen nood. Het is de herinnering die telt. De muziek zal mij weer laten stralen en deze grijze dag laten verbleken.
Maar helaas, alleen de vioolsolo (bij sec.0.20) lijkt mijn ruige behandeling te hebben overleefd. De rest van de cd is gereduceerd tot een zenuwslopende overslaande plaat met een nòg onnavolgbaarder ritme dan gewoonlijk. 'Gammele gammele', noemen mijn kinderen dit soort Oosterse muziek. Een toepasselijker titel voor dit nummer bestaat niet. Hoor maar. In het eerste filmpje, als ik rij, valt het nog wel mee, je hoort in elk geval hoe het hóórt te klinken. Maar als ik voor het stoplicht wacht, is het om te huilen zo erg. En ik kan het niet opnieuw ergens opzoeken, want ik weet niet wie het zingt en zie ook geen titel op het display.
Zucht. Voor mij blijft Groningen grijs vandaag.
Maar ja, zo'n kraan is natuurlijk merkloos. Bijpassende rubbers zijn dus lastig te vinden. En om klanten nou gelijk op kosten te jagen door ze een nieuwe kraan aan te smeren, da's niet mijn stijl. Even verder zoeken.
Heb ik eindelijk drie nieuwe rubbers (de laatste, logisch), volgt er een nieuwe uitdaging: waar zal ik die ielige ringetjes, op de weg tussen aankoop en het huis van de klant, zolang bewaren? Beter niet in één van mijn tien broekzakken of portemonnee en al helemáál niet op de autostoel. Dan maar gewoon in het zicht, op het dashboard, vóór de kilometerteller.
Je raadt het natuurlijk al, ik leg ze daar neer en FLOEP, weg zijn ze!Verschwunden! Desaparecido! Scomparsi! Kutringetjes. Moet ik potjandorie mijn auto slopen om een lekkende kraan te kunnen repareren! 't Wordt hier al gekker. Zie je ze liggen?
Waarom ik ze niet gewoon voor de bijrijdersstoel legde? Logisch toch, daar lag het al vol met andere zooi. Vind ik ze helemáál nooit meer terug tussen steeksleutels, afgekloven appels, legoblokjes en cd's.
Cd's, ook zoiets. Geef mij maar zo'n Universeel-Seriëel-Bus-stokje. Beter bekend als USB-stick. Want zo'n rond zilveren plaatje, daar komen maar krassen op. Dat merk ik dan pas als ik na gedane arbeid terug naar huis rij. En deze natte grijze dinsdag wil opvrolijken met muziek. Met een cd die een mooie jongeling drie jaar geleden voor mij brandde in een hypermodern winkelcentrum in Tabriz. Muziek waar ik op danste met Perzische dames in zijden jurken en losse haren. Van hun buikdansen mocht ik geen foto's maken. Laat staan een filmpje. Geen nood. Het is de herinnering die telt. De muziek zal mij weer laten stralen en deze grijze dag laten verbleken.
Maar helaas, alleen de vioolsolo (bij sec.0.20) lijkt mijn ruige behandeling te hebben overleefd. De rest van de cd is gereduceerd tot een zenuwslopende overslaande plaat met een nòg onnavolgbaarder ritme dan gewoonlijk. 'Gammele gammele', noemen mijn kinderen dit soort Oosterse muziek. Een toepasselijker titel voor dit nummer bestaat niet. Hoor maar. In het eerste filmpje, als ik rij, valt het nog wel mee, je hoort in elk geval hoe het hóórt te klinken. Maar als ik voor het stoplicht wacht, is het om te huilen zo erg. En ik kan het niet opnieuw ergens opzoeken, want ik weet niet wie het zingt en zie ook geen titel op het display.
Zucht. Voor mij blijft Groningen grijs vandaag.
zondag 9 oktober 2011
Muisjes
"Als er iemand doodgaat, moeten ze gestampte muisjes eten."
Naderhand vond ik 'm superlogisch. Deze opmerking die mijn zevenjarige zoontje plaatste. Maar ik was geloof ik nog niet helemaal wakker, vanmorgen om acht uur aan het zondagontbijt.
Dus vroeg ik om uitleg en hij zei, zeer vanzelfsprekend: "Ja, als er iemand wordt geboren dan eet je muisjes, en gestampte muisjes zijn toch dood, nou die eet je als er iemand doodgaat."
Ik vond 'm briljant.
Naderhand vond ik 'm superlogisch. Deze opmerking die mijn zevenjarige zoontje plaatste. Maar ik was geloof ik nog niet helemaal wakker, vanmorgen om acht uur aan het zondagontbijt.
Dus vroeg ik om uitleg en hij zei, zeer vanzelfsprekend: "Ja, als er iemand wordt geboren dan eet je muisjes, en gestampte muisjes zijn toch dood, nou die eet je als er iemand doodgaat."
Ik vond 'm briljant.
zaterdag 8 oktober 2011
Café opening in 2021
Zondagochtend waren er muisjes. Of eigenlijk waren die er niet. Niet héél en niet gestampt. Maar Kees begon erover. Terwijl we met zijn zevenen een soort doorlopend buffet hadden. Met uitgeperste mandarijnen, pap met stroop en pepernoten op brood. Er logeerden een vriendje, een zus en twee nichtjes. En er kleefden veel hageltjes en rijst van gister onder onze sokken. Gelukkig geen ossenworst, waar bij het ontbijt bijna om werd gevochten door het Berlijnse bezoek.Het vriendje werd opgehaald. Hij moest de 4 mijl van Groningen lopen.
De stakker. Het regende pijpenstelen.
Grote zoon Frans dreigde te laat te komen voor zijn werk. Ik bracht hem met Leo en de nichtjes naar zijn werk. Hij was nog nooit zo vroeg geweest. We leerden van hem, onder het genot van een kupje soup, hoe je lekker pizzadeeg maakt.
Toen brachten we de nichtjes naar de trein. Sleepten loodzware koffers de trap op en af. Leo en Kees renden mee over het perron. Terug lekker stampen in de plassen. We kregen koude natte voeten. Net als een week geleden. Maar dat voelde toch anders, daar aan het strand bij Petten.



Vanavond waren we weer met zijn drietjes. En aten we restjes in de vorm van nasi. Toen de kroepoek op was, schepten Leo en Kees cracottes vol met rijst. Ook knapperig. Leo wilde wel afwassen. Kees zette intussen liedjes op zijn USB stick. Toen ik ging afdrogen, zag ik Leo zweten op een pannetje.
"Kan je dat ook slopen?", vraagt hij. "Ach," zeg ik, "het kàn misschien wel, maar ik zou het niet doen, dan springt er nog meer glazuur af. Dat is een soort glas, best gevaarlijk. Net als bij bekers, daar zit ook een laagje glazuur op en van binnen is het van steen."
Leo: "Net als bij je tanden."
Als Keesje bij Pluk in slaap is gevallen (en gelukkig nog net hoort dat Zaza de kakkerlak gered wordt), ga ik 'verzamelingen aanleggen' met Leo. Dat is een ander woord voor 'opruimen'. Want wie van alles terugvindt, heeft al gauw een verzameling. Aldus mijn tienjarige zoon, die sinds kort een ster is in het positief benoemen van de mindere zaken van het leven. Hij vindt het leuk om, samen met mij, zijn kamer op te ruimen. Vooral als het bedtijd is.
En toen was het opeens maandag en klaagde Kees dat de dag, de week en het jaar, ja je hele leven zo snel ging. Drie minuutjes dit, drie minuutjes dat en de dag is al om.
Ik liet me niet meeslepen in deze melancholie en zei me te verheugen op twee grote kerels aan tafel. Kees stond vrolijk op en zei me hoe groot de tafel dan wel moest zijn die ik dan moest maken. Leo trok zijn knieën op de kruk. Kees had het (zoals wel vaker het geval is) over geld. Hij kwam met het idee om een cafeetje te openen. En zo fantaseerden we verder aan tafel.
Wie weet. Over tien jaar. Frans (30) bakt de pizza's, Leo (20) wast af en ruimt op, Kees (17) doet de boekhouding en zorgt voor de muziek. Ik (51) bouw het café en mijn zus (54) zorgt voor de extra's. De nichtjes (23 en 20) maken samen met opa en oma (81 en 83) lifemuziek op piano en viool.
Noteer maar alvast in je agenda. 10-10-2021. Locatie wordt later bekendgemaakt.
woensdag 5 oktober 2011
Voortschrijdend vooruitzicht
Soms sta ik stil en denk: "Nou jááá, dat ik nou nóóit achter mezelf gezocht!" Was het dan echt nodig om de veertig te passeren, om sommige zaken toe te mogen geven aan mezelf? Dat ik sommige dingen gewoon lekker vind.
Luchtjes bijvoorbeeld, die vind ik helemaal niet vies. Als ze tenminste lekker zijn. Sterker nog, ik vind ze heerlijk. Vroeger rook ik stiekem aan de mooie flesjes in de badkamer bij mijn tantes. Onlangs kocht ik met mijn buurmeisje eindelijk zelf mijn eerste flesje. Ondertussen genoot ik wel van vergeten mannen t-shirts en de geur aan mijn handen na een avond dansen. Wat geur met je doet. Met mij doet. Ik ruik prima. Heb zelfs een uitzonderlijk goed reukvermogen. Vroeger, van huis uit, had ik niks met geurtjes. Opmaken, optutten, daar deden wij niet aan. Het was een beetje 'not done'.
Huizen. Ook zoiets. Op een boerderij, aan de gracht, in een caravan en op een flat, ik heb op vele plekken gewoond. Bijna nooit alleen en nooit op kamers. Wellicht dat dat laatste een rol speelt. Ik weet het niet. Maar het ideaal van een tuin te bezitten heb ik niet meer. Of heb ik misschien nooit gehad. Ja, het rúikt natuurlijk lekker. Vooral 's avonds, naar kamperfoelie. En tuinieren vind ik een rustgevende bezigheid, dus het is niet het onderhoud dat me afschrikt. Maar ik hou van licht en van hoog en van uitzicht over de stad en de mensen onder me (carrière als manager misgelopen?). Het ongezien zijn en dan soms, heel soms, die blik omhoog. En toch 'Ik zie ik zie, wat jij niet ziet'. Uitzicht, vooruitzicht. Daar hou ik van. Eindelijk op kamers.
'Mis je de tuin niet?'
Tja, nou nee, eigenlijk niet. Het is goed zo.
'En als het mooi weer is dan? '
Dan ga ik gewoon naar het strand of naar het bos. Zoals we deze eerste oktoberdagen deden.

Dacht ik op Sicilië op een oude beschaving te zijn gestuit. Met Griekse tempels van 2500 jaar geleden, loop ik in Rijs - ja, dat ligt dus in Gaasterland, Friesland voor de duidelijk- zomaar over een 'Steenkist'.
'Over een watte?'
Over een graf van de trechterbekercultuur dat daar dus al zo'n slordige 5500 jaar steenkist loopt te zijn. Wat nou Grieken. Dit is andere koek. Gewoon in mijn eigenste Friese achtertuin.
Toen we thuiskwamen zei Leo dat het jammer was dat ie de hele tijd 'dat spel' had gedaan met zijn broertje. Omdat ie daardoor zo weinig zag. Maar ik vond het niet jammer en ik genoot. En zij ook. Kilometers, úren liepen ze. Tussen bomen, over geheime paadjes, jagend op denkbeeldige vijanden. Die zijn daar genoeg in dat Rijser bos, het barst er van de 'gaasten'. We waren van 'de legende van Koetje Boe' en we zagen kitesurfers bij het klif en paddestoelen.
En een draaiend mannetje op een dak,
toen we bijna thuis waren.
Luchtjes bijvoorbeeld, die vind ik helemaal niet vies. Als ze tenminste lekker zijn. Sterker nog, ik vind ze heerlijk. Vroeger rook ik stiekem aan de mooie flesjes in de badkamer bij mijn tantes. Onlangs kocht ik met mijn buurmeisje eindelijk zelf mijn eerste flesje. Ondertussen genoot ik wel van vergeten mannen t-shirts en de geur aan mijn handen na een avond dansen. Wat geur met je doet. Met mij doet. Ik ruik prima. Heb zelfs een uitzonderlijk goed reukvermogen. Vroeger, van huis uit, had ik niks met geurtjes. Opmaken, optutten, daar deden wij niet aan. Het was een beetje 'not done'.
Huizen. Ook zoiets. Op een boerderij, aan de gracht, in een caravan en op een flat, ik heb op vele plekken gewoond. Bijna nooit alleen en nooit op kamers. Wellicht dat dat laatste een rol speelt. Ik weet het niet. Maar het ideaal van een tuin te bezitten heb ik niet meer. Of heb ik misschien nooit gehad. Ja, het rúikt natuurlijk lekker. Vooral 's avonds, naar kamperfoelie. En tuinieren vind ik een rustgevende bezigheid, dus het is niet het onderhoud dat me afschrikt. Maar ik hou van licht en van hoog en van uitzicht over de stad en de mensen onder me (carrière als manager misgelopen?). Het ongezien zijn en dan soms, heel soms, die blik omhoog. En toch 'Ik zie ik zie, wat jij niet ziet'. Uitzicht, vooruitzicht. Daar hou ik van. Eindelijk op kamers.
Tja, nou nee, eigenlijk niet. Het is goed zo.
'En als het mooi weer is dan? '
Dan ga ik gewoon naar het strand of naar het bos. Zoals we deze eerste oktoberdagen deden.
Dacht ik op Sicilië op een oude beschaving te zijn gestuit. Met Griekse tempels van 2500 jaar geleden, loop ik in Rijs - ja, dat ligt dus in Gaasterland, Friesland voor de duidelijk- zomaar over een 'Steenkist'.
'Over een watte?'
Over een graf van de trechterbekercultuur dat daar dus al zo'n slordige 5500 jaar steenkist loopt te zijn. Wat nou Grieken. Dit is andere koek. Gewoon in mijn eigenste Friese achtertuin.
En een draaiend mannetje op een dak,
toen we bijna thuis waren. vrijdag 30 september 2011
Dansende besjes
Geïnspireerd door de invriesmania van Olijf en het dansende stokje van Novy, heb ik een roadmovie gemaakt met dansende tomaatjes. Althans, daar kunnen ze best voor doorgaan. Van die heerlijke kerstomaatjes, weet je wel. Maar het zijn dus besjes. Afkomstig van de boom waar mijn auto onder stond. Tot mijn verbazing bleven die besjes gewoon op mijn auto liggen bij 120 kilometer per uur. Ze gingen alleen een beetje dansen. De lezer zal het misschien meer verbazen dat ik met die snelheid filmde.
Maar, laten we wel wezen, rijdend bellen is verboden, filmen toch niet?
O, gaat het om veiligheid? Nou, ik kan zelfs breien achter het stuur, hoor! (kan alleen niet breien). Heb al 23 jaar mijn rijbewijs en nog nooit een auto in de prak gereden. Of het moet die keer zijn geweest dat ik met mijn viesgele Fiat 128 een broodje porchetta stond te kopen te Marsciano. En niet zag -want met mijn rug naar de weg-, dat mijn gele bolide er uit zichzelf vandoor ging. "Signora, signora!", probeerde de verkoper me te waarschuwen. Maar het was te laat. Mijn auto stond tegen de achterbumper van de auto vóór me. Bleek die van een veehandelaar te zijn. Met wie ik mot had gehad. 200.000 lire kostte die klotebumper. Nee, hij was niet van plan coulant te zijn. Maar ik zat toen dus niet ìn de auto, dus dat telt niet. Was ik de handrem vergeten? Vast. Kan gebeuren. Het broodje varken met venkel was trouwens heerlijk.

Of die keer in Montalcino. Zelfde land, twintig jaar later. Ik ging met vier kindjes op stap. Het was snikheet. Er was veel toerisme en weinig parkeerplek. Ik liet (en laat) me er op voorstaan goed te kunnen inparkeren. Kindjes stapten uit en seinden me vanaf de stoep hoeveel millimeter ik nog had tot aan de bumper van voor- en achterbuur. Na tien keer zwetend heen en weer steken stond ik keurig in het gelid. Dacht ik. Maar dit deukje had ik dus niet gezien (daar waar het stof is weggeveegd, zie je?). Het was zo'n dikke Duitse SUV ('Suf', noem ik ze).
Nadat we het kasteel hadden verkend, waar peperdure wijn klaarstond om naar de VS te worden verscheept, de kinderen de roddeltantes in het park hadden natgespetterd met de fontein en we hadden geprobeerd om tijdens siësta wat eten te bemachtigen (alles potdicht), vond ik een Duits briefje onder mijn ruitenwisser. Of ik naar het nabijgelen Buoncovento wilde komen.
Nee, dat wilde ik dus eigenlijk helemaal níet.
Ik wilde in een riviertje poedelen en dammen bouwen en iets te eten.
Maar, dacht ik, ze hadden mijn kenteken, dus ik had geen keus. Anders wachtte me vast allemaal juridisch gedoe.
Om kort te gaan. Ik reed naar de Duitse Suf, aanschouwde het deukje, we vulden de schadepapieren in en nu moet ik drie jaar schadevrij rijden om mijn no-claim niet kwijt te raken.
Het ongeplande uitstapje naar Buonconvento leverde wel mooie plaatjes op (die wereldberoemde wijn wordt zeker van zonnebloemen gemaakt). Toscane, Umbrië, het groene hart van Italië. Waar ik ooit ook eens, toegegeven, een ongelukje met mijn Renaultviertje had. Maar ook tóen zat ik niet in de auto. Althans niet méér. En ik reed ook niet. De ruzie die ik met mijn vriend had liep toen zo hoog op, dat ik uit de auto sprong en ook de bestuurder (vriend) stapte uit. Niet echt handig, maar ja. Ik vreesde erger letsel als ik met hem mee zou rijden naar huis. De weg was niet al te steil. Het Renaultje sukkelde ever door en kwam tegen een paaltje tot stilstand. Klein deukje. Ik was er zelf erger aan toe. Barvrouw T. (ook al met blauw oog), haar man N., de takkenvrouw en alle andere gekken van het dorp dromden samen om te zien of er wat sensationeels te zien viel. Ze zagen alleen mijn bloedneus. Pech voor hen. Toen ik weer instapte (niet bepaald uit vrije wil), belden ze de carabinieri. En die kwam bij mij thuis kijken. Ze keken omhoog, naar mij, die vrolijk lachend uit het raam leunde. Met mijn vriendje achter me, die ook al zo blij en relaxed oogde. Maar in zijn lieftallige hand, die zorgzaam op mijn rug leunde, en vanaf buiten niet te zien, omklemde hij een keukenmes. Lugubere versie van de balkonscène. Ik moest (alwéér?) van de dienders naar beneden komen (Au!, soepel traplopen was geen feest) en me, voor hun neus, om mijn as draaien. Die agenten zagen dat vast niet dagelijks, zo'n jong blondje dat ze mochten inspecteren. Hadden zij ook een verzetje. Het leek op een koeienkeuring. En ik oefende in de schone schijn. "Ja hoor", zegde ik hen toe, "als er iets is, zal ik u bellen" (Ja hóe dan?, er wàs daar toch helegaar geen telefoon! Die was in het café van T. en N., twee kilometer terugrijden). Aan mijn vriend maakte ik even later mijn excuses voor mijn roekeloze sprong uit de auto.
Oja, dáár had ik het over, over áuto's en veilig rijden. Niet over veilige vriendjes.
Aldus. Dat blauwe Renaultje plantte ik in de winter van 1990 alsnog tegen een boom. Op slechts honderd meter van het eerdere drama. Vast een onheilsplek. Ik was inmiddels met mijn hond, geit, kippen en konijnen naar Fanciulata, bij Deruta verkast. En zwanger. Ik reed naar Orvieto, waar de vader woonde. Hij zou forellen maken (Ok, hij had losse handjes maar leerde me de taal perfect spreken en hij kon lekker koken. Was wel een beetje harde leerschool. Gordon Ramsay's Hell's kitchen is vleierij vergeleken bij de kritiek die ik kreeg als mijn pasta naar zijn smaak te gaar/te rauw/te plakkerig/te nat/te droog was.) "Maar", had hij gezegd, "Neem niet de superstrada, die is te gevaarlijk." Had hij geen ongelijk in. De enige zoon van de timmerman uit Collelungo had zich er enkele jaren eerder doodgereden. "Neem de weg over de bergen, dat is veiliger", voegde hij er aan toe. Had hij verstand van. Van veiligheid.
Ik reed die avond van Deruta naar Orvieto, over Prodo en Marsciano, over de berg met de antenne, (knap hè, bezwangerd worden met een berg er tussen). Het was glad. Het kan zó koud zijn in Italië (de pis bevroor in de pot onder mijn bed). In een bocht tikte ik, heel even maar, de rem aan. De auto ging dwars op de weg staan, reed tergend traag naar de afgrond. Uitstappen ging niet, het portier kon alleen van buiten open. Een seconde later stond mijn auto verticaal tegen een boom. Een kersenboom. De takkenvrouw zei me dat ik er jaarlijks een kruiwagen mest heen moest brengen. Zo ver kwam het niet. De boom ging dood. Maar ik leefde nog. En het prille leven dat in mij groeide gelukkig ook. Ik schoof voorzichtig het raampje open, deed het portier open en klom naar buiten. Toen ik het nabijgelegen café van T. en N. binnenstapte zei T: "Is er iets, Lehti, je ziet zo bleek?"
Uren later dan gepland aten we die nacht met vijftien man forel in Orvieto.
Een tractor trok mijn auto de volgende dag uit de afgrond. Helaas waren er toen nog geen digitale foto's. Maar ìk was er al wel. Dus maakte ik foto's. Ook waren er nog geen mobieltjes. Bellen deed ik in de kroeg (had ik tenminste een excuus om de deur uit te mogen).
Het R4tje heeft later nog dienst gedaan als konijnenhok (wielen waren er af, het ding stond op blokken, maar de radio deed het nog járen) en als tomatenkas. Maar helaas, toen hij in zijn vrij naar lager gelegen stallen werd 'gereden', werd dat even vergeten en zo lagen er honderden tomatenstekjes door de auto gestrooid. Typisch geval van jammer.
Vorig jaar, na het kasteel-suf-botsauto-zonnebloem-uitstapje, maakte ik een tochtje naar mijn vorige leven en dronk een kopje koffie bij dezelfde bar als toen. Ik trof er nog altijd barvrouw T. Zonder blauw oog nu. Ze wist niet meer wie ik was. Of deed alsof. De takkenvrouw was dood (dus nu mag ik haar wel bij naam noemen: Assuntina heette dat heerlijke mens. Ze heeft nooit in een auto willen zitten), het postkantoor (waar ik de elektriciteitsrekening betaalde en mijn telegrammen uit Nederland ophaalde) was al jaren gesloten en T. werd oma. Haar dikke dochter wist zich nog wel veel van mij herinneren. Hoe ons paard er uitzag bijvoorbeeld. Ze zat bij mijn toenmalige stiefzoon in de klas. Terwijl ik toen zelf nog een kind was. Maar daarover later wellicht meer. Of niet. Anders wordt alles ingewikkeld.
Ik tuurde over het balkon van de bar en zag in de verte een berg. Die ik jaren achtereen had gezien. Toen ik hier woonde. Toen Frans werd geboren. En hier, vanaf deze bar, de verloskundige werd gebeld. Die niet kwam. Zodat ik alleen beviel. Met hem er bij. En mijn moeder. En een meisje uit Poeldijk. "Wat is dat eigenlijk voor berg", mijmerde ik, terwijl ik die hectische jaren herkauwde. "De monte Amiata", zei de zwangere dochter. Die toen acht was.
Nou ja zeg, dat had ik dus nooit geweten, dat die berg, waarachter de zon zich elk avond verstopte, de famosa Amiata was! Waar ik, na een tweede kopje koffie, naar terugkeerde, naar een veilige tent, op een camping achter die berg. Via de klok van Arcidosso. Die nooit stilstaat. Waar lekkere wijn is, waar mooie kastelen zijn. Ook luchtkastelen.
Ongelukken, daar doe ik niet meer aan. Ook de rest van mijn leven is inmiddels in een wat rustiger vaarwater. Al denken sommigen daar anders over. Alles is relatief. Wat hierboven staat is waar. Maar het meeste is gelukkig lang geleden. En ver weg. Zodat ik er nu over kan schrijven. En de lezer hopelijk een niet al te ongemakkelijk gevoel geef.
Zal ik maar even luchtig afsluiten als ik begon?
Met die besjes op mijn auto?
Dat was op een gewone maandagmorgen, op weg naar mijn werk.
Het is nu vrijdag, de week is voorbij.
Morgen ga ik met de kinderen naar het strand.
Hier komen de besjes (tromgeroffel). Ze zijn met z'n tienen, negenen....o nee... toch niet.
Ik zal niet meer filmen in de auto. Straks eindig ik zelf als besje.
Maar, laten we wel wezen, rijdend bellen is verboden, filmen toch niet?
O, gaat het om veiligheid? Nou, ik kan zelfs breien achter het stuur, hoor! (kan alleen niet breien). Heb al 23 jaar mijn rijbewijs en nog nooit een auto in de prak gereden. Of het moet die keer zijn geweest dat ik met mijn viesgele Fiat 128 een broodje porchetta stond te kopen te Marsciano. En niet zag -want met mijn rug naar de weg-, dat mijn gele bolide er uit zichzelf vandoor ging. "Signora, signora!", probeerde de verkoper me te waarschuwen. Maar het was te laat. Mijn auto stond tegen de achterbumper van de auto vóór me. Bleek die van een veehandelaar te zijn. Met wie ik mot had gehad. 200.000 lire kostte die klotebumper. Nee, hij was niet van plan coulant te zijn. Maar ik zat toen dus niet ìn de auto, dus dat telt niet. Was ik de handrem vergeten? Vast. Kan gebeuren. Het broodje varken met venkel was trouwens heerlijk.

Of die keer in Montalcino. Zelfde land, twintig jaar later. Ik ging met vier kindjes op stap. Het was snikheet. Er was veel toerisme en weinig parkeerplek. Ik liet (en laat) me er op voorstaan goed te kunnen inparkeren. Kindjes stapten uit en seinden me vanaf de stoep hoeveel millimeter ik nog had tot aan de bumper van voor- en achterbuur. Na tien keer zwetend heen en weer steken stond ik keurig in het gelid. Dacht ik. Maar dit deukje had ik dus niet gezien (daar waar het stof is weggeveegd, zie je?). Het was zo'n dikke Duitse SUV ('Suf', noem ik ze).Nadat we het kasteel hadden verkend, waar peperdure wijn klaarstond om naar de VS te worden verscheept, de kinderen de roddeltantes in het park hadden natgespetterd met de fontein en we hadden geprobeerd om tijdens siësta wat eten te bemachtigen (alles potdicht), vond ik een Duits briefje onder mijn ruitenwisser. Of ik naar het nabijgelen Buoncovento wilde komen.
Nee, dat wilde ik dus eigenlijk helemaal níet.
Ik wilde in een riviertje poedelen en dammen bouwen en iets te eten.
Maar, dacht ik, ze hadden mijn kenteken, dus ik had geen keus. Anders wachtte me vast allemaal juridisch gedoe.
Om kort te gaan. Ik reed naar de Duitse Suf, aanschouwde het deukje, we vulden de schadepapieren in en nu moet ik drie jaar schadevrij rijden om mijn no-claim niet kwijt te raken.
Het ongeplande uitstapje naar Buonconvento leverde wel mooie plaatjes op (die wereldberoemde wijn wordt zeker van zonnebloemen gemaakt). Toscane, Umbrië, het groene hart van Italië. Waar ik ooit ook eens, toegegeven, een ongelukje met mijn Renaultviertje had. Maar ook tóen zat ik niet in de auto. Althans niet méér. En ik reed ook niet. De ruzie die ik met mijn vriend had liep toen zo hoog op, dat ik uit de auto sprong en ook de bestuurder (vriend) stapte uit. Niet echt handig, maar ja. Ik vreesde erger letsel als ik met hem mee zou rijden naar huis. De weg was niet al te steil. Het Renaultje sukkelde ever door en kwam tegen een paaltje tot stilstand. Klein deukje. Ik was er zelf erger aan toe. Barvrouw T. (ook al met blauw oog), haar man N., de takkenvrouw en alle andere gekken van het dorp dromden samen om te zien of er wat sensationeels te zien viel. Ze zagen alleen mijn bloedneus. Pech voor hen. Toen ik weer instapte (niet bepaald uit vrije wil), belden ze de carabinieri. En die kwam bij mij thuis kijken. Ze keken omhoog, naar mij, die vrolijk lachend uit het raam leunde. Met mijn vriendje achter me, die ook al zo blij en relaxed oogde. Maar in zijn lieftallige hand, die zorgzaam op mijn rug leunde, en vanaf buiten niet te zien, omklemde hij een keukenmes. Lugubere versie van de balkonscène. Ik moest (alwéér?) van de dienders naar beneden komen (Au!, soepel traplopen was geen feest) en me, voor hun neus, om mijn as draaien. Die agenten zagen dat vast niet dagelijks, zo'n jong blondje dat ze mochten inspecteren. Hadden zij ook een verzetje. Het leek op een koeienkeuring. En ik oefende in de schone schijn. "Ja hoor", zegde ik hen toe, "als er iets is, zal ik u bellen" (Ja hóe dan?, er wàs daar toch helegaar geen telefoon! Die was in het café van T. en N., twee kilometer terugrijden). Aan mijn vriend maakte ik even later mijn excuses voor mijn roekeloze sprong uit de auto.Oja, dáár had ik het over, over áuto's en veilig rijden. Niet over veilige vriendjes.
Aldus. Dat blauwe Renaultje plantte ik in de winter van 1990 alsnog tegen een boom. Op slechts honderd meter van het eerdere drama. Vast een onheilsplek. Ik was inmiddels met mijn hond, geit, kippen en konijnen naar Fanciulata, bij Deruta verkast. En zwanger. Ik reed naar Orvieto, waar de vader woonde. Hij zou forellen maken (Ok, hij had losse handjes maar leerde me de taal perfect spreken en hij kon lekker koken. Was wel een beetje harde leerschool. Gordon Ramsay's Hell's kitchen is vleierij vergeleken bij de kritiek die ik kreeg als mijn pasta naar zijn smaak te gaar/te rauw/te plakkerig/te nat/te droog was.) "Maar", had hij gezegd, "Neem niet de superstrada, die is te gevaarlijk." Had hij geen ongelijk in. De enige zoon van de timmerman uit Collelungo had zich er enkele jaren eerder doodgereden. "Neem de weg over de bergen, dat is veiliger", voegde hij er aan toe. Had hij verstand van. Van veiligheid.
Ik reed die avond van Deruta naar Orvieto, over Prodo en Marsciano, over de berg met de antenne, (knap hè, bezwangerd worden met een berg er tussen). Het was glad. Het kan zó koud zijn in Italië (de pis bevroor in de pot onder mijn bed). In een bocht tikte ik, heel even maar, de rem aan. De auto ging dwars op de weg staan, reed tergend traag naar de afgrond. Uitstappen ging niet, het portier kon alleen van buiten open. Een seconde later stond mijn auto verticaal tegen een boom. Een kersenboom. De takkenvrouw zei me dat ik er jaarlijks een kruiwagen mest heen moest brengen. Zo ver kwam het niet. De boom ging dood. Maar ik leefde nog. En het prille leven dat in mij groeide gelukkig ook. Ik schoof voorzichtig het raampje open, deed het portier open en klom naar buiten. Toen ik het nabijgelegen café van T. en N. binnenstapte zei T: "Is er iets, Lehti, je ziet zo bleek?"
Uren later dan gepland aten we die nacht met vijftien man forel in Orvieto.
Een tractor trok mijn auto de volgende dag uit de afgrond. Helaas waren er toen nog geen digitale foto's. Maar ìk was er al wel. Dus maakte ik foto's. Ook waren er nog geen mobieltjes. Bellen deed ik in de kroeg (had ik tenminste een excuus om de deur uit te mogen).
Het R4tje heeft later nog dienst gedaan als konijnenhok (wielen waren er af, het ding stond op blokken, maar de radio deed het nog járen) en als tomatenkas. Maar helaas, toen hij in zijn vrij naar lager gelegen stallen werd 'gereden', werd dat even vergeten en zo lagen er honderden tomatenstekjes door de auto gestrooid. Typisch geval van jammer.
Vorig jaar, na het kasteel-suf-botsauto-zonnebloem-uitstapje, maakte ik een tochtje naar mijn vorige leven en dronk een kopje koffie bij dezelfde bar als toen. Ik trof er nog altijd barvrouw T. Zonder blauw oog nu. Ze wist niet meer wie ik was. Of deed alsof. De takkenvrouw was dood (dus nu mag ik haar wel bij naam noemen: Assuntina heette dat heerlijke mens. Ze heeft nooit in een auto willen zitten), het postkantoor (waar ik de elektriciteitsrekening betaalde en mijn telegrammen uit Nederland ophaalde) was al jaren gesloten en T. werd oma. Haar dikke dochter wist zich nog wel veel van mij herinneren. Hoe ons paard er uitzag bijvoorbeeld. Ze zat bij mijn toenmalige stiefzoon in de klas. Terwijl ik toen zelf nog een kind was. Maar daarover later wellicht meer. Of niet. Anders wordt alles ingewikkeld.
Ik tuurde over het balkon van de bar en zag in de verte een berg. Die ik jaren achtereen had gezien. Toen ik hier woonde. Toen Frans werd geboren. En hier, vanaf deze bar, de verloskundige werd gebeld. Die niet kwam. Zodat ik alleen beviel. Met hem er bij. En mijn moeder. En een meisje uit Poeldijk. "Wat is dat eigenlijk voor berg", mijmerde ik, terwijl ik die hectische jaren herkauwde. "De monte Amiata", zei de zwangere dochter. Die toen acht was.
Nou ja zeg, dat had ik dus nooit geweten, dat die berg, waarachter de zon zich elk avond verstopte, de famosa Amiata was! Waar ik, na een tweede kopje koffie, naar terugkeerde, naar een veilige tent, op een camping achter die berg. Via de klok van Arcidosso. Die nooit stilstaat. Waar lekkere wijn is, waar mooie kastelen zijn. Ook luchtkastelen.
Ongelukken, daar doe ik niet meer aan. Ook de rest van mijn leven is inmiddels in een wat rustiger vaarwater. Al denken sommigen daar anders over. Alles is relatief. Wat hierboven staat is waar. Maar het meeste is gelukkig lang geleden. En ver weg. Zodat ik er nu over kan schrijven. En de lezer hopelijk een niet al te ongemakkelijk gevoel geef.
Zal ik maar even luchtig afsluiten als ik begon?
Met die besjes op mijn auto?
Dat was op een gewone maandagmorgen, op weg naar mijn werk.
Het is nu vrijdag, de week is voorbij.
Morgen ga ik met de kinderen naar het strand.
Hier komen de besjes (tromgeroffel). Ze zijn met z'n tienen, negenen....o nee... toch niet.
Ik zal niet meer filmen in de auto. Straks eindig ik zelf als besje.
zondag 25 september 2011
Slofje
Dat lag daar maar. Zomaar. Dat slofje.En het lag ook zo heel erg slofje te zijn.
Tussen de populierenbladeren.
Op dat vaalrode fietspad.
Mensen keken om.
Een man met rastahaar op een scooter, kortgebroekte mooiweerfietsers.
Ze keken om en zagen daar dat slofje.
Net als ik.
En misschien dàchten ze ook wel hetzelfde als ik. Zo van:
Vast verloren
Oprapen? (vaart minderen)
Nee, doe ik toch maar niet, want... (vul maar in)
In de binnenstad hingen eens, vlakbij een brug, in de winter, toen er sneeuw lag, een heel raam vol met (kinder-) handschoentjes. Aan zo'n Spaans gietijzeren geval. Wellicht is een brug wel een uitgelezen plek om die dingen te verliezen. En te vinden.
Je wacht bij een zebrapad of op je fiets, kindje gaat wat klooien, je grabbelt in je tas naar een agenda of telefoon en dan moet je opeens weer opstappen of doorlopen. En dan valt er wat. En je hebt het niet door. Zoiets.
Misschien woonde daar een handschoenenverzamelaar of een kunstenaar of misschien viel het gewoon op, omdat ze hingen, en niet op straat lagen, zoals je zo vaak ziet. En gingen andere handschoenvinders ze daar speciaal heen brengen. Vind je ze echt nóóit meer terug natuurlijk.
Maar nu was er geen sneeuw. Het was mooi weer en er lag dit slofje. Wat veel minder slofje geweest zou zijn als het in een huis lag. En vast ook minder vindbaar. Zoals vanmiddag het geval was met de fietssleutel van Kees. Op de bekende plekken en ook in geen enkele jas of broekzak was ie te vinden. En tussen de zooi op de foto was er geen zoeken aan. Mokkend ging Keesje op de rand van zijn bed zitten. Hij wilde niet meer mee met papa. Die alleen wegging met broer Leo.Ik belde zijn grote vriend, die hier gister logeerde. Of híj misschien wist waar Kees' zijn sleutel lag. Nee, wist ie niet, maar hij was in de buurt, met zijn vader, en druk bezig met het zoeken van schroefjes. Tien minuten later stond hij voor de deur. Of hij even kon plassen. Dat mocht.
Hij kreeg een glas ranja en een mandarijn en Kees ging met zijn vriend mee schroefjes zoeken. Ze zochten overal. Onder auto's, bij een bouwkeet, in aanhangers. En ze vonden een hele hoop schroefjes. En bouten en kapotte riempjes en stokken en een mooie knoop. Maar geen fietssleutel. En ook geen dooie rat of goudklompje, zoals Pippi deed. En ook geen slofje. Want dat was weg.
vrijdag 23 september 2011
Ancora Sicilia...en een beetje Fries
Van dat weekje Sicilië.
Maar welke foto's te selecteren voor hier?
Moeilijk.....moeilijk.
Weet je wat, ik doe een close-up en een vergezicht.
Van hetzelfde.
Of bijna.
En die zet ik dan naast elkaar.
Dan zijn het er nog veel te veel.
Maar een mens moet zich proberen te focussen niet waar?
Jammer dat er van dat 'naast elkaar' weinig terecht is gekomen.
Dan maar onder elkaar.
Net als de tekst.
En nu denk aan een Friese tegeltjeswijsheid:
As it net kin sa't moat, dan moat it mar sa't it kin!
Ecco Sicilia!
Selinunte
Trapanibij Marsala
Erice

donderdag 22 september 2011
Een witte jurk met tanden
Een tijdje geleden trachtte ik manmoedig een aantal gegevens digitaal door te geven aan de belastingdienst. Toen dit niet lukte en de desbetreffende dienst mij ook telefonisch niet van dienst kon zijn. (waarom heet het eigenlijk dienst?), fietste ik erheen. En wat bleek. Het lag niet aan mijn onervarenheid met computers. Het was gewoon stom toeval. Iets met cijfertjes en kansen en zo. Het gevraagde nummer dat de site niet wilde accepteren bleek bij hoge, hoge uitzondering overeen te komen met het sofi-nummer, of burgerservicenummer (ook zoiets: service..... ván of vóór of áán wie eigenlijk?) van een ander persoon. Nu ben ik niet zo'n ster in cijfertjes, maar als mijn pincode in combinatie met mijn rekening uniek is, dan zal de kans dat tien willekeurige cijfers (sofi) dat ook zijn, toch vrij groot zijn. Maar hier was iets dus niet uniek. En daar houden computers niet van.
Ik fietste onder de ringweg door, kronkelde door het Sterrenbos en achter de van Mesdagkliniek langs. Daar wist niemand mij de weg te wijzen. Dat was geen wonder, want het was op de Kempensberg toen één grote bouwput. Een ieder die ik de weg vroeg, tuurde weifelend in de rondte: 'Het moet hier wel ergens in de buurt zijn hoor.'
Vlak voor vijven kwam ik waar ik zijn moest. In een verder leeg kantoor werd ik geholpen door een vriendelijke, ietwat wereldvreemde man. Alles werd helder en ter plekke geregeld.


Het is nu ruim een half jaar later. De belastingdienst heeft een nieuw jasje gekregen. Zeg maar gerust 'jas'. Of, nog beter, ze hebben een soort jurk gebouwd. Een enorme witte jurk met rondingen. Wie tegenwoordig uit Oostelijke richting Groningen binnenrijdt, ziet niet meer als eerste de Martinitoren. Het zijn de belastingdienst en de Abel Tasmantoren die de skyline bepalen. De één hoekig, de ander vol glooiingen.

Dat ronde valt des te meer op omdat er van die blokkentorens naast staan. Maar die worden langzaam onttakeld. Het is een indrukwekkend gezicht. Soms lijkt het net alsof de jurk de blokkentoren wil opeten. Met een rij verticale witte tanden. Ze hadden het gebouw ook goud kunnen schilderen en bloemetjes op de hoeken kunnen maken.
Hiernaast zie je het schaalmodel. Als aansteker.
Ik fietste onder de ringweg door, kronkelde door het Sterrenbos en achter de van Mesdagkliniek langs. Daar wist niemand mij de weg te wijzen. Dat was geen wonder, want het was op de Kempensberg toen één grote bouwput. Een ieder die ik de weg vroeg, tuurde weifelend in de rondte: 'Het moet hier wel ergens in de buurt zijn hoor.'
Vlak voor vijven kwam ik waar ik zijn moest. In een verder leeg kantoor werd ik geholpen door een vriendelijke, ietwat wereldvreemde man. Alles werd helder en ter plekke geregeld.
Het is nu ruim een half jaar later. De belastingdienst heeft een nieuw jasje gekregen. Zeg maar gerust 'jas'. Of, nog beter, ze hebben een soort jurk gebouwd. Een enorme witte jurk met rondingen. Wie tegenwoordig uit Oostelijke richting Groningen binnenrijdt, ziet niet meer als eerste de Martinitoren. Het zijn de belastingdienst en de Abel Tasmantoren die de skyline bepalen. De één hoekig, de ander vol glooiingen.
Dat ronde valt des te meer op omdat er van die blokkentorens naast staan. Maar die worden langzaam onttakeld. Het is een indrukwekkend gezicht. Soms lijkt het net alsof de jurk de blokkentoren wil opeten. Met een rij verticale witte tanden. Ze hadden het gebouw ook goud kunnen schilderen en bloemetjes op de hoeken kunnen maken.
Abonneren op:
Posts (Atom)
