Posts tonen met het label verhuizen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label verhuizen. Alle posts tonen

woensdag 5 december 2018

Feestjes die niet doorgaan

Altijd jammer als een feest niet doorgaat, zeker op een dag als deze. En dat is al de tweede afgelasting deze maand. Terwijl de maand nog geen week oud is!

Eén december zouden we de voetjes van de vloer gooien. Dansen is de sport die ik het liefst beoefen. En naast mijn werk gelijk ook de enige vorm van lichaamsbeweging. Maar ik was moe en het regende.  
"Hoe laat ben je bij ons" appte ze.
"Zeg jij het maar. Heb je al kaartjes? Het is pokkeweer. Ik kom denk ik met de bus"
"Wat mij betreft gaan we er even na elven heen. Kaartjes kopen we wel aan de kassa. Ze voorspellen vanaf nu geen regen meer"
"Dan spring ik toch op de fiets. Ben ik 23 u. daar, ok? Ik laat mijn foon thuis, is toch leeg"
Het is mij een raadsel welke buienradar zij raadpleegde, want een half uur later stond ik als een verzopen kat in de stad. Ze gaf haar man de schuld (waar samenzijn al niet goed voor is). 

Als twee stuiterende pubers begaven we ons richting vismarkt, waar we samen met een tiental anderen een dichte deur bij Huize Maas aantroffen. Wegens tegenvallende kaartverkoop ging het feest niet door. Toegegeven, de grote zaal in Huize Maas is met dertig man nog zieliger dan een half uur door de regen naar de stad fietsen, maar betrouwbare websites zijn soms ook best prettig. Gelukkig telt Groningen kroegen genoeg waar gedanst kan worden. 

Om drie uur 's nachts was het weer droog en fietste ik moegedanst naar huis, maar ik kon de slaap niet vatten. Vanwege een ander feestje. Een groter, ingrijpender en spannender feestje. Niks geen 'Huize Maas' maar een 'Huize Mijn'. Althans, dat was de bedoeling. 

Ik wandelde er vrijdag naar toe, en zondag na te zijn bijgekomen van het dansen opnieuw. Ook daar was een dichte deur, maar het tuinhek bleek wel open. Ik maakte foto's en kletste met een buurjongen die zijn het wiel van zijn geplakte band niet alleen terug op zijn fiets kreeg. Een Turkse man zei dat het er rustig wonen was, een Antiliaan die een hond uitliet zei dat er allemaal mensen woonden die 'iets met natuur' hadden. Ja, daar wilde ik bij horen! 

Maandagmiddag was er open huis in 'Huize Mijn'. Mijn kinderen waren niet onverdeeld enthousiast: "Wat een deurenfestijn" en "De halve school fietst hier elk ochtend langs". Omdat Kees niet was toegekomen aan zijn dutje stortte hij ter plekke in op het enige meubelstuk dat het uitgewoonde huis rijk was, de tuinbank. Nog voordat ik het huis tot het mijne had gemaakt, was mijn jongste telg er al gaan slapen! Meer symboliek kan een mens niet wensen. 

Vandaag werd ik teruggebeld. Het wordt geen 'Huize Mijn' maar 'Huize Zijn'. "Die man wilde het persé hebben", zei de makelaar. "Hij deed een hoger bod"

Mijn feestje gaat niet door. 
Maar december is nog jong.
We maken er een feest van.

zondag 3 januari 2016

Vieze potjes en loze praatjes

Het restje oliebollenbeslag krult als een sliert droge witte snotjes over de rand van de glazen kom. Ook de smurrie aan de mixer is hard geworden. Zelfs de frituurpan (zo'n heule gevaarlijke zwarte uit het jaar nul) staat al twee dagen onaangeroerd op het fornuis. Zo vervult niet alleen de aanblik van het aanrecht, maar ook de lucht die in mijn woonst hangt, mij met schaamte.

Ter compensatie, ook voor dit rare, kinderloze begin van 2016, gaat het huis overhoop. Niet dat ik het beslag ga afbikken. Nee, de afwas blijft onaangeroerd. Maar ik ga eindelijk regelen dat de jongens een eigen kamer krijgen. Daarmee mijzelf verbannend naar de woonkamer.

Er gaat een heus meubelcaroussel van start. Boeken, -van Maya Angelou tot Simone van der Vlugt- gaan tijdelijk in een bananendoos, andere dozen met aantekeningen van colleges over de Middeleeuwen, komen onder mijn bed vandaan. Koffers met onduidelijke inhoud gaan even in de broodkast. Fotolijstjes van mij, stralend naast mijn laatste lief, worden in de gang geparkeerd. Planken gaan van de muur. Massa's krantenknipsels, oude lampen, broeken die op reparatie wachten, terwijl de kinderen er al jaren zijn uitgegroeid, bonnen, haarklipjes, stukken surprises, lege jampotten......
Villa Kakelbont is er niks bij.

Als de bedden weer in elkaar zijn geschroefd, boeken weer in de kast staan en ook de restjes oliebol uit zicht zijn, is het tijd voor een logje. Een bóós logje dit keer. Niet op mezelf hoor. Ik heb me allang verzoend met mijn bewaarziekte. Waar ik nu wederom pijnlijk mee wordt geconfronteerd. Hoewel het iets anders is dan Claudia de Breij in 'de Teerling' zei: "Talloze afgewassen margarinekuipjes om schroefjes in te bewaren". Let wel, ze heeft het hier over grootouders die maar niet kunnen wennen aan de consumptiemaatschappij, en prijst daarentegen haar (en mijn) generatie omdat wij de economie draaiende houden.

Maar, lieve Claudia, van mij moet die economie het dus niet hebben. Want mijn matras is ouder dan ik zelf, de gordijnen zijn van mijn in 2001overleden tante Annie en al mijn schroefjes zitten niet in margarinekuipjes -ik eet boter-, maar zijn keurig verdeeld over bakjes van de wortels, Griekse yoghurt en appelstroopblikjes. Niks om echt boos van te worden (tenzij je aan mijn zijde zou leven). Nee, mijn woede richt zich op de schurken van de postcodeloterij.
Maar dat komt morgen wel.

zaterdag 31 oktober 2015

De narcissen op zijn graf kwamen van mij

Na drie rondjes om de flats heen te hebben gefietst, sta ik voor haar deur. Althans, dat denk ik, want ze heeft nog geen naambordje. Ook geen bel trouwens. Maar als ik haar huisnummer intyp, zwaait dan toch de deur naar de hal open.

Binnenin het gebouw, waar ik dagelijks langsloop, is een mooie, lichte patio. Ze leidt me rond in haar nieuwe appartement. Met deuren die twee keer haar lengte zijn. Ook de huur is hoger dan die ze eerder had. Maar ze wil voor geen goud meer terug. Ik wel. Ik wil haar graag weer terug. Als buurvrouw. Want een groot gezin met een voorliefde voor Hazes of een tachtigjarige die af en toe op het balkon de krant leest, scheelt qua geluidsniveau behoorlijk.

Terwijl zij thee zet, bekijk ik de foto's aan de muur en op het dressoir. Met gekleurde mensen er op, een vrouwenpaar, haar moeder in een zwarte trouwjurk. Vanachter mijn chocoladepunt luister ik naar de verhalen achter de gezichten.

Ze kon zelf op school goed meekomen, maar had er geen plezier in. Bij het uitbreken van de oorlog was ze elf jaar. Haar school werd gevorderd door de Duitsers. Na de oorlog ging ze werken. Toen ze trouwde, trok het jonge stel in bij haar ouders. Zij zorgde daar ook voor twee tantezeggers: een peuter en een baby van vijf maanden.

Nadat ze op zichzelf waren gaan wonen, legde ze geld opzij om de steeds groter wordende woning te kunnen stofferen en inrichten. Toen de buren in het gegoede Helpman meenden dat haar zestienjarige zwangere dochter beter naar een huis voor ongehuwde moeders kon, liep zij even later als trotse oma achter de kinderwagen. "Is het geen schatje? We zijn allemaal zo wijs met haar!"

En er is meer reden waardoor deze vrouw een pluim verdient. Toen ze rondliep met het idee dat haar andere dochter wellicht op vrouwen viel, heeft ze dit op zekere dag gewoon gevraagd. Er volgden tranen en "Nu moet ik zeker het huis uit?" Niets was minder waar. Let wel, we hebben het hier over de jaren zestig. Ook nu deinst ze er niet voor terug om mensen die snel oordelen van repliek te dienen. Als vriendinnen beweren dat homo's worden gekweekt door "moeders die hun zonen laten zorgen", is ze stellig: "Dat kán helemaal niet, dat is aangeboren!"

Toen ze op yoga ging had haar man gevraagd: "Maar wat moet ík dan?". Maar yoga bleek toch niks voor haar. "Dan hoor je die Oosterse muziek, iedereen slaapt en zelf denk je alleen aan wat nog moet". Ze verloor haar hart aan het dansen. Volksdansen. En hiermee herinnert niet alleen haar stem me aan mijn eigen oma. Wel spijtig dat míjn oma niet net zo veel begrip voor haar eigen lesbische dochter -mijn tante- kon opbrengen als zij.

Mijn vroegere buurvrouw kan ook goed alleen zijn. Of reizen. Vier keer zocht ze haar familie in Amerika op. Ze staat niet vroeg op. "Waarom zou ik?". Op tafel ligt een dikke pil van Stieg Larson. Soms leest ze door tot in de kleine uurtjes. Met computerspelletjes is net zo vaardig als met haar rollator. Maar op internet het adres van die ene Canadees achterhalen, is voor haar te moeilijk. Ze had wel al een brief geschreven.

In mei van dit jaar had ze in de krant gezien dat er een Canadees in Groningen was geweest. In het bevrijdingsbos. Dezelfde man die haar precies zeventig jaar eerder had gevraagd of hij wat van haar bloemen mocht. Voor op het graf van zijn broer. Die als eerste was gesneuveld tijdens de bevrijding en begraven aan de Paterswoldseweg. Ze had als zestienjarig meisje grote bossen narcissen geplukt in het Stadspark. Nu wist ze dat hij nog leefde. Ze had hem graag gesproken. Om hem te kunnen zeggen: "De narcissen op zijn graf, die kwamen van mij."

Mijn thee en de taart zijn op.

"Kom je gauw weer?", zegt ze.
"Dat doe ik. Zoek jij de brief?", vraag ik. (ze wil niet dat ik haar met u aanspreek)

Ik zoen haar gedag.
Ze zwaait me uit.

donderdag 11 december 2014

Dwaalspoor van bezit naar herinnering (deel 2)

Eenmaal boven bij de notaris moeten we toch nog wachten. De dames drinken thee, de heren allen koffie. Er is eindelijk even tijd om een paar woorden met de kopers te wisselen. Zij geeft Griekse les, mijn ex spreekt daar de nieuwe variant van. Hij is archeoloog. Romeinse richting. Beide spreken ze Italiaans, mijn tweede taal. Dan schuift er een derde heer in pak aan. Aan de ronde tafel leest hij een belangrijk en ingewikkeld verhaal voor. Waarna alle aanwezigen zonder pak er hun handtekening onder zetten. Het zoontje van de kopers bladert in het paspoort van zijn vader.

In de lift terug naar beneden kijk ik met afgewende blik uit over nat en schitterend Groningen. De hemel is al uitgehuild. Meneer de makelaar haalt twee kadoverpakkingen uit zijn leasebak. Ik drink geen wijn. Maar dat weet hij natuurlijk niet. Hij feliciteert ons: "Jullie hebben meer gekregen dan ik had gedacht". ("Jij anders ook", denk ik stiekem). Als hij me even omhelst, komt er wat snot op zijn mooie jasje. Na het handen schudden rijdt hij naar het volgende tranendal.

Daar staan we dan.
Onder een strakblauwe hemel.
'Waar gaan we nu heen?'

Eenmaal terug in de straat voor de aller- allerlaatste zooi, moet ik plassen. We hebben alleen nog een sleutel van de buurvrouw. Kan ik zomaar ongevraagd van haar toilet gebruikmaken? Zonder dat ik de kat hoef te voeren? Gisteravond hielp ze nog met het inladen van mijn zaagtafel, die nog net tussen de box en bureaustoel in mijn auto paste. Ja ja, al die spullen kwamen nog tevoorschijn uit de catacomben van het kasteel waarvan ik maandag toch echt meende dat het leeg was.

In mijn nieuwe huis heb ik een nieuwe buurvrouw. Aan wie ik de box doorsluisde. Ze is net opnieuw (oppas-) oma geworden. Tot voor kort laadde ik andere bruikbare spullen vaak over in de auto van mijn laatste vriend, met wie ik, om het nog ingewikkelder te maken -een notaris is er niks bij- ook bijna buren ben. Waarna hij het weer versleepte naar zijn tweedehandswinkel. Maandag vroeg ik het hem weer, schoorvoetend, of hij wat mee wilde nemen. Het was goed, schreef hij. Toen we elkaar zagen, na een maand, was de woede, die via de mail soms zo welig tiert, gelukkig even weg. Een woordeloze omhelzing brengt soms rust.

Ik sta nu weer de dralen op de stoep van het huis dat het mijne niet meer is: 'Ik voel me net een kat van wie de kleintjes zijn verplaatst'. De makelaar appt me de meterstanden door. Zes. Ik ben zelf de tel kwijt.

De beschimmelde skeelers die ik naast de gasmeters vond, moffel ik tussen de fietswrakken in de klusbus. Ook de douchebak, destijds aangeschaft voor het bouwen van een nieuwe badkamer, die er nooit kwam, past er nog in. Gister vroeg ik grote zoon Frans wat ie met de tweepersoons lattenbodem wilde. Nu sta ik het bed met mijn ex vast te sjorren op het imperiaal.

'Wil je die mop nog?' vraagt hij, 'anders wil ik 'm wel.' 'Nee', zeg ik, en trek het ding waar ik net nog een laatste keer de door hem gelegde houten vloer mee dweilde, weer uit de achterbak.

'Wat een puinhoop', zeg ik.
Hij beaamt het.
Een omhelzing.
Dat was het dan. 

Als ik de straat uitrij, zie ik hem in de achteruitkijkspiegel de andere kant op fietsen. Hij houdt de bezem en mop in zijn hand.
Op de radio klinkt: What's the use to cry?

woensdag 10 december 2014

Dwaalspoor van bezit naar herinnering (deel 1)


"Willen jullie de keukenboiler nog? En de gordijnen? Lampen, rails, planken, kookplaat? En kijk dit hekje stond nog in de schuur. Het past precies daar, op de overloop. En zie je die blauwe spijlen? Die hebben daar gezeten, naast de trap naar de tweede, voordat we het huis hebben gescheiden."

In de tuinkamer hangen nog gordijnen die ik op maat liet maken toen iedereen van kamer wisselde in het spookhuis. Samen met de nieuwe bewoonster, eveneens moeder van drie kinderen, halen we beiden een helft van de roede. De makelaar staat intussen ongeduldig beneden.
'Of willen jullie ze nog gebruiken?'
'Ja, laat ze maar hangen.' 
Ik hang mijn helft weer netjes op.
Haar kant legt ze gevouwen op het plankje dat ooit als nachtkastje fungeerde.

Op de slaapkamer van Kees, waar eerder zijn oudere broers sliepen, zijn de zilveren wanden voor een deel al wit gesausd. Het schoolbord, door hemzelf met een vriendje geschilderd, zal ook gauw sneuvelen. Hij zelf gelukkig niet. Even schoot dat door mijn hoofd, toen ik gisteravond tussen de ene rit en de andere, in paniek door mijn ex werd gebeld: "Kees is kwijt! Hij ging vooruit maar hij is niet thuis! Misschien is hij naar het oude huis gefietst." Als eerste wilde ik weten hoe wakker Kees was. Vervolgens reed ik, doodop van werk, verhuizen en slaaptekort, turend in het donker door het autovrije park.
Kees was gelukkig gauw weer boven water. Hij was even verkeerd gefietst.

Via de keuken, meterkast en slaapkamers belanden we in de schuur.
'O, vinden jullie dat kinderbakfietsje leuk?'
'Ja, ik zag 'm bij de bezichtiging al'.
'Misschien willen jullie ook het antieke trapautootje wel hebben. Dan laad ik 'm weer uit.' 

Precies boven de plek waar het rode autootje opnieuw voor de kachel staat, hangt de tafellamp. De tafel verhuisde echter zo vaak van plek, dat de lamp voor het gemak aan een stangetje zit dat als een passer over het plafond kan draaien. Het stangetje komt van de wieg waar naast mijn jongens ook ikzelf en mijn oudere zus als baby in sliepen.

Nadat ik de verdwaalde voetballen ('Die groeien hier in de tuin') door de gang de voordeur heb uitgeschopt, draai ik de deur in het slot. Voor het laatst. De makelaar keert zijn auto, de kopers zijn de straat al uit. Ik wacht nog even op mijn ex die naar het hek van de brandgang rent om te checken of we straks bij de notaris wel de juiste sleutel in de Griekse-yoghurt-emmer doen.

Het is grijs en het regent. Ik kan de strepen op de weg maar moeilijk zien. Hoewel dat ook een andere oorzaak kan hebben. Gelukkig valt met de ruitenwissers op de snelste stand mijn eigen geveeg minder op. Ik hou een onnozele verhandeling over de ritstechnieken op snelwegen en voeg me intussen brutaal in de file achter de leasebak van de makelaar. Bij het remmen knalt de doos kerstballen tegen mijn rugleuning. Niet de gehele inhoud van de auto zal deze rit doorstaan.

(vervolg)