donderdag 20 september 2018

Een vergeten dichter, de dochter van Lope de Vega

Van een vrouw die vanaf haar zestiende in een klooster woont heb ik niet meteen een hoge pet op. Maar Sor Marcela de san Félix was een begaafde dame. Ze heeft tientallen beroemde werken geschreven. Waaronder gedichten, romans, theaterstukken. En ze werd ouder dan tachtig jaar, hetgeen in de zeventiende eeuw best oud te noemen is. 

Ze was een bastaard. Dochter van de beroemde Lope de Vega en zijn minnares Micaela de Lujãn, een actrice die in de kunsten ook niet onverdienstelijk was. Zij schreef op haar beurt stukken onder de naam Camila Lucinda, anagram van haar naam. Ook in de Spaanse gouden eeuw schreef men kennelijk al onder pseudoniem.

In de wijk waar de non-dichter Marcela, actrice-schrijfster Micaela en Lope de Vega rond 1600 woonden is veel verloren gegaan. Kleine huizen waar de Madrileense kunstscene zich verzamelde om te debatteren over de nieuwste werken moesten wijken voor huizen met meer grandeur. Zo ging in 1920 ook het huis van Cervantes (van Don Quoyote) tegen de vlakte. Een enthousiaste voorbijganger wist ons te vertellen dat de gemeente het pand dat er nu staat graag zou aankopen, maar de eigenaar wil het niet verkopen.

Uitzondering op de sloop- en bouwdrift van begin vorige eeuw is het huis van Lope de Vega zelf. De kamers zijn opnieuw ingericht dankzij zijn gedetaillerde beschrijvingen. Het bekende museo de Prado heeft er minder bekende kunst voor uitgeleend en er hangen drie antieke spiegels aan de wand. Die indertijd een luxe waren want vervaardigd met zilver. Ook prijkt er een portret van Sor Marcela aan de wand. Compleet met vrome hoofdbedekking

Toen we er gister werden rondgeleid bleek de Engels sprekende gids ziek. Ene Christina nam de honneurs waar. Haar hakkelige Engels was prachtig. Zo wees ze naar de oorknopjes van de Mexicaanse toeriste om te verduidelijken dat Marcela's broer was gesneuveld in Venuezuela op jacht naar parels.

In de tuin waren een laurier, een vijg, een sinaasappel- en granaatappelboom geplant. Naar een gedicht van Lope de Vega. Of zou dit van Marcela zijn?

De voorbijganger vertelde dat ook de dochter van Cervantes in hetzelfde blotevoetenklooster als Marcela had gewoond. Er zou weinig van Sor Marcela bewaard zijn gebleven. Of het kan niet met zekerheid aan haar worden toegeschreven. Ook in de vele boekhandels rond de barrío literarios en op internet kon ik niets van haar vinden. Zo ging dat met vrouwen in die tijd.

Maar het feit dat het portret van een buitenechtelijk kind dat officieel te boek stond als vaderloos, toch aan de wand van de werkkamer van Lope de Vega prijk, lijkt me een mooi eerherstel.


https://www.mujeresenlahistoria.com/?m=1

donderdag 6 september 2018

Ziet armoe er zo uit?

Na het werk heb ik wel een visje verdiend. Maar bij een winkelcentrum waar ik vroeger wekelijks kwam, hangt rond de tijdloze blauwe kar geen viswalm en de luiken zijn dicht. Hoewel de haring in gedachten al bijna in mijn keel glijdt, moet ik op zoek naar iets anders. Loempia is bij lekkere trek ook niet verkeerd. En kost de helft. 

Vlak naast me staat een auto geparkeerd met een slapende bestuurder. Met misplaatste trots meen ik hier een man te spotten die, net als mijn zoon, narcolepsie heeft. Iemand die noodgedwongen even een dutje doet. Maar het kan net zo goed een vader zijn die op zijn papadag te moe of te stoned is om te kunnen rijden. Naast hem zit een meisje, op de achterbank een jongetje. Ze zitten zwijgend in de auto, het raam staat op een kier.

Bij de loempiakar staan twee dames te kletsen. Een dikke en een dunne. Beiden richten af en toe het woord tot een mollige kleuter. Gezien de omvang van het kind, meen ik dat de dikke haar moeder moet zijn, maar de dunne slaat een bitsere toon naar het kind aan. En je afreageren op kinderen is nu eenmaal voorbehouden aan ouders. In afwachting van hun bestelling dribbelt het kind twee meter bij de kar vandaan. Achter een duif aan. 'Een beetje beweging is goed voor d'r', zegt mams. Maar twee tellen later beveelt ze het kind te gaan zitten want mama moet roken. Ze trekt zich terug achter het glazen windscherm. Het meisje wil weer achter de duif aan maar er wordt gedreigd dat ze dan geen lekkers krijgt: 'Zitten blijven, zei ik je!'. Het kind zwijgt. Ik doe een rode klodder uit een fles waar 'hot' op staat op mijn loempia.

De textielreus is vervangen door een 'Internationaal supermarkt'. Ai, waarom laten mensen hun teksten niet even checken voordat ze die, in koeienletters, op hun winkelpui plakken? Misschien kent de 'internationaal' eigenaar geen Nederlandssprekenden?

Waar eens een drogist zat, is nu een Albert Heijn gevestigd. Ik besluit mijn OV-kaart op te laden. De paal staat op een bizar onhandige plek tegenover de servicebalie. Alwaar een sjofel ogend stel probeert twaalf flessen drank te retourneren. De medewerker bezweert hen dat ze toch echt de bon nodig heeft. Anders klopt 'het systeem' niet. 'Die is weg' zegt de man droog, maar ze blijven stoïcijns staan. Mijn systeem klopt ook niet, de OV-kaart is verlopen. 

De Primera, zo'n winkel waarvan je nooit echt snapt wat ze verkopen, is er nog wel.  Ooit liet ik hier mijn foto's afdrukken, kocht er postzegels en de papieren krant. Zaken uit een voorbije eeuw. Buiten zitten twee mannen op een bankje. 'Hangen', past misschien beter bij hun manier van zijn.  'Wordt ze nu haar huis uitgezet?'  vraagt man 1. Man 2 weet zeker van niet, want : 'Dan word je toch zeker eerst gewaarschuwd?' Ik krijg een beeld van lades met uitpuilende post. Met aanmaningen, dwangbevelen en aangekondigde executieverkopen.

Als ik terugkom op de parkeerplaats is de auto met de slapende man met de kinderen verdwenen. Hopelijk hebben ze een leuke papadag.

maandag 20 augustus 2018

Vers Italie by tar and cement

'Verderop staan een paar skaters te liften', zegt Leo, als ik terugkom van een plaspauze bij Aix-en-Provence, 'Zullen we ze meenemen?' Na onderling beraad besluiten we dat als we wat bagage van achterbank naar laadruimte verplaatsen, ze er prima bij passen. Het lijkt me ook wel handig, een beetje aanspraak. We hebben er weliswaar driehonderd kilometer op zitten, maar nog zo'n negenhonderd te gaan.
 
'Vers Italie' staat op hun bordje. Dat komt goed uit, daar gaat onze reis ook heen. Hun longboards belanden naast de fietsen en de tent, de proviand wordt herschikt en de uren die volgen hoor ik flarden van gesprekken in het Frans en Engels. Dit is nog eens jarig zijn: onderweg, achter het stuur, twee zoons die kletsen met wildvreemden over reizen en rappers. Tot onze hilariteit wordt dit door de meereizende Normandiërs uitgesproken als 'rapers'. Als één van hen de favoriete 'raper' van Kees niet kent, stel ik hem voor het te zingen. Met een grote glimlach luister ik naar de prachtige basstem van mijn jongste telg. Als we Genua naderen loopt het tegen twaalven en zet iedereen nog één keer 'Happy birthday' voor me in.

Eerder op de dag werd ik al toegezongen door Italianen, Duitsers en een Amerikaan. Mijn zus zorgde voor twee Franse taarten, de restjes nam ik in de koelbox mee naar de volgende stop. Alwaar mijn vrienden uit Guadeloupe, Algerije en Versailles, waar ik eerder 'Bella Ciao' mee had gezongen, helaas al waren vertrokken. Maar het maakt niet uit. Onderweg zijn, verhalen horen en vertellen, samen zingen en dansen, genieten van het leven met mensen vanuit de hele wereld. Die in de bouw, aan het spoor of bij een bierbrouwerij werken. Die arts, autohandelaar of onderzoeker zijn. Dit is vakantie.

Behendig laveer ik over de te krappe bochten van de A7. Het verkeer wordt over spaghettislierten van asfalt en beton hoog boven de stad geleid. 'Jij vindt dit net karten, hè mam'. 'Ja lief, zolang ik niet de diepte in kijk, vind ik dit heerlijk. Ik leerde in Italië autorijden en het kan me niet bochtig genoeg zijn.'  Meestal komen we uit het Noorden via de Brenner of Gothard Italië binnen. De prachtige kust van Ligurië ligt voor doorgaand verkeer uit Frankrijk onhandig tegen de bergen aangedrukt. 'Kijk, jongens, hoe mooi, onder ons ligt Genua en daar in de verte zie je de zee. Kijk ook maar voor mij, ik moet hier even opletten. Het is hier 'anstrengend' rijden.'  Links er rechts van mij rijden andere vierwielers met onbekende inzittenden door de nacht. Anonieme reizigers waar ik de namen niet van ken.

Drie dagen later zal over deze brug eenzelfde vakantiegezin rijden. Waar ik de namen wel van ken. Ze wilden inschepen naar Sardinië. De weggebruikers links en rechts van hen zijn ook niet meer anoniem, hoewel ik nooit met ze zal kunnen zingen. Ze hebben gezichten en namen gekregen: Giovanni, Matteo, Francesco. Elisa, Stella, Marta. Carlos, William, Axele. De laatste was een Franse vakantieganger, die, net als onze lifters, de auto verkoos boven het vliegtuig. Er was een jong stel, zij kwam uit Arezzo, hij was geboren in de Cariben. Er reden mensen van of naar hun werk: een groentehandelaar, een kok, een anesthesist en een verhuizer. Er was een vrouw die sinds kort gescheiden was en die onlangs beiden ouders was verloren. Ze keerde huiswaarts na een vakantie in een kuuroord. Er waren twee Albanezen, drie Chilenen en een man uit Colombia die al jaren fervent fan was van Inter. Kinderen van negen, twaalf en veertien jaar oud. Een man die een gevierd motorcoureur was, een vrouw die Manuela heette en een carrière als mountainbiker tegemoet ging.

'Was'....
'ging'.....

Want al die levens stopten op veertien augustus boven Genua.
Ze werden bedolven onder enorme brokstukken van teer en cement.
----------------------

Zestig procent van de duizenden bruggen in Italië zou risicovol zijn. Een paar zijn er gesloten, andere stortten al eerder in. Ook bruggen die jonger zijn dan de Morandibrug bij Genua. Zo begaf de brug Palermo-Agrigento het in 2014 een week nadat ze in gebruik was genomen. Gister werd op Rai Uno beweert dat het weghalen van de restanten van de meer dan een kilometer lange brug bij Genua een te kostbare operatie zou zijn.

Toen de brug in 1966 werd gebouwd, schreef Paolo Conte 'il Ragazzo della via Gluck'. Een lied dat vraagtekens zet bij de zin van al dat cement, ten koste van het groen. Het vertelt over een jongen die goed geld verdient in de stad maar bij terugkomst het huis uit zijn jeugd toch niet kan kopen omdat het niet meer bestaat. De versie van Adriano Celentano wordt na meer dan een halve eeuw nog altijd gezongen. Buiten Italië zong Françoise Hardy het als 'La maison ou j'ai grandi', de Zweedse versie is van Anna-Lena Löfgren, de Noorse van Margrethe Toresen. In het Tjechisch heet het Závidím, in het Duits Die junge aus der Via Gluck. In Argentinië werd 'La casa Donde Yo Creci' uitgebracht en de Engelse versie van Verdelle Smith stond eind jaren zestig van VS tot Australië in de hitlijsten: 'Tar and cement'

Samen spelen en muziek maken lijkt me duurzamer dan het blijven bouwen van bruggen van cement.

zondag 15 juli 2018

Karretjes en doosjes bouillonblokjes

De intercom zoemt onafgebroken maar de man roept naar het roostertje dat het niet lukt. Hij probeert een steekkar met een stapel plastic stoelen door de flatdeur te krijgen, de strak afgestelde dranger belet hem de doorgang. Als ik naar boven kijk lees ik op een laken dat over het balkon hangt: 'Hoera, opa wordt 65!. Zou opa zijn eigen verjaardagsstoelen van de buren zijn gaan lenen?

In het lommerrijke Molukkenplantsoen heeft een andere karrenman het makkelijker. Op zijn kar staat iets dat het midden houdt tussen een zonnepaneel en een halve tafeltennistafel. Bijna huppelend duwt hij het ding voort. Ik word ingehaald door andere karretjes. Elektrische exemplaren. Niet het soort dat ik net bij de kartbaan achter de zwarte muur hoorde scheuren. Maar dat waren dan ook 'karts' en geen 'karren'. Toch wel een verschilletje, zo kon ik onlangs zelf ervaren. Na acht rondes waarin ik braaf voor elke bocht remde en instuurde, werd ik door mijn snellere zoons ingehaald. Uit de bocht vliegen doe je niet met zo'n ding.

Er heerst een drukte van belang bij de Beren, het prachtige nieuwbouwproject op het Cibogaterrein. Tussen het winkelend publiek loopt een vrouw in een lange grijze jurk en dito haren. De grijs van het haar en wellicht het haar zelf ook, is nep. 'Dat hebben ze tegenwoordig zo', zou mijn oma, zelf gezegend met lang grijs haar, daarover hebben gezegd. De grijze jongedame duwt een kar voort van het soort dat je normaliter aantreft bij een bouwmarkt of Ikea. Misschien gaat ze er mee verhuizen. Met een studentenkamer van zes vierkante meter, zou haar inboedel er best op passen.  

In het Noorderplantsoen wisselen kinder- en invalidenkarretjes elkaar af. De meeste kinderexemplaren zijn leeg. Twee invalidenkarren bij de vijver ook. Ze lijken er lukraak neergezet. Net als de exemplaren die mijn portiek opleuken en waar ik langs moet laveren als de bovenburen weer eens immobiel bezoek hebben. De meeste karren houden niet van traplopen. Hoewel ik in Venetië steekkarren zag met aan beide zijden drie wielen. Die namen met gemak de getrapte bruggen.

Sommige karren worden voortgeduwd door het kind waar het voor dient. Dat kijkt dan naar de grond of tegen de rugleuning van de buggy. Een vader grijpt nog net op tijd zo'n ongeleid projectiel vast dat de drukke tweewielerbaan door het park wil oversteken. Ooit liep ik hier zelf met zo'n kar, en een aanhangplank op wielen.  

Bij de China Expres staat een onverwoestbare stalen steekkar met dikke zwarte banden. Voor zakken rijst of kratten tomaten. De kar wordt geflankeerd door twee witte leeuwen. Chinezen hebben iets met leeuwen. Dezelfde beesten zie ik verderop bij het tuinpad van een burgerlijk voortuintje. In plaats van een steekkar staat er een idyllische molen naast. Zulke accessoires geven toch sfeer.

Bij het tuincentrum aan de andere kant van de stad, ga ik even zitten. Een ratelend ritme van karretjes vol groen vult de parkeerplaats. Wat een prachtige uitvinding is dat toch: karren om feeststoelen, bejaarden, baby's, rijst, je huisraad en zelfs bomen mee te vervoeren. Toch lijkt deze vondst te worden overtroffen door een andere uitvinding. Een ding zonder wielen ter grootte van een doosje bouillonblokjes. Je kunt er stoelen mee kopen, ze laten bezorgen, een oppas zoeken, of de liefde, of ruzie. Je kunt er mee schaken, je examenuitslag mee checken of je aandelenkoers. Je kunt er je kind mee traceren, een pizza bestellen of het recept daarvoor opzoeken. Het wijst je de weg naar het tuincentrum of naar Rome. Je kunt er zelfs verhaaltjes mee typen. Geen wonder dat ik naast al die karren een veelvoud van die doosjes zag. Met gebogen arm hield men de doosjes voor de ogen. Er werd over gewreven, tegen gepraat of gelachen.  

Maar één ding kan het doosje niet.
Zien wat ik vanmiddag zag. 

zondag 27 mei 2018

Domme mensen rollen

Op de radio laat een expert in geldzaken zijn licht schijnen op een voorstel om het aangaan van schulden aan banden te leggen. 'Dat is niet meer van deze tijd', zegt hij. Hij is juist blij dat er leningen bestaan. Want door geld te lenen kun je investeren, iets dat elke ondernemer doet. Zijn tegenspreker pleit juist voor een verbod. De mannen praten flink langs elkaar heen. De gespreksleider legt uit dat het voorstel consumptieve leningen betreft. Hij haalt er ter verduidelijking een voorbeeld bij uit de documentaire 'Schuldig'. Daar werden twee kinderbedjes gekocht voor twaalfhonderd euro. Door de kosten die er door achterstallige betalingen overheen kwamen is dat bedrag opgelopen tot zevenduizend euro.

Sarah, één van de makers van 'Schuldig', zegt dat de discussie die er over schulden wordt gevoerd grofweg uit twee kampen bestaat. Het wordt ofwel als gedragsprobleem gezien, of als een gebrek aan geld. Zij zelf meent dat het vaak een combinatie van die twee is.

Terug naar het radio-interview, dat kort na het verschijnen van 'Schuldig' verscheen. De expert zegt dat er in zijn vriendenkring louter mensen zijn die van geld nog meer geld maken. Over mensen die schulden maken zonder dat dit wordt geïnvesteerd zegt hij: 'Dat zijn gewoon niet zulke intelligente mensen'. Hem is dan al verteld dat er in Nederland 2,5 miljoen huishoudens zijn die niet genoeg buffer hebben om bijvoorbeeld hun wasmachine te vervangen.

Laten we de prijs van een nieuwe wasmachine erbij pakken, zeg zo'n vierhonderd euro. Dat is vast niet de duurste dus die zal hooguit tien jaar meegaan. Elk jaar komen dus tweehonderdvijftigduizend van die bufferloze -domme- mensen vierhonderd euro tekort voor de aanschaf van een wasmachine. Dat wordt dus lenen, of op afbetaling kopen. Wat op hetzelfde neerkomt. Maar als je geen veertig euro per jaar opzij legt voor het geval je wasmachine het begeeft, kun je vast ook niet aan de aflossing ervan voldoen aan om het even welke geldschieter dan ook.  Die geldschieter (of wasmachinezaak) loopt dus risico, want hij weet niet of de schuld wel wordt betaald. Daarom vraagt de uitlener van het geld geen één of twee procent rente, maar tien tot twaalf procent. En als betalingen achterblijven (zoals bij de bedjes) gaat die prijs soms tot vijf keer over de kop. Een incassobureau moet per slot ook ergens van bestaan.

Sarah zegt dat veel schulden inderdaad vaak maar voor twintig procent uit de initiële aanschafwaarde bestaan. Toch blijven - domme- mensen wasmachines van tweeduizend euro kopen. Of telefoons, die inmiddels nog onmisbaarder zijn dan die wasmachine, duurder en ook minder lang meegaan. (De begrippen 'Levensonderhoud' of  'bestaansminimum' zijn vast ook niet meer van deze tijd)

Als nitwit in de economie vraag ik me af wie al dat geld dan uitleent? Waar dat vandaan komt? Wie er brood ziet in het afsluiten van langdurende abonnementen dat ondanks dat risico kennelijk toch een lucratieve business is. Oh wacht, ik weet het al, dat zijn natuurlijk de intelligente vrienden van die expert! Die tevens zegt: 'Leningen zijn goed voor de economie, omdat geld nu eenmaal moet rollen.' 

Aan het eind van het gesprek lijken de twee sprekers het toch nog eens te worden. Ze zien er beiden heil in om kinderen al jong met geld vertrouwd te maken. Hoewel de expert hiermee bedoelt dat je hen moet leren hoe van tien euro, veertien euro te maken en de ander het er op houdt dat je ze moet leren sparen voordat je iets koopt.

Na de documentaire, de radiodiscussie en het leeghalen van mijn brievenbus vol kredietreclame word ik 's avonds gefêteerd op een sterspotje van een bedrijf dat zich 'Dynamiet' noemt. Dat beweert gespecialiseerd te zijn 'in het verwijderen van je BKR registratie'. Pardon? dus als je eindelijk een bescherming hebt ingebouwd waardoor je geen -domme- impulsaankopen meer kunt doen, kun je dat bedrijf vragen die bescherming weer op te heffen? Een gepaste slogan zou zijn : 'Dynamiet, uw bom in huis'

Sparen lijkt mij toch slimmer. Maar lenen is vast beter voor de economie. Al heb ik die zelf nog nooit ontmoet. Of, zoals zij het zegt: (bij 1.20): 'Het idiote is dat iedereen aan mij verdient nu, IEDEREEN!'

De expert kan tevreden zijn.

maandag 21 mei 2018

Over slakken, parkeren en de pinksterbedoeling

Bij generatiegenoten zal op een mooie Pinksterdag als deze ongewild het gelijknamige liedje van Annie M.G. Schmidt omhoog ploppen. Het plukken van madeliefjes en het voeren van eendjes spreekt nu eenmaal meer tot de verbeelding dan 'Het uitstorten van de Heilige Geest'. Misschien moet ik mijn gelovige zoon toch eens vragen wat daar precies mee wordt bedoeld. Hoewel hij gister na zijn gebruikelijke kerkuitje minder vrolijk terugkwam dan gewoonlijk. Hij zei meer met God dan met Jezus te hebben en plofte neer op mijn troon in de tuin.

Mij verging het vanmorgen vroeg, na een rondgang door de tuin, net zo. Ik trof er sporen aan van voorbijtrekkende wezens, die zelf in geen velden of wegen te bekennen waren. Dat kon ik De Heilige Geest vast niet aanrekenen. Maar er moest toch iets zijn.

Wat daar verder ook van zij, het is een vrije dag. Eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat ik me daar met Hemelvaart weinig van aantrok. Voordeel van vrije dagen is dat je dan ook vrij kunt parkeren.

Het toeval wil dat ik de laatste weken in de straat klus waar ik zelf twaalf jaar woonde. Die vertrouwdheid maakte dat ik me niet afvroeg waarom er opeens zo veel ruimte was om mijn klusbus te stallen, en het er nu eens niet volstond met vehikels van forenzen die er 's morgens hun vouwfietsje uit de achterbak halen om vanaf daar hun weg te vervolgen naar Rug of Umcg. Ik verbaasde me wel  over zaken die gelijk waren bleven.

De hoeveelheid studentenfietsen bijvoorbeeld, een afgetrapte buitenspiegel en natuurlijk 'Mevrouw Helderder'. Een bijnaam ontleend aan 'Pluk van de Petteflet'. Zoals M.G. Schmidt's personage altijd een spuitbus bij zich had, zo was mijn voormalige buurvrouw vergroeid met haar bezem. Elke dag, ook met Kerst, Hemelvaart en Pinksteren stond ze haar stoepje te vegen. Hopend op een postbode of buur om een praatje mee te maken. Ook nu zag ik hoe ze de man staande hield die ons huis had gekocht. Zij leunde al babbelend op haar bezem, en hield in beide handen een volle vuilniszak. De dag na Hemelvaart was zijn vrouw de klos. Die had een jengelend kind dat aan haar arm trok. Maar, net als toen ik in het huis woonde waar het kind heen wilde, was het nu nog steeds onmogelijk om je los te rukken van Mevrouw Helderder. Mijn vrolijkheid over de verlossing van deze buurvrouw was van korte duur want toen ik de straat uitreed ontwaarde ik een  papiertje op mijn voorruit. Veegvrouwtjes veranderen niet, gemeentelijke parkeerverordeningen wel. 


In mijn huidige tuin maken tegels steeds meer plaats voor groen. Of eigenlijk meer 'groente' dan 'groen'. Het is altijd weer een verrassing of dat lukt. Vorig jaar was ik dolblij dat de boontjes ondanks de slakkenplaag anderhalve meter hoog waren geklommen. Maar ze stonden te dicht bij de heg en daar, in heggen, schijnen mussen graag te vertoeven. Die zijn ook dol op bonen. Op het eten van slakken heb ik helaas nog geen vogel betrapt. Het zou me een hoop werk schelen.


Dit jaar plantte ik de bonenstekjes dus ver weg van de heg en schattige mussen. Maar anderhalve meter gaan ze nu niet halen want in mei vieren slakken feest. Met heerlijke verse radijsjes die net boven de grond uitsteken, malse courgettebladeren en net ontkiemde wortelzaadjes. En, zoals dat gaat op feestjes, het meest gewild is natuurlijk dat wat het verst is, in dit geval de top uit de plant. Verder groeien is dan lastig.

Bij sommige planten groeien er na zo'n onthoofding vrolijk nieuwe scheuten naar alle kanten. Zo geeft basilicum veel meer opbrengst als je het stelselmatig topt. Maar dan moet het plantje wel eerst tot wasdom kunnen komen. Naast bonen en basilicum werd ook de zelf opgekweekte courgette met de grond gelijk gemaakt. Letterlijk. Waarop ik, in een halsstarrige poging de strijd met de slak te winnen, de bodem uit een emmer sneed, deze om een nieuwe courgette heenzette en er zout omheen strooide. Wie weet werkt het.

Tijdens het schrijven van dit logje belde mijn huidige buurvrouw. Met een van pijn vertrokken gezicht gaf ze me haar huissleutel. Of ik haar hondje even wilde uitlaten. Misschien is Pinksteren daar wel voor bedoeld. Met een hond uit wandelen gaan. Samen met mijn zeventienjarige zoon. Die dan madeliefjes plukt en ze vervolgens uitstrooit over de aarde.

donderdag 26 april 2018

Diepe vloeistof en gesnurk

De man in de coupé naast me was omringd door drie meisjes, of meiden, of jonge vrouwen. Waarom bestaat er in het Nederlands toch geen equivalent voor het prachtige Italiaanse 'ragazza'? , als men een vrouwspersoon tussen de twaalf en dertig bedoelt (ragazzo als het een kerel, vent, gozer, jongeman betreft). Laat ik ze 'dames' noemen, daar kun je alle kanten mee op. Hoewel, u zult bij die term wellicht niet meteen een tattoo onder een netpanty voor ogen hebben. Of aan geblondeerd haar, een neuspiercing, een groene trui en roze Dokter Martins denken.

De dames waren jong en ze wilden wat. Toen ze hun mond opendeden kon men horen dat ze uit betere kringen kwamen. Toen ze uitstapten maande de blonde de anderen zelfs aan om hun spullen te 'rassembleren'. Nou, dan weet je het wel.

De jongen van het stelletje achter me ging steeds luider te snurken. De ragazza die op zijn schouder rustte leek er geen last van te hebben.

Die van dat rassembleren was de meest aanwezige van het stel, de informele leider. Haar gevolg -anders kan ik haar vriendinnen niet noemen- wist te vertellen dat ene Jochem/ Niels/ Max haar leuk vond. Dat had hij gezegd. 'Nou', was het antwoord, 'daar had hij dan niks van laten blijken.'
'Maar hij vind je echt leuk hoor.'
'Dat vinden er wel meer', antwoordde de blonde en staarde emotieloos uit het raam.
Zoveel zelfvertrouwen was blijkbaar ook voor haar gevolg wat veel van het goede. Het bleef even stil. Op het gesnurk na.

Het onderwerp verplaatste zich naar exen. Hoe lang het nu al uit was met Max/ Jochem/ Niels. En met wie hij haar of zij hem dan had gecheat. Toen biechtte de stille dame met de Dokter Martins iets op over 'vroeger'. (een dergelijke uitspraak 'Toen ik nog jong was', had me in mijn begintijd in Italië daverend hoongelach opgeleverd. Ik was zestien. En not amused). Maar Dokter Martins vertelde dat ze escortdame had willen worden. Vroeger. Dat kon gezien haar leeftijd hooguit twee jaar terug zijn geweest. Of misschien had ze die droom al op haar twaalfde.

Ze kletsten over sugababes en vroegen of Niels/ Max/ Jochem nu vrienden 'met benefits' waren? Toen de gespreksstof opdroogde, werd de jongen die al die tijd met zijn koptelefoon op tussen hen in had gezeten opeens interessant. De dame met de tattoo mocht ook even luisteren. De jongen vertelde over 'Dance floor neuro', 'Crossover' en 'Deep liquid'. De koptelefoon ging gauw weer af. Ze vond het maar niks.

Gelukkig snurkte de man achter me niet zo hard als 'diepe vloeistof

zondag 15 april 2018

De koorknaap en de oude man

Er wordt vandaag voor het eerst met muzikanten gerepeteerd. Een vleugel, een trompet, doedelzak, cello... het is een bont geheel, net als het kleurrijke gezelschap dat ze bespeelt. Meer dan de zangers, die overwegend wit zijn.

Na het inzetten van het vierde lied zet het orgel te vroeg in, of moet de percussionist een extra riedel doen of was het dat de sopranen de alten -die volgens de dirigent altijd bescheiden zijn- toch beter kunnen versterken? Ondanks mijn voornemen me goed te concentreren, dwalen mijn gedachten af. Ik masseer mijn handen die na een week schilderen weer aardig gevoelloos zijn.

Net nu we voor het eerst op het podium oefenen, is de oude man die alle voorgaande repetities naast mij zat, achterin de kerk gaan zitten. Naar verluidt omdat hij het staan te vermoeiend vindt. 'Ik oefen wel thuis', had hij gezegd. Toch jammer, samen zingen voelt anders dan thuis achter de laptop.

Aan de andere kant van de kerk, voor ons op de eerste rij, zit een jongetje dat tachtig jaar jonger oogt dan de man die niet kan staan. Het jongetje verruilt zijn kleurboek voor een tablet. Ik probeer te bedenken van wie hij het kind zou kunnen zijn. De dirigente zegt dat we straks vooral gefocust moeten blijven op de muziek en niet 'nog even zwaaien naar ome Piet die ook is gekomen'. Haar humor doet de aandacht verslappen. 'Gaan we voor het zingen de kerk uit', grapt een blozende bas naast me. 

We zingen voor vrede. Althans zo heet deze mis die we over twee weken voor publiek ten gehore gaan brengen. Meer nog dan de woorden van het stuk en de beelden van de oorlogsgruwelen die over de hoofden van het koor, op de muur achter ons worden geprojecteerd, vormen de teruggetrokken oude koorgenoot samen met het jongetje een mooi schouwspel voor die vrede.

Geduldig herhaalt de dirigent dat gelijktijdig inademen, het 'recht op de noot zingen' en vooral, naar háár kijken- essentieel zijn om straks iets moois neer te zetten.

Na een uur lijkt ook de tablet niet meer de gewenste afleiding te geven en zoekt het kind ander vertier. Hij hangt onderuit, luistert nu aandachtig naar ons geploeter -"We seek Thy merci now!'- en steekt zijn beide handen in zijn zakken. Of eigenlijk meer in zijn broek. Maar hij heeft de leeftijd dat zulks nog niet aanstootgevend wordt gevonden. En zijn musicerende ouders zijn te geconcentreerd bezig om hem op deze onkuisheid te betrappen. Gelukkig maar. Want ik zal vast nooit meer een vredesmis in een kerk mogen voordragen aan een gehoor dat uit een oude man en een kleuter bestaat.

Vrediger wordt het niet.

maandag 9 april 2018

Papschachtel in de nacht.

Met al die zon van het afgelopen weekend zou je bijna vergeten dat het onlangs nog zo koud en nat was. Er leek geen eind aan te komen. Maar misschien kwam dat ook omdat ik toen tweehonderd kilometer door de regen reed. 's Nachts.

Rond Schiphol was er nog overal licht. Langs de snelweg, in de lucht en op alle hoogbouw rondom al dat oneindige randstedelijke verkeer. Maar na Lelystad werd de nacht steeds zwarter en nam ook het aantal tegenliggers gestaag af. Het schijnsel van mijn koplampen maakte van de regen strepen als bij een oude film, maar dan zonder gezwabber. Bij het inhalen van een paar eenzame vrachtrijders kwamen er watergolven over mijn bus en kon ik me goed voorstellen dat oudere mensen een hekel krijgen aan 's nachts rijden. Er bleken opvallend veel tankstations te zijn die vierentwintig uur per dag open zijn. Niet dat ik brandstof nodig had. Maar ik had zin in iets warms en moest plassen.

Wantrouwig keek ik naar de warmhoudplaten en nam er een bakje met twee lauwe kroketten uit. Sinds we thuis vegetarisch eten (iets met puberkinderen die hun plek op de wereld willen 'verdienen'), oefent de geur van warm vlees een vreemde aantrekkingskracht op me uit. Met mijn snack en flesje cassis slenterde ik langs de schappen. In ruil voor mijn plasje van vijftig cent kreeg ik een kortingsbon. Ik rekende af bij de man die achter glas zat dat nog dikker leek dan de douchewand die ik eerder op die dag plaatste.

Op het vette papieren bakje stond 23.30. Misschien was dat de tijd waarop de nachtwacht mijn kroketten uit de broedmachine moest halen om voedselvergiftiging te voorkomen. Maar met een dot mosterd en wat frisdrank kreeg ik het zompige eten wel weg. Prik leent zich goed voor nachtelijke autoritten. Net als 'Het oog'.

Toen de ruitenwissers opnieuw mijn kijk op de nacht verhelderden, luisterde ik op radio 1 naar 'Ein letztes glass im stehn', waarna één van die prettige stemmen van 'Met het oog op morgen' vertelde wat er die dag was gebeurd. Ik hoorde dat Winnie was overleden. Waarna de vraag rees of een staatsbegrafenis wel passend voor haar zou zijn. Als deskundige inzake de weduwe dan wel ex-vrouw van Nelson Mandela werd tot mijn verbazing Tom Lanoye geïnterviewd. Die schijnt een deel van het jaar in Kaapstad te wonen. Hij zei dat zowel op de verguizing van  Winnie als op de aan heiligverering grenzende bewondering van Nelson wel wat valt af te dingen. Die visie bevalt me wel. Maar misschien komt dat ook omdat ik Lanoye mooi vind schrijven.

Mijn zus woonde eens een lezing van hem bij in Berlijn over zijn boek 'Kartonnen dozen'. Die titel was correct vertaald als 'Papschachtel'. Maar toen Lanoye begon met praten, sprak hij het woord eerst meerdere keren vol verbazing uit.

'Papschachtel', dat klinkt een beetje naar oude kroketten van een tankstation bij Urk.

woensdag 21 maart 2018

Verstand van Sint Maarten

Veel mensen zullen bovenstaande associëren met elf november, lampionnen en snoep. Anderen denken misschien eerder aan de 'overzeese gebieden', wat ik wel mooi eufemistisch vind uitgedrukt. 'Gebied' klinkt net zo vaag als 'overzee', het kan van alles zijn. Maar het kan daar wel spoken. Over die zee. En dat deed het een half jaar geleden ook.

Ik was daar niet bij, want ik zat toen in een kerk. En bad samen met de andere aanwezigen voor degenen die wel op Sint Maarten waren toen orkaan Irma er op bezoek kwam. Niet omdat ik opeens 'in de Heer' was of vrienden of bekenden overzee heb die daar toen waren, maar om mijn zoon te vergezellen, die zich nogal thuis schijnt te voelen tussen de gelovigen. Tot mijn verbazing werd er ook gebeden voor mijn tandartsassistente. 

Vanmorgen vroeg ik haar naar haar ervaringen tijdens die beruchte Irma, haar familie en de politiek. Over dat laatste had de tandarts het ook al gehad. Met uitgedroogde lippen en een stofzuiger in mijn mond luisterde ik naar het gesprek over de verkiezingen. De assistentie vertelde lacherig dat ze geen idee had waarom ze een stempas ontving. Over het politieke gebeuren op Sint Maarten was ze beter geïnformeerd.

Ze vroeg me wanneer ik weer planten voor haar meenam. Ik fronste mijn wenkbrauwen maar al gauw viel het kwartje. Jaren geleden had ik ook aandachtig met open mond naar zo'n gesprek tussen twee werelden geluisterd. Niet over politiek maar over koken. De assistente gebruikte kruidenmixen en pakjes. De tandarts zwoer daarentegen bij  tijm en majoraan. De assistente wist niet wat dat allemaal was. En in een vlaag van bekeringsdrang had ik haar een dag later een bos kruiden uit mijn tuin gebracht.  

Na mijn aarzeling voegde ze er dit keer aan toe: 'Als het weer in bloei staat.' 
'In bloei', juist ja. Kruiden zijn smaakmakers in de vorm van blaadjes, mevrouw. Maar dat hield ik wijselijk voor me. Per slot had zij weer meer verstand van orkanen. 'Het is onbegrijpelijk dat men op Sint Maarten zo druk is met voorbereidingen voor carnaval, terwijl het orkaanseizoen voor de deur staat!', zei ze met overslaande stem.
Van carnaval heb ik al net zo weinig kaas gegeten als van orkanen. En om eerlijk te zijn kan ik niet alleen geen politicus uit overzeese gebieden noemen, maar ben ik ook nauwelijks op de hoogte van de stand van zaken hier ter stede. Ik wist zelfs niet waarom we hier in Groningen vandaag geen nieuwe gemeenteraad mogen kiezen. Maar ook dat verhelderde de tandarts tijdens het vullen van mijn kies: Wij mogen weer stemmen als Ten Boer en Haren bij Groningen worden gevoegd.
Zou Sint Maarten bij zo'n herindeling dan ook beschermheilige worden van die ingelijfde dorpen? Of trekken heiligen zich net zo weinig van politiek aan als orkanen en tijm?
God mag het weten.   

woensdag 7 maart 2018

Een verdwaalde loodgieter in hip Haarlem

Het is koud en het waait en ik loop door een straat waar geen auto's mogen komen. Winkelpuien met namen als 'Subliem', 'Polkadot' en 'Lots of Leuks' moeten de wandelaar verleiden. 'Bink' vind ik een rare naam voor een winkel waar ze fournituren verkopen. En 'Foof' past ook niet echt bij schoenen. Deze stad was meen ik eens 'de meest aantrekkelijke woonplek van Nederland'. Maar de mensen voor wie ik hier een badkamer aan het verbouwen ben, zeggen dat er naar Haarlem tegenwoordig vooral mensen komen die geen betaalbare woonruimte meer kunnen vinden in Amsterdam. Een gezette man trekt met gebogen rug kisten vol boeken terug zijn antiquiteitenwinkel in. Er bungelt een peukje uit zijn mond. Aan hem durf ik wel te vragen waar men een nicotinedealer kan vinden. Hij wijst me de weg naar een avondwinkel.

Het blijkt een felverlichte snackbar te zijn, waar zowel de koopwaar, de felle neonverlichting maar ook de allochtone uitbater een beetje uit de toon vallen in de verder überwitte Kleine Houtstaat. Vóór mij is een klant die geld wil wisselen. Al wapperend met een briefje van vijftig, dicteert hij de snackman in welke coupeures hij dat wil, tot op de euro nauwkeurig. (Misschien zocht hij sterkere genotmiddelen dan ik). Als hij de pijpenla is uitgebeend begint de snackman een praatje. Alsof hij de man die hem zojuist toeblafte wil wegpraten. Ik kan zijn verhaal over pinnen, contant geld en Londen maar moeilijk volgen en frons mijn wenkbrauwen als hij over 'Bos 300' begint. Hij herhaalt nog een paar keer 'bos, bos driehonderd'. Dan begrijp ik dat hij het niet over zijn Engelse werkgever heeft, maar over de betaalmogelijkheden in een Londense bus. Met contant geld. Of met de pin. Dat ben ik vergeten. Na mijn contactloze betaling vervolg ik mijn dwaaltocht.  

Hoewel de meeste kledingzaken al dicht zijn, brandt er bij 'Baby Plus' nog licht. Aan het gedempte geroezemoes maak ik op dat er mensen binnen zijn, maar ik kan ze niet zien door de beslagen ramen. Alsof men de klandizie ter plekke aan het verwekken is. Misschien noemen ze de baby dan wel 'Bink' of  'Foof'. 

Voor me doemt de enorme Sint Bavo kathedraal op. Ik had hem van een afstand al gezien, maar hij ging daarna weer schuil tussen de opeengepakte huizen waar het in de tijd van Frans Hals vast naar vis en paardenstront zal hebben geroken. Er is horeca genoeg hier, maar ik durf op dit uur niet zomaar een espresso te bestellen in een druk restaurant. Ze zien me al aankomen in mijn eentje. En dan ben ik ook nog van plan op het terras te gaan paffen. Voel ik me helemaal een eenzame junk. Of nee, dat is het niet, het zou vast klanten afstoten zo bij de ingang. En ik ben mede-ondernemers goed gezind. Ik wil gewoon even de benen strekken, iets dat na drie dagen op mijn knieën te hebben gewerkt, best een plausibel alibi is. 'Moed inlopen' is vast gezonder dan het indrinken ervan.

Net als het gevoel van eenzame zwerver me dreigt in te halen -eettenten zijn steeds dunner gezaaid, mezelf voorwenden dat ik koffie zoek, wordt al lastiger- zie ik, tegenover De Toneelschuur, een leeg café met de robuuste naam 'Bierlokaal de Uiver'. Er staan binnen geen stoelen en er zijn, op twee mensen na, die beiden aan één kant van de imposante toog staan, geen mensen. De bardame en klant kijken mijn kant uit. Nederig wijs ik naar de koffiemachine en merk iets op over dat die schoon is. 'O, die is alleen voor het personeel', zegt de barvrouw met een glimlach. Haarlemse humor. Toen ik vanmiddag bij de groothandel, te midden van vijf bouwvakkers, om hennep en kittersfit vroeg, voelde ik me zekerder dan nu. 'Je wil een kopje espresso?', vraagt ze dan, 'Ik kom het zo wel even buiten brengen en doe de terrasverwarming voor je aan.'  'Dat is niet nodig hoor', zeg ik. Door mijn bescheidenheid voel ik me als het meisje van zestien dat voor het eerst -alleen- gaat stappen. Maar of ik veel voldoening uit dat jong-voelen put, is nog de vraag. Dan nestel ik me buiten onder de broedlamp bij de Uiver met zicht op de theaterbezoekers achter het glas aan de overkant. We roeren synchroon in onze kopjes koffie. Ben ik toch niet alleen. 

Na de koffie laat ik binnen mijn blik langs tientallen koperen kranen met bieren met al even exotische namen als de winkels gaan en vraag of ze een blond biertje voor me heeft. 'Ik zoek wel wat lekkers voor je uit', zegt ze lachend. Even later zet ze een mooi schuimend glas gerstenat voor me neer: 'Het is gebrouwen in Utrecht en heet 'De gouden kraan'. Ik voel me op slag weer loodgieter en veeg het schuim met mijn mouw van mijn lippen.

maandag 29 januari 2018

Aarde uit Arras (2)

(hier wat er aan vooraf ging: deel 1)

Ook de nicht van de tarte-de-pomme, kwam wel eens langs met haar kinderen. Haar man was toen al met de Noorderzon vertrokken. Zij werd en bleef, net als mijn moeder, verliefd op mijn vader. En in beide gevallen was die liefde wederzijds. Ik was nog een kleuter en kreeg er toen weinig van mee. Strubbelingen of ruzies kan ik me niet herinneren. Al zullen die er vast zijn geweest. Wat ik nog wel weet is dat mijn zus en ik korte tijd later wel eens mee mochten naar Frankrijk. Dan speelden we verstoppertje met haar kinderen. Dat de vriendin van mijn vader tevens de nicht van mijn moeder was, besefte ik pas veel later. Via klasgenoten kwam ik er achter dat mijn gezinssituatie bijzonder was. Als ik zei dat ik naar 'de vriendin van mijn vader' ging, werd wel eens gevraagd: 'Zijn je ouders gescheiden?' De logica van die vraag ontging me en ik antwoordde dan ook verbaasd: 'Nee, hoezo?'  Soms nam ik een stuk brioche of tarte-de-pomme mee naar school die zij had gemaakt. Ik kon het nadeel er niet van inzien.

Vijftien januari overleed ze. Na een lang leven vol taal, muziek en tuinieren. Naast mijn vader gingen ook mijn zus en ik naar haar uitvaart. Mijn moeder had ook mee gewild, maar ze was helaas nog ziek. En zo reden we zondag met mijn vader van Amsterdam naar Arras de route die hij zelf honderden keren per trein aflegde. De sleutel van het huis waar hij opgeteld een maand per jaar, zo'n veertig jaar lang vertoefde, zat nog in zijn broekzak. Maar dit keer sliep hij in een hotel. Op de bedden links en rechts van hem sliepen mijn zus en ik. Met zijn ogen al dicht zei hij tegen niemand in het bijzonder: 'Ik kom hier van mijn leven niet weer.'

Na de crematie gingen we naar haar tuin. De hazelaars en kersenbomen uit de jeugd van mijn moeder zag ik niet. De esdoorn die mijn vader er veertig jaar eerder had geplant was overwoekerd met klimop. Eens friszure appels lagen als een rottend bruin tapijt op het gras, ze waren het afgelopen jaar niet geoogst. Er werd gesproken, gezongen en op wangen gezoend. Gelukkig had mijn vader de dag ervoor de stamboom uitgetekend, zodat ik de namen iets beter kon plaatsen. Toch bleef het een vreemde gewaarwording om bij het handje schudden vaak de Friese achternaam te horen die ik van mijn oma ken. Uitgesproken op zijn Frans. Er waren vrienden en nazaten met Franse, Friese, Joodse, Nederlandse en Afrikaanse voorouders.

Toen haar urn later werd bijgezet in het familiegraf, werd er een toespraak gehouden in het Esperanto. Maar daar waren wij niet meer bij. We reden toen alweer terug naar Amsterdam en werden ingehaald door de Thalys. Een dag later treinde ik verder Noordwaarts. In de richting van de plek waar mijn bevlogen oudoom negentig jaar geleden vertrok om zijn idealen te verkondigen. Van een voorgelezen gedicht van hem versta ik slechts enkele woorden: dolores, canti, lumon, matura, libero, terra. (pijn, zang, licht, rijp, vrij, aarde.)

Toen ik thuiskwam waren de restjes aarde uit Arras in het profiel van mijn zolen opgedroogd en verspreidde ik een spoor door huis. Ik veegde het op en gooide het in mijn tuin onder de appelboom, en bij de braamstruik van mijn oma. 

zondag 28 januari 2018

Aarde uit Arras (1)

Op mijn lichte laminaatvloer lagen restjes aarde. Afkomstig uit een tuin in Arras. Maandagmiddag liep ik daar rond tussen een kweeperenboom en een esdoorn. Op hun wortels stond, naast frisse sneeuwklokjes, een urn. Helaas kon de urn niet open, dus kwam het niet tot uitstrooien van haar as.

De tuin was eens eigendom van een gegoede Franse familie. Van wie de dochter in 1935 trouwde met een Friese boerenzoon. Maar voordat deze Fries daar terechtkwam, maakte hij vele omzwervingen. Hij trok onder meer met een handkar van Nederland naar Zuid-Frankrijk, ontmoette mensen van over de hele wereld met wie hij kon praten want hij sprak een wereldtaal, het Esperanto. De boerenzoon propageerde de taal, maakte er boekjes over. De Esperantovereniging in Noord-Frankrijk draagt tot op heden zijn naam. Hij en zijn Franse vrouw kregen vóór, tijdens en na de tweede wereldoorlog vijf kinderen. Esperanto werd hun moedertaal. De as in de urn is van één van de dochters.

De Friese boerenzoon was een knappe, innemende man. In zijn huis waren familie en vrienden van over de hele wereld altijd welkom, maar vaker nog nodigde hij zichzelf bij anderen uit. Hij had een jeugdvriend, een schoolgenoot van de ambachtsschool in Leeuwarden. Ook deze vriend was ver van zijn geboortegrond neergestreken. Hij was een wees uit Wenen die in de jaren twintig in Friesland belandde, daar inburgerde en trouwde met een boerendochter, de zus van zijn vriend. Deze zus en de Oostenrijker werden de ouders van mijn moeder. Mijn grootouders dus. Mijn oma overleed in 2009  op bijna honderdjarige leeftijd.

Beide jeugdvrienden beleefden in de oorlogsjaren angstige tijden, om uiteenlopende redenen. Ze schreven elkaar brieven maar groeiden later uit elkaar. Mijn opa, de Oostenrijker, was een doener, een selfmade-man, die zonder ouders hogerop wilde komen en ook kwam. Zijn zwager, de geboren Fries, was daarentegen altijd onrustig en vol wilde plannen. Zo vatte hij in 1967 het plan op om zijn geboortehuis in Leeuwarden steen voor steen af te breken en weer op te bouwen in Arras. De dichtbundel die hij in het Esperanto publiceerde heette: 'La tutan mondon volus mi trairi' (ik zou graag door de hele wereld willen gaan). Hij maakte in 1974 een eind aan zijn leven in het huis van deze tuin. Zijn dochter die maandag naast de sneeuwklokjes stond, was degene die hem toen vond.

Voordat kort daarop ook haar Franse moeder overleed, had die het familiebezit keurig verdeeld over haar vijf kinderen. Met die erfenis gingen ze verschillend om. De één verkocht het huis, waar een benzinestation voor in de plaats kwam, een ander sleet er zijn laatste jaren tussen de geiten en de vrouw van wie we nu afscheid nemen verbouwde er aardappels en verwerkte het vele fruit uit de boomgaard tot jam en tarte-de-pomme.

In de jaren vijftig kwamen op de toen nog ongedeelde tuin in Arras mijn moeder en tante als kind. Op bezoek bij hun Franse familie. Ze konden, dankzij Esperanto, met hun neefjes en nichtjes communiceren, want ook mijn grootouders leerden de kunsttaal aan hun twee dochters. Samen plukten ze kersen, appels en hazelnoten. De neven en nichten groeiden op, verhuisden, kregen kinderen, al dan niet met man, ze scheidden, hertrouwden of gingen dood. Mijn ouders trouwden jong, nog ver voordat ik werd geboren, en zijn nu, na vijfenvijftig jaar, nog steeds samen. Ook later, in mijn ouderlijk huis, kwam de Franse familie soms langswaaien.  Een vader met een kind, een verdwaalde achterneef. Ik kon ze nooit goed plaatsen en niet met ze praten. Want Esperanto sprak ik niet.

Vervolg, deel 2

zondag 14 januari 2018

Geen mosterd bij de maaltijd en ander leed

Een jongetje met blond piekhaar kijkt me met grote ogen aan. Het was natuurlijk niet de bedoeling dat ik zijn verschrikte: 'De karretjes zijn op!', beantwoordde met : 'Nou, dan neem ik wel een mandje.' Voor peuters is het vast bedreigend om te merken dat er nog meer mensen in een winkel zijn. Die dan ook nog horen wat hij alleen voor zijn vader had bedoeld (moeders sturen hun kroost er minder snel op uit om mandjes te halen). En zo'n medemens gaat tot overmaat van ramp ook nog antwoorden! Het jongetje blijft zwijgend staan en kijkt me na tot ik uit zicht ben.

Voor mij zijn medeboodschappers soms ook vreemd. Of eigenlijk meer hetgeen ze voortduwen of achter zich aan trekken. Is het u wel eens opgevallen dat winkelkarren doorzichtig zijn? Best vreemd. Tassen, auto's of fietstassen zijn nooit doorzichtig. Paraplu's vroeger soms wel. 

Een vrouw met een blik merkloze bruine bonen in haar kar, zet een pot goedkope mosterd na enig wikken en wegen toch weer terug in het schap. Die heeft het niet breed, denk ik, en tuur wat beschaamd op mijn lijstje. Beetje zinloos, want er staan slechts drie dingen op die ik zo ook wel weet. 

Bij de kassa probeert een andere peuter tevergeefs zijn vader over te halen bij de servicebalie af te rekenen. Beide trekken aan een mandje dat tussen hen in hangt. 'Je mag wel vóór hoor' zeg ik tegen de man. Hij denkt vast dat het mij om zijn krijsend kind te doen is en wimpelt mijn aanbod af. Als ik zeg dat ik toch nog komkommer wil halen, neemt hij het kind op de arm en neemt vóór mij plaats in de rij. (Ja, mensen, ik ben zo'n irritante dame die nog snel even iets moet hálen als ze al bij de kassa staat). Even later laden de vader en ik onze door elkaar gemikte boodschappen in. Ik grap dat zijn  kind wellicht sigaretten wilde, omdat hij persé naar de servicebalie wilde. 'Anders doet hij nooit zo', is zijn weerwoord. Mijn grap wordt niet begrepen. 

Onderweg naar huis, passeer ik een rollator. De mandjes die dáárop zitten zijn weliswaar blauw, maar toch ook doorzichtig. De vrouw lijkt haar rollator bijna niet bij te kunnen houden. Ze heeft zes flessen wijn in het mandje. Misschien heeft ze zojuist haar goede voornemen, om voortaan van de fles af te blijven, geschonden en wil ze de gemiste alcohol van de afgelopen twee weken nu gaan inhalen. Bij de plaatselijke pizzeria gaf men klanten die hun pizza zelf kwamen halen ooit een fles wijn kado. Op zekere dag kwam er een man binnen die de pizzabakkers smeekten om dat kadootje niet meer aan zijn moeder te geven. 

In mijn ooghoek zie ik opnieuw de man die ooit eens grappig naar mij wilde zijn. Door iets op te merken over 'een gleuf' toen mijn pinpas weigerde. Ik kom hem echt overal tegen. Zou hij in het winkelcentrum wonen? Om zo zijn huis, waar het gas wellicht is afgesloten te ontlopen en zich te warmen in de winkels? 

Morgen is het 'Blue monday'. De dag waarop men veel kans maakt om in een depressie te geraken. De tips die Het Parool biedt om die de baas te kunnen bieden mij, maar ook de passanten vast weinig soelaas. Een hond om uit te laten heb ik niet, de wekker aan diggelen slaan zou maken dat ik te laat op het werk kom en uit eten zit er financieel ook niet echt in.

Dan rest me slechts één ding. Op tijd naar bed gaan. Voor niets komt de zon op. 
Ook al zal zelfs die zich komende week onder de dekens verstoppen.    

zondag 7 januari 2018

Over ijs

Over ijs, over slootjes, over vaarten bij Giekerk schaatste mijn oma. Het was 1943, of misschien wel 1942 of 1944. Ik zal het mijn moeder eens vragen. Die er toen ook al was en, in tegenstelling tot haar moeder, mijn oma, nu nog steeds. Ze ligt weliswaar geveld door griep, gordelroos en ongelooflijke jeuk op de bank in Amsterdam. Maar ooit schaatste ook zij als kleuter door het Friese land. Bij Giekerk. Onder een andere naam. Omdat haar Oostenrijkse vader deserteerde uit het Duitse leger. Mijn oma, moeder en tante wisten niet waar hun man en vader was. Maar een enkele keer heeft oma hem ontmoet. Bij de grens bij Groesbeek. Waar ik vorig jaar met mijn vriend ongemerkt de grens over fietste.

Schaatsen maakt melancholisch. Zeker in verstild landschap. Dat landschap zat er dit weekend helaas niet in bij dat schaatsen. Niet bij Giekerk en ook niet in Groningen of Amsterdam. Maar daar, op de Jaap Edenbaan volgde mijn moeder wel schaatslessen. En in de weinige strenge winters van de jaren zeventig, tachtig en negentig reden we de Molentocht, schaatsten bij de Rijp en op de Vinkeveense plassen. 

Vrijdag wist ik twee van mijn drie zonen over te halen om ook even te komen krabbelen op het opgespoten plasje op de Grote Markt in Groningen. Frans (26) leerde Leo (16) hoe hij moest remmen. Kees (13) liet het schaatsen aan hem voorbij gaan, verkoos om op de tribune met zijn smartphone te spelen. De dag erna sleepte ik Leo opnieuw mee het ijs op, naar de kunstijsbaan in Kardinge. Alwaar kleuters met sleetjes, opa's, oma's, Fries sprekende gezinnetjes ('jou dat mar an heit, leave') en enkele nieuwkomers krabbelden, lachten en vielen. Helaas moest Leo zijn val bekopen met een pijnlijke pols. Waarna hij met een zakje ijs op een bankje zat en ging klokken hoe lang ik over één ronde op de vierhondermeter-baan deed.  

Ik zei Leo dat ik hoopte dat het schaatsbloed ondanks zijn val door zijn aderen bleef stromen. Dat zijn overgrootmoeder, oma en moeder alle drie fervent schaatsers waren en zijn. Terecht merkte hij op dat hij nog andere genen heeft en zijn vader niks met schaatsen heeft. Daar had hij een punt. Grieks bloed en schaatsen gaat wellicht slecht samen.

Toen zijn ijszakje was gesmolten gingen we toch maar weg. 
Nadat ik nog één laatste rondje deed. Nog één.
Met mijn handen op mijn rug, diep door de knieën.  
Denkend aan Giekerk van vijfenzeventig jaar geleden.
En mijn moeder op de bank in Amsterdam.   

woensdag 13 december 2017

OV-les voor een verloren Vlaming

Of de trein ook naar Eindhoven gaat, wil hij weten. Het scherm naast de schuifdeur met stations en aankomsttijden zegt hem schijnbaar weinig. Ik vermoed dat hij één van de zogenaamde laaggeletterden is waar de kranten vol van staan. Maar ik heb me vergist. Als de trein vertrekt, vraagt hij of Schagen het station is waar we vandaan komen. Ik begrijp zijn verwarring. Eindbestemming Schagen staat boven in het scherm. Niet echt logisch met de stations die nog gaan volgen er onder.

Vanonder zijn grijze sluike haar kijkt hij me vragend aan, hij heeft nog nooit van Schagen gehoord. Maar ook dat valt te snappen want hij komt uit Leuven. En ik moet toegeven zelf ook geen provincieplaats in België te kunnen opnoemen. Heeft ú wel eens gehoord van Zinnik, Nineuve of Deinz?

De trein rijdt langs de rookpluimen van Geleen. Hij vertelt daar wel eens te zijn geweest 'met den vrachtwagen'. Maar hij was er verloren geraakt. Hij raakt ook verloren na zijn toiletbezoek. Turend over de zwijgende hoofden vraagt hij hardop: 'Waar zat ik ook alweer?' Na mijn weinig beleefde  'hier', ploft hij opgelucht met zijn grote lijf weer tegenover mij neer. Ik ben het enige kenmerk van 'zijn plek', hij heeft niets bij zich.

Hij vertelt dat hij te veel werkte en daardoor zijn huwelijk om zeep hielp. Maar de echte boosdoeners zijn volgens hem de Polen en Roemenen. Die de werkdruk opvoeren en hier nog willen wonen ook. In een mislukte poging deze verloren Vlaming enige nuance te bieden op zijn wereldbeeld, vertel ik over de Polen in de bouw en dat wij als consument alles steeds goedkoper willen. Maar misschien is mijn preek meer bedoeld voor de over hun smartphone aaiende medereizigers. Of wil ik hem vóór zijn, voorkomen dat hij en public gaat vertellen hoe hij zijn vrouw met een ander in bed aantrof. Het verdiende goed, maar hij was altijd aan het jagen om op tijd thuis te zijn. Nu is hij zijn rijbewijs kwijt. En zijn vrouw. Hij lijkt zo te zijn weggelopen uit een film van de gebroeders Dardenne 

Wat zou hij in Eindhoven te zoeken hebben? Een plots opgedoken zoon die hem wil zien, een rechtszaak wegens openbaar dronkenschap, of wordt hij gebruikt om een pakje de grens over te krijgen? Misschien gaat hij op het vliegveld een Thaise huisslavin ophalen die hij uit een map met foto's heeft uitgekozen. 

Op station Weert tuurt hij aandachtig naar het perron en vraagt me waar die paal voor is. Ik verruil mijn rol van bekeringsfanaat in die van kleutermoeder: 'Daar kan de brandweer water uithalen als er brand is.' Maar hij bedoelt iets anders: 'Waarom lopen ze langs die paal?' Geduldig haal ik mijn chipkaart tevoorschijn en leg hem het Nederlandse OV-systeem uit. Hij vindt het knap wat men allemaal kan. Hij laat me zijn papieren ticket en geprinte treintijden zien, vraagt zich zenuwachtig af of hij vanavond op tijd weer in Leuven zal geraken. Met een half uur overstaptijd in Luik moet dat lukken. Of zou hij Liège niet herkennen als Luik? Ik wijs hem op de QR-code op zijn ticket, dat ook hij moet scannen als hij een poortje tegenkomt. 'We zijn er bijna', zegt hij, en veegt na het rollen van zijn shaggie het krum van het tafeltje. 

Als ik in Eindhoven uit het raam kijk naar de mensen die tussen de sneeuwresten door schuifelen, zie ik alleen zijn bruine capuchon. Het peukje dat er onder vandaan steekt brandt nog niet. Kennelijk heeft hij mijn advies opgevolgd om dat pas buiten het station op te steken. 

zondag 10 december 2017

Dat kan toch niet de bedoeling zijn?

Op radio 1 werd de 'toelage'of ' bijstand' zo je wilt, die enkele leden van het koninklijk huis ontvangen besproken. Carla van Baalen, hoogleraar parlementaire geschiedenis, heeft het uitgezocht. Rutte had dat gevraagd omdat hij er zelf niet helemaal uitkwam.

De kwestie van de financiering van het koningshuis lag, zo viel te beluisteren, 'gevoelig'. En dat ligt het nog steeds. De kabinetten Cals en De Jong hebben zich er eind jaren zestig, begin jaren zeventig over gebogen. Ook Den Uyl speelde er nog een rol in, toen het voortbestaan van de monarchie even onzeker leek. De gevoeligheid wordt vooral beïnvloedt door de persoonlijkheden die er toe behoren. Bernhard maakte het koningshuis minder geliefd, bij Maxima is het tegenovergestelde het geval.

Ook komt de term 'deal' ter sprake. En dan vooral de connotatie van dit woord. Een deal zou een gevolg kunnen zijn van een weinig transparant soort handjeklap waarna een overeenkomst volgt waar een luchtje aan zit. 'Rafelrandje', noemden ze het op de radio. Maar, zo zei van Baalen, zowel het kabinet als de Tweede Kamer zijn steeds ingelicht. Al bleek het door de ingewikkeldheid van vergoedingen vaak lastig om overzicht te krijgen. Vandaar Ruttes verzoek.

Maar wat mij vooral opviel in dit vraaggesprek, was dat de toelage van de oranjes eens te laag zou zijn, dat Juliana (mogelijk onder druk van Bernhard) zogezegd 'niet uitkwam' en daardoor haar vermogen moest aanspreken. En dat, zo zei de presentator 'kon toch niet de bedoeling zijn'.

Huh, 'niet de bedoeling'? Waaróm niet en van wie niet?  Ik begrijp dat het bij een vorst moeilijk is om onderscheid te maken tussen privé en werk. Hij of zij ìs zijn werk, bij geboorte. Het is dan lastig om vast te stellen of de paardenverzorger, jurk of reis naar de Cariben onder werk of privé vallen. Maar ik begrijp toch niet waarom zo'n toelage afhankelijk moet zijn van de uitgaven.

Een vergoeding vanuit de overheid wordt toch verleend bij het ontbreken van een 'voorliggende voorziening'?  Als een 'gewone' uitkeringsgerechtigde zuinig omgaat met zijn of haar geld, en boven een door de overheid vastgestelde norm aan maximaal vermogen uitkomt, wordt die uitkering stopgezet. Het is dan de bedoeling dat hij of zij (een tijdje) van de opgebouwde reserves leeft.

Hetzelfde geldt voor het woud aan toelagen waar mensen in Nederland een beroep op kunnen doen als hun inkomen niet toereikend is èn hun vermogen te laag is om in hun noodzakelijke eerste levensbehoeften te voorzien. Voor dat inkomen en dat vermogen zijn tot op de euro nauwkeurige maxima vastgelegd.  Heb je meer, dan ook geen toeslagen. Zo werken uitkeringen in Nederland. Het is dus juist wèl de bedoeling om je vermogen aan te spreken als je geld vraagt aan de regering en niet, zoals bij de oranjes als 'logisch' wordt voorgesteld, omgekeerd. Wat is er mis mee om, als je aan het eind van de maand niet uitkomt, je vermogen aan te spreken?

In artikel 29 (uit 1972) van het bijna driehonderd pagina's tellende rapport staat ook dat degene die trouwt met de kroonprinses, een jaarlijkse toelage van twee ton (guldens) krijgt. Best bijzonder als je bedenkt dat voor onderdanen het omgekeerde geldt. Bij trouwen of samenwonen wordt je namelijk voordeurdeler en wordt er van uitgegaan met minder steun van de overheid toe te kunnen.

En dan heb ik het nog niet eens gehad over 'de deal' met betrekking tot het betalen van belasting over inkomsten uit vermogen. De redenatie van de belastingdienst was tot voor kort dat vermogen inkomsten kan genereren en dús wordt belast. Het rendement op spaargeld ligt al jaren lager ligt dan het percentage dat hierop door de belastingdienst wordt geheven, maar dat wordt binnenkort geloof ik rechtgetrokken. Maar hoe zit dit bij de oranjes?

Over de hoogte van toelages, belasting en redeneringen blijf ik vraagtekens hebben. En ik ben niet de enige. Volgens Tweede Kamerlid Recourt (PvdA) maakt het kabinet de kwestie nodeloos ingewikkeld. 'Er wordt alleen maar mist opgeworpen',  zei hij in 2016 toen werd geopperd om het koningshuis belasting te laten betalen over hun toelages. Dat zou volgens Rutte maar ingewikkeld zijn, want dan zou eerst de bruto toelages moeten worden verhoogd om daar vervolgen belasting over te heffen. Hè, dus ook dáár geldt dat hetgeen men onder de streep 'hoort' over te houden leidend is? Die redenering hoor ik nou nooit als het om een algehele btw-verhoging gaat. Vreemd.

Over één ding bestaat echter geen misverstand. Op de website van de regering staat: 'Voor de uitkeringen geldt dus dat de uitkeringsgerechtigde leden van het Koninklijk Huis de ontwikkeling van het salaris van rijksambtenaren volgen'. Het is dus de bedoeling om de koning als uitkeringsgerechtigde te zien. Een uitkering die ook nog wordt uitgekeerd met zijn eigen beeltenis er op. 

maandag 27 november 2017

Ongemakkelijk

Nadat hij nauwelijks één stap buiten het winkelcentrum had gezet, vroeg hij een andere man om een vuurtje. Dat had die man niet. Zwijgend haalde ik mijn aansteker uit mijn zak en hield de roker een vlammetje voor. Toen hij de brand in zijn shaggie stak, keek ik pas goed naar zijn gezicht, dat ik ergens van kende, maar wist niet meer waarvan. Wel kwam er een vreemd gevoel bij me naar boven. Ongemak.

Hij bedankte me, waarna ik iets sneller dan gebruikelijk het winkelcentrum in liep. Door de schuifdeuren die werden geflankeerd door Sinterklaas en Zwarte Piet, onder hangende Zwarte Pieten door, langs de etalage van de brillenboer met Zwarte Pieten richting slager. Ook daar lachte me op de toonbank een blije Zwarte Piet tegemoet. Ik pakte gretig een paar pepernoten uit zijn mandje en kon het niet nalaten betweterig te vragen of dat nog wel kon vandaag de dag. 'Zwarte Piet bestaat nog steeds hoor!', antwoordde de slagersvrouw met felle blik. Het geloof in Sinterklaas is kennelijk verschoven naar dat in Zwarte Piet. Na het inladen van de stukken koe en kip, deed ik het gesprek af met 'dat volwassenen er een probleem van maken, niet de kinderen.' Dat beaamde ze. Al weet ik vrij zeker dat  probleem in haar beleving niet het zwart betrof. 

Bij de Hema stonden ook twee zwarte figuren bij de deur, maar Jip en Janneke mogen dat. Aan het plafond hingen uitvergrote kartonnen kindertekeningen met een Piet vol zwarte vegen. Alsof het kind geen zin meer had in kleuren. Toen ik er eerder deze week was, riepen twee jongens die na mij naar binnen liepen vrolijk richting kassa: 'We komen niks stelen hoor'. 

Bij de Aldi wilde ik mijn eerder gedane boodschappen even stallen bij de kassa en vroeg een brede man of ik er langs mocht. Toen hij opzij stapte herkende ik opnieuw het gezicht van de roker en wist nu ook waar mijn ongemak vandaan kwam. Maanden geleden stond hij eens achter mij bij het afrekenen. Ook toen stond hij wijdbeens en te dichtbij. Toen mijn pinpas weigerde riep hij iets over een gleuf en zijn vrouw die hem die nacht daar de toegang toe had geweigerd. Ik was niet adrem genoeg om te reageren en deed er het zwijgen toe, ik wil per slot geen zuurpruim zijn. Ook toen beende ik snel van hem weg.

Na vijf minuten sloot ik me met mijn mandje aan in de rij. De roker was gelukkig vertrokken en ik zag hem ook niet meer bij de deur staan. Wel zag ik een vrouw die wachtte op een gaatje tussen twee klanten. Ze was haar fietssleutel verloren en vroeg de kassière of die was gevonden. Toen dat niet het geval was, liep ze langs de wachtenden de winkel in om haar sleutel te zoeken.
------------------

Beste lezer, als u tot hier bent gekomen, wat voor beeld had u bij bovengenoemde vrouw die haar sleutel zocht? En twee alinea's eerder, bij de jongens die na mij de Hema binnenkwamen? Hoe zagen zij er uit in uw hoofd? Waarschijnlijk waren ze blank. Misschien veranderde de kleur in uw verbeelding toen ze zeiden 'niks te gaan stelen'.  Zelf waren ze zich in elk geval erg bewust van het beeld dat anderen van hen hadden. Ter verduidelijking tegen de ongemakkelijk kijkende kassière zeiden ze: 'Dat denken ze toch bij donkere mensen'.  De man die mijn pinpas als zijn geslachtdeel zag, was dan weer wit. Moet u uw beeld van opdringerige donkere man nu bijstellen? De fietssleutelvrouw had op haar beurt een enorme bos kroeshaar, bijeengebonden door een gekleurde doek. In haar oren hingen grote ronde oorbellen. Hoeveel witte wachtenden in de rij dachten toen ze haar zagen aan Zwarte Piet? Ik heb het ze maar niet gevraagd. Beetje ongemakkelijk.

Pieten zijn nu eenmaal zwart en mevrouwen wit. Waarom zouden we niet wat minder in de richting van (stereo-) typering sturen? Omdat u daar ongemakkelijk van wordt? Het is lastig te erkennen dat sommige mannen seksistische opmerkingen maken als een vrouw wil pinnen. Waarop ze zich stil houdt, om geen zuurpruim te zijn. Net zoals je meestal niks zegt als er steevast beveiligers in je buurt zijn als je komt winkelen. Niemand wil een zeurpiet zijn. Als het je nooit overkomt, is oordelen zo makkelijk.

Dit weekend treinde ik door Nederland en zag overal prachtig verklede kinderen. Geen van hen was geschminkt. De verklede volwassenen die hen vermaakten (met het gooien met zwaarden) waren echter allemaal zwart. Misschien moesten we eens een voorbeeld aan kinderen nemen. Iedereen noemt vijf december toch eensgezind een kinderfeest?











woensdag 25 oktober 2017

Ze wil iets wits met een friemeltje.

Ze was een nieuwe klant en ik rekende geen voorrijkosten bij de eerste kennismaking. Of  nou ja, 'kennismaking', het was meer een consult en het stellen van een diagnose: 'Ja, het klopt dat de lekkage in de keuken wordt veroorzaakt vanuit de badkamer op de verdieping erboven'. Maar, zo was mijn devies: zolang het water ín de douchebak blijft, kan er weinig misgaan.  

Ze mailde nederig of ze nog inspraak had bij de kleurkeuze van de tegel. 'Ik ben niet moeilijk hoor, het liefst zoiets als er nu ligt, vierkant en wit met een friemeltje erin.' Ook vroeg ze of er nog alternatieven waren, 'rubber tegels' of zo. 'Die liggen in speeltuinen', antwoordde ik droog.

Het was geen ramp dat ik pas over twee maanden kon komen, hoewel ze de klus liever eerder geklaard zag. Ik zegde toe mijn best te doen -de etiquette der klussers begin ik eindelijk te beheersen- En toen een buitenschilderklus vanwege slecht weer niet doorging was het zo ver, ik kon drie weken eerder dan gepland bezig met het uitbikken van haar badkamervloer. 

Mij was al snel duidelijk dat 'Niet moeilijk zijn', een relatief begrip is. Zo zei ze al bij het eerste consult dat de btw voor haar wel een dingetje was. Ze had per slot maar één studentenpand, wilde er niet te veel geld aan besteden dus als het even kon, betaalde ze me zwart. Of in elk geval een deel. En hoewel deze gewoonte in klusland meer regel dan uitzondering is, hou ik me aan díe etiquette niet. En toen bleek dat de vloer onder de tegels rotter was dan een vergeten appel onderin de schooltas van mijn kinderen, en er eerst een nieuwe vloer moest komen om überhaupt te kunnen tegelen, appte ze: 'Er moet zaterdag wel weer gedoucht kunnen worden. En opgeruimd'. De studenten zelf deden gelukkig níet moeilijk. Die gingen douchen bij de sportschool of een tante.

Ik kende nog een adresje met mooie restpartijen Sfynx en Mosa (gerenommeerde tegelproducenten), maar helaas was er van 'wit met een friemeltje' net niet genoeg. Bij de groothandel lachten ze me bijna uit want wat ik wilde 'was zó jaren negentig' en ook de bij Hornbach en Bauhaus zeiden ze niks voor mij te kunnen doen, iedereen wilde tegenwoordig groot en grijs. Maar 'hebben we niet' dat ken ik niet en na nog wat rondstruinen vond ik iets dat leek op wat er lag: vierkant en wit met een friemeltje. 

Na het breken, krabben, vervangen van een deel van de ondervloer, aanbrengen kimband en het  smeren van een waterdichte laag kwam de klant na haar werk even kijken. Trots sneed ik de doos met tegels open om haar mijn vangst te tonen. Maar, u raadt het al, ze vond ze toch niet zo mooi.

*Stik*

'Nee hoor', zei ik knarsentandend, 'dat is niet erg.' Maar ik adviseerde wel om dan maar zelf naar iets op zoek te gaan.

Een dag later lagen er nieuwe dozen in de gang.
Met grote, rechthoekige grijze tegels.

vrijdag 20 oktober 2017

Praten met pensioenlozen in Londen.

Kort nadat we aan een lange tafel waren aangeschoven op een terras in Camden, vroeg de man naast ons: 'Could I ave a sigaret?' Ik reikte hem mijn geplette pakje shag aan maar kon de herkomst van de bietser pas plaatsen doen hij met een leeg vloeitje in zijn hand naar iets zocht. Sinds de shag zijn herintrede deed in Italië, rollen jongeren er hun sigaretten met een filter. Verbaasd was zijn blik toen ik daar niet in bleek te kunnen voorzien.

Ooit had de Italiaanse overheid het monopolie op tabak. En op zout. Wellicht omdat dit twee van de weinige producten zijn waar men niet zelf in kan voorzien. Zowel rookwaar als zout werden op één plek verkocht. En wie in Italië eens op zoek ging naar een postzegel (of, in mijn geval, een bollo -zegel- voor werk- verblijfs- of andersoortige vergunning) kon die ook vinden bij een zogenaamde 'Sali & Tabacchi' ('cch', uitgesproken als een k, net als in Pinocchio, de k is in het éénentwintig letters tellende Italiaanse alfabet een onbekende). De klare sigaretten die daar werden verkocht heetten 'Nazionali' of  'Alfa' of  'MS' (van 'Monopolio di Stato', in de volksmond ook wel 'Morte Sicura', 'zekere dood' genoemd) of, hoe ironisch, 'Stop'. Bij gebrek aan beter waren ze best te pruimen, of te roken zo je wilt. Ze hadden echter de bijzondere eigenschap dat na één trekje je spijsvertering als een malle op gang kwam en je acuut naar de wc moest. Misschien dat sommige Italianen bij problemen met de stoelgang (net zo'n nationale kwaal als 'de Kreislauf' bij Duisters) daarom zweren bij een sigaret bij de koffie op nuchtere maag.

De bietser op het Londense terras had zelf geen moeite om mijn land van herkomst te raden want er volgde al snel: 'You don't mind if we smoke a joint,.... you are Dutch.' Ga gerust je gang en nee, wij hoefden daar geen hijs van. Al blowend klaagde hij over zijn land. Hoewel, 'zijn land', volgens vriend  Enrico voelde dat niet zo. Hij was een eilander, een Sardijn. Wellicht dat dit het raden van hun moedertaal mij had bemoeilijkt. Hij moest niks van Rome hebben: 'ladri', 'dieven' zaten daar. En zij, de arme generatie van nu, moest het zonder pensioen stellen. Wij hadden het in Nederland zo veel beter zeiden ze. Ik draaide mijn mantra af over belastingschijven. Na een eerste verbazing die me bij zulke gesprekken ook in Iran ten deel viel, gooiden ze nog meer wapens in de strijd. Hun land was volgens hen door en door corrupt en zelfs als je doodging was je voor een uitvaart aangewezen op de maffia. Het verhaal dat mijn vriend en ik beide als zelfstandige ook weinig hadden om naar uit te kijken, sneed volgens hen geen hout. Wij hadden zo immers de mogelijkheid om zelf te sparen voor onze oude dag.
Punt voor hem.
Iets om te onthouden.

Verdere tegenwerpingen over stijgende ziektekostenpremies en eigen risico zouden vast niet worden geloofd door deze mannen uit het land waar een algehele bodyscan op kosten van de staat als eerste levensbehoefte wordt gezien. Aan mijn vriend wilde ik de mop vertellen die jonge Italianen vaak opdissen als de oudere generatie Mussolini ophemelt (geen zeldzaamheid). Oudjes beweren dat toen hij aan de macht was, men de sleutel aan de buitenkant van de deur kon laten zitten. Maar aan de clou, dat er in het straatarm Italië van toen niks wás om te stelen, kwam ik niet toe. Want ook deze dertigers zeiden in koor dat de Duce, hun Fuhrer, degene was geweest die de pensioenen had ingevoerd. Hulde.

Ik moest bekennen dat mijn historische kennis het hier liet afweten. Maar hier in Londen, beiden op vreemde bodem, durfde ik hen te vragen of ik mijn kijk op de wijdverbreide corruptie mocht geven. Nippend aan mijn tweede bierpul oreerde ik dat hun land in mijn ogen een clancultuur was. Dat de familie boven alles gaat, en daarna de straat, de streek, de kerk, de regio. Met haar eigen ongeschreven regels en gewoontes, taal en bovenal trouw. Trouw aan wie je kent. Dienst en wederdienst. Enrico beaamde dat hij vijftien jaar -zwart- voor zijn broer had gewerkt. (Hoe zou het toch komen dat er geen pensioenpot voor hem klaarstaat?) Je familie bevoordelen bij een betrekking hóórt en als een lid van je clan iets heeft misdaan, geef je hem of haar niet aan bij de politie. Dat dóe je gewoon niet. Want de politie en ook de rest van de overheid is corrupt, daar moet je van plukken want zij plukken jou. Als het er op aankomt is alles te koop. Zwart. Geïnde belastingen worden om dezelfde reden in eigen zak gestoken. Krom genoeg is de hoogst haalbare status het bemachtigen van een baantje bij diezelfde overheid. (Tim Parks schreef hier prachtig over in 'Italiaanse buren'). Dan kunt je zelf namelijk graaien en geld vragen voor diensten waar je eigenlijk gewoon salaris (daar heb je dat 'sale', 'zout' weer) voor krijgt (en pensioen opbouwt). Als je niet belazert wilt worden, moet je zelf de boel flessen. Iedereen heeft boter op zijn hoofd. Wie het anders probeert is een nestbevuiler en speelt met zijn of haar leven.

Na mijn donderpreek met als strekking dat Italianen zélf de corruptie in stand houden en een goed georganiseerd maffia doen floreren, leek een veer in de kont van de alfamannetjes (de Poolse vriendin zat zwijgend aan het andere uiteinde van de tafel) mij wel gepast. Want dat diepgewortelde wantrouwen in een overheid mag in vredestijd onwerkbaar zijn, in tijden van oorlog kan het levens redden. Ik vertelde hen hoe het mede door de gezagsgetrouwheid van de Nederlanders kwam dat er naar verhouding nergens zo veel joden zijn afgevoerd als in Nederland. Pas toen men aan het eind van de oorlog goed doorhad wat er met hen gebeurde, en er tevens buiten de randstad genoeg onderduikadressen beschikbaar waren, was het te laat. Iedereen was geregistreerd, alles was dichtgetimmerd, men kon geen kant meer op. In Italië daarentegen, waar men altijd al weinig opheeft met wat machthebbers opdragen, konden partizanen voor veel joden een veilig heenkomen vinden.

De Italianen glommen van trots. Kennelijk gaat een adoratie van Mussolini en het joodse volk goed samen. Volgens hen was heden ten dage de vluchtelingenopvang in handen van de maffia. Zij organiseren de opvang en strijken het geld op. Maar misschien voelt dat voor mensen die anno 2017 een veilig heenkomen zoeken wel als thuiskomen. En ervaren vluchtelingen Nederland, waar je voor alles de juiste papieren moet invullen en waar je voor een gemist stempel kan worden uitgezet juist als onbegrijpelijk, koud en anoniem. In Italië gaat het net als veel landen in het Midden-Oosten of Noord-Afrika om wie je kent, waar je bijhoort. Daar ben je trouw aan.

Toen ik in 1987 mijn eerste schreden zette in mijn Italiaanse avontuur, werden er op de Campo dei Fiori te Rome explosieven naar binnen gegooid bij café 'Om Shanti'. Waarschijnlijk had het café verzuimd of geweigerd de 'pizzo' te betalen. De 'belasting' aan de maffia waar je hun 'bescherming' mee koopt. Vaak volstaat zo'n 'waarschuwing' wel. Iedereen weet dit. Waarschijnlijk zijn de daders nooit gepakt of is er zelfs maar een onderzoek naar de aanslag gestart. Men kijkt wel uit.

Een maand geleden sprak ik met iemand die op vakantie was geweest in Kaboel. Hij vertelde dat er wel eens een bom ontplofte, dat mensen daar dan hun schouders over ophaalden maar dat het werkelijke probleem de corruptie was. Die er zo wijdverbreid en geaccepteerd is, dat het opbouwen van een betrouwbaar overheidsapparaat haast onmogelijk is. Volgens de bietsers in Londen bepaalt in Italië de maffia wanneer er vuilnis wordt opgehaald, welke aannemers opdrachten krijgen, waar je te grave wordt gedragen èn wie er het land in komt.


Als twee dagen later de Eurostar bij Calais uit de tunnel komt, rijden we tussen metershoge hekken met prikkeldraad door. Op Malta blogt intussen Daphne Caruana Galizia, een columniste die  corruptie, zelfverrijking en vermenging van de boven- en onderwereld aan de kaak stelt: "There are crooks everywhere you look now. The situation is desperate"  (Het zijn allemaal zwendelaars, de situatie is hopeloos.) Een dag later ontploft de bom die aan haar auto is vastgemaakt. Ze is op slag dood. Dat gebeurt er met nestbevuilers die ontrouw zijn de ongeschreven regels van hun land. Malta heeft Nederland gevraagd om het onderzoek naar de moord te leiden.

Misschien moet ik daar als geboren Hollander trots op zijn.




vrijdag 29 september 2017

Mijn zus eet uit de prullenbak

Mijn zus eet uit de prullenbak. Of, beter gezegd, uit een container. En dan bedoel ik niet containers die in stapeltjes van drie dienen om studenten te huisvesten maar zo'n bak op wielen achter een supermarkt waar afval in wordt gedumpt. En ze is er nog trots op ook. Sterker nog, de meeste van de foto's die ze in de familieapp plaatst, zijn stillevens van haar vangst. 'Oogst', noemt ze het zelf.

Ze heeft verder een keurige betrekking op een school alwaar ze kindertjes van expats (eufemisme voor gelukszoekers) Nederlands bijbrengt. Ze doet elke dag de afwas, veegt dagelijks haar keukenvloer en houdt een oogje in het zeil bij haar bejaarde buurvrouw. Roken of drinken doet ze niet en 's morgens zet ze cafeïnevrije koffie met melk en een beetje suiker. Op de terugweg van haar werk gaat ze om de dag langs 'haar' container en stopt dan de 'boodschappen' in haar fietsmandje. Naast de voorleesboeken voor kleuters. Keuzestress over wat ze zal koken is haar vreemd en ze heeft over variatie op het menu weinig te klagen. Soms moet de oogst worden verwerkt en staat ze opeens twee kilo asperges schoon te maken of inspireert een vangst haar tot het bakken van een taart vol bosbessen. Die rijper zijn dan je ze in het schap ooit aantreft.

Eigenlijk is er weinig verschil met wat er in mijn achtertuin groeit. Alleen heeft mijn zus geen last van ziektes als meeldauw op de courgettes of kroprot in de sla. Qua fruit stel ik me tevreden met de twee (!) appels die in mijn boom hangen. Aan het kweken van bananen en avocado's waag ik me voorlopig maar niet.

Mijn zus hoeft ook geen concurrentie te vrezen. Maar bij mij smullen slakken met of zonder huis van de aardbeien, meent de kat dat het geschoffelde bedje prei een ideale kattenbak is en gunnen de mussen mij geen rijpe boontjes.

Ook bespaart ze zich het werk van het opbinden van de komkommer, het dieven van de tomaten en het toppen van de basilicum. Er wordt bij haar op hete dagen geen kostbaar drinkwater aan sproeien verspild en tot slot bespaart ze er ook nog eens geld mee.

Het zal vast niet lang meer duren totdat Sire met een kliekjescampagne 2.0 komt: 'Eet meer afval' 


Afval








 
Ook afval (uit Turkije)
 
Fruitsalade uit de container!


Deze hebben wel pitjes