zaterdag 30 april 2011

De macht van de taal van de tandarts


"Wil je Priscilla even roepen, ik wil haar iets vragen wat jij denk ik niet weet."
Met mijn kaken in een kramp kijk ik naar de blik van de assistent, wat zou zijn reactie zijn op dit verzoek? Omdat de tandarts er van uitgaat dat hij iets niet wéét, moet híj van zijn baas zijn voorgangster halen, een zwarte dame nog wel?! Ik kan geen tekenen van irritatie ontwaren. Ik kan sowieso niet zien hoe de lippen van deze Aziatische jongeling gevormd zijn. Er zit een kapje voor.

Hij vraagt voor de zekerheid nog na of hij wordt geacht om haar te gaan hálen. De toon is niet spottend. Maar de samenwerking is vast geen lang leven beschoren. Want als assistent behoor je zulks natuurlijk áán te voelen. Er doemt zich het beeld op van de chirurg die, zonder op te kijken van het bloederige tafereel onder hem, zwijgend zijn hand ophoudt naar de lieftallige assistente naast hem. In dit geval is niet de arts maar de assistent de man. Laat hij Hassan heten. Hassan praat voor zijn beurt als de tandarts eindelijk haar vraag aan Priscilla stelt: "Ja", zegt hij, "er ìs een aparte 'bonding' voor deze 'rebuild'." (Hoe durft ze te beweren dat hij dat niet wéét! Hij zal haar eens wat bewíjzen). Ik blijf braaf mijn mond wijd opensperren.

Maar ze pakt hem terug. Want de medische hiërarchie is hardnekkiger dan de geldingsdrang van verdwaalde haantjes. "O, goh, leren jullie dat zó op de opleiding?", zegt ze, terwijl ze hem voordoet hoe mijn hij mijn kwijl hoort af te zuigen. Wat subtiel, die geveinsde verbazing. Over de meest basale handeling van een assistent. Elke poging tot verweer na zo'n vraag die geen vraag is, is zinloos. Arme jongen. Hij loopt vast stage. Het kennen van je plek staat vast niet in de boeken. Of wordt nederigheid hem juist afgeraden? Hij tuurt naar het speeksel dat zich ophoopt achterin mijn keel.

Er wordt gehakt, geboord en gekleid. Hij doet wat de arts hem vraagt. En zij? zij vraagt opnieuw aan Priscilla of 'het gebruikte vulmiddel wel tegen zonlicht kan'. Zou ze haar nieuwe assistent werkelijk uittesten? Het komt op mij meer over als een soort vrouwelijke leiderschap. Waarbij kennis van een tandarts wordt aangevuld met de ervaring van een assistent. Waar het vragen om advies of bevestiging geen zwaktebod of teken van onzekerheid is. Daar verlaag je je als arts niet mee. Integendeel. Wie weet. Het onderwerp waaromheen de zoektocht naar het groepsevenwicht van de drie witjassen zich concentreert, is mijn grote, open, maar zwijgende bekkie.

Als blijkt dat het vulmiddel inderdaad verhardt bij blootstelling aan zonlicht, kijkt Hassan om zich heen of hij een donkere verstopplek vindt. Maar bij gebrek aan beter, vouwt hij dan vroom zijn handen om de spuit heen, ter bescherming van de kit. De twee vrouwen lachen. Hassan zwijgt. Mijn mond blijft openhangen. Ik doe mijn ogen dicht.

Er zit pus in een 'pocket'. Een tasje dus. Lekker. Mijn tandarts van dertig jaar geleden -een grijze man die uit zijn mond stonk en waarvan je alleen al van de etherlucht die in de praktijk hing, onwel werd-, deze man had mij, via mijn moeder, geadviseerd om later te gaan trouwen met een tandarts. Het zou volgens hem de enige manier zijn om het onderhoud van mijn gebit te kunnen bekostigen. Hiermee weinig bescheiden pochend met zijn riante salaris. Ook liet hij geen controle voorbij gaan (hoewel we er in mijn herinnering elke maand zaten) om te vertellen over zijn jaren in de Oost. Zijn naam was zelfs ontleend aan een eiland in Nederlands-Indië. Of hadden zijn voorouders hun naam gegeven aan de berg op het eiland? De babu's en koelies hadden hem daar vast net zo gediend als zijn assistentes dat later voor hem deden. Je plek kennen, daar ging het om. Hij liet ook geen gelegenheid onbenut om te spotten met de politieke activiteiten van mijn moeder. Dat die niet verder gingen dan stencilen en folderen, deed niet ter zake. Het bleef politiek. Niks voor vrouwen dus. Of kleurlingen.

Als ik mijn kaken weer op elkaar heb en mijn benen weer op de grond, volgt een adviesgesprek. De tandarts van vandaag adviseert me te gaan sparen. Terwijl Hassan de stoel poetst waar ik zojuist heb gezeten en Priscilla de bloed- en spuugdoekjes opruimt, schudt ik de tandarts de hand. De assistenten niet.

woensdag 27 april 2011

Jip en Janneke of hyves

Kees wil op hyves. Want Bart heeft ook hyves! Maar ik wil er niet aan en krijg het verwijt een strenge moeder te zijn. "Dat zegt iedereen uit mijn klas ook!", schept Leo er bovenop. Samen tegen moeder zijn ze errug eensgezind. Dan wel.
Ik zeg: "Het zij zo."
Ik denk: "Wie zou dat dan zeggen?"

Het is bedtijd. Leo, inmiddels tiener, mag nog even op de computer. Naar medemoeders hou ik de schijn hoog dat ik met Leo meelees, maar zo'n computer waar je kind virtueel mee kan knutselen is toch juist handig als de jongste al naar bed moet? Zeker nu we een logeetje hebben.

Het logeetje is twee jaar jonger dan Kees. Kleine Kees voelt zich groot. Als ik, in het bijzijn van broer Leo, vraag of ie samen met haar in bad wil, krijg ik een minachtende ontkenning. Hoe ik het dúrf te vragen! En ik denk: waarom vraag ik hem dit eigenlijk?

Als Leo uit zicht is, is Kees weer kleuter. Zonder blikken of blozen stapt hij vrolijk in bad met de logé. Hij staart eerst nog even zwijgend en gebiologeerd naar haar kruis, -dat heb je zo, in een huis met alleen jongens-, maar al gauw is het een geplons van jewelste. Het meisje wil niet alléén slapen en Kees vind het geen enkel punt om het grote mamabed met haar te delen (waar ik zelf dan ga slapen zien we later wel). Kees schaamt zich ook niet voor de luier die hij 's nachts nog draagt. En opeens zijn Jip en Janneke, die de zandbak leegscheppen op zoek naar papa's potlood en mama's haarspeld, niet meer kinderachtig. Ze blaten in koor mee met de bange koning uit: "Liselotje is een meisje en ze woont in een paleisje!"

Als ik weer beneden ben, zie ik hoe Leo worstelt met het pimpen van zijn hyvesprofiel. Zijn klasgenoten hebben weinig flatteuse krabbels geplaatst en er plopt een uitnodiging voor een 30 jarige, maagdelijke misteryguest in beeld. Het meisje dat vandaag naast haar prekende moeder op het schoolplein stond, ondertussen de-jongen-met-wie-ze-gaat nastarend, doet op haar pagina uitgebreid verslag van de hartstocht voor hem. Die er óók nog zal zijn als hij sterft. Quel drame! Ze zijn tien! :-/

Kleuter Kees ligt op één oor. Die dertigjarige maagd stel ik voor hem nog maar even uit. En de tienerliefdes ook.

Leo vraagt me of ik samen bij hem op de kamer wil slapen. En dat doe ik. Onder een dekbed van Jip en Janneke.

dinsdag 5 april 2011

Das badeschiff in Berlijn

Daar wandelde ik rond. Op twee april. Bij de Spree. Langs de gesloten reggea-kroegboot de Hoppetosse. Genoemd naar het schip van Pippi's vader. Langs de uitgestorven cocktailbar op het strand. Ik zag uitgewoonde feestgangers uit het nog nabonkende container komen rollen. De laatsten. Om twaalf uur 's middags. De zon scheen warm. Mijn buik slonk. Ik vloeide nog. Een week eerder had ik, 23 weken te vroeg, mijn vierde zoontje gebaard. Dood.

Vreemd, hoe een moederblik verandert. Aan het idee ben ik gewend maar hormonen nestelen zich kennelijk dieper. Op de naastgelegen vlooienmarkt struin ik langs babykleertjes en kinderwagens, maar roep mezelf tijdig terug. En verleg mijn blik naar fietsen, stoelen en gereedschap.

Vriend K. mailt me die avond dat ze op me zou lijken. De hoofdrolspeelster uit 'Drei'. Die in Berlijn woont en werkt. Waar ik nu ben. Dat hadden twee bezoekers, die de film onafhankelijk van elkaar hadden gezien, vastgesteld. O, is het omdat ze er twee mannen op na houdt? Dus daarom! Nee, dat was het niet. Het was haar loopje geweest, zei hij, haar manier van roken en van praten. Misschien bedreef ze ook wel de liefde zoals ik, bedenk ik achteloos. Ik werd nieuwsgierig. Hij nodigt me uit om samen naar de film te gaan.

Een paar dagen later tref ik K. op het terras van de vernieuwde 'Images' aan het Hereplein. De maker van 'Drei', die tevens de verfilming van 'das Parfum' en de onovertroffen 'Lola rennt' op zijn naam heeft staan, blijkt scenes te hebben opgenomen op de plekken waar ik was. Heerlijk toeval. Er wordt gedronken in de Hoppetosse en geneukt op het Badeschiff. Maar er gebeurt meer. Veel meer. Met kunst en ziektes en werk. En niet alleen spelen er scenes bij de Spree, ook in het Mauerpark werd er gedraaid. Bizar. Daar liep ik eergister nog rond. En de release van de film? Die was precies in de week dat er in mij nieuw leven ging groeien. Na een heerlijke vrijpartij. Waarbij de lattenbodem die steun moest geven bij het minnespel, steeds meer latjes verloor. Ik was kwaad op hem geweest. O, wat was ik kwaad geworden. Maar ik had op tijd ingegrepen. Hij had een morning-after pil voor me gehaald, die ik op tijd slikte. Toen ik het niet wilde, bleef het groeien. Toen ik het wel wilde, ging het dood.
Leven is raar. Dood trouwens ook.

Als de film voorbij is, praten we nog wat na in de verlaten lounge.
Hij voelt zich een beetje bezwaard, vanwege scene van baby's en dikke buiken. Die hij, tot mijn ontzetting dan weer, afstotelijk vindt. Maar ze leek toch niet op me? Ik ben toch vrolijker? Of denk ik dat maar. Maar haar schrikreactie bij het aflezen van de test was grappiger. Scroll maar even door naar 2.20 seconden.

vrijdag 18 maart 2011

Ontlijst


Als ik boodschappen doe, koop ik vaak meer dan ik van plan was. Zeker als ik geen lijstje hebt mee genomen. Dan is de inhoud van de kar al helemaal een verrassing bij het afrekenen.

Balen als ik bij thuiskomst merk dat juist wat wel op mijn lijstje stond, 'pleepapier' (met drie uitroeptekens) níet is aangeschaft. Het oordeel is vaak dat -te– veel geld uitgeven -aan onnodige zaken- slecht is. En een al te rode rekening ìs ook niet handig. Tering en nering en zo. Maar op zo'n 'oordeel' valt natuurlijk best wat af te dingen. Want een graai uit die onbedoeld gekochte zak chips of doos chocola, is namelijk best lekker.

Met mijn todo-list heb ik ook een raar soort haat-liefde verhouding. De belastingdienst, bedden afhalen en eindelijk dat nieuwe douchegordijn ophangen (dat daar al een half jaar ligt, terwijl de schimmel op het oude schrikbarende vormen begint aan te nemen), ik blijf dat soort niet levensreddende handelingen vooruit schuiven. Zelden lukt het me om alles op het lijstje af te strepen. Maar hoe vrolijk wordt een mens van het doen van dingen die er niet op staan. Gewoon, omdat ze zich voordoen, of omdat het lente is.

Keesje komt uit school. We gaan de stad in. Kaas halen op de markt, kraamkaartje uitzoeken en bij de drogist vindt Keesje de roze -dure- beautycase erg mooi en erg geschikt voor S, die zondag 15 wordt (Ook Kees kent de 'koopknop' in mijn hersenen. Hoewel 'kadootje S' dit keer wèl op mijn lijstje stond).

Eenmaal thuis, zie ik dat de buurmans pest (wat is de officiële naam voor dit onkruid?) voorzichtig zijn groenfrisse kopjes boven de aarde uitsteekt (of moet hier haar kopjes staan? Vast niet, dan zou het wel 'buurvrouws pest' zijn). Ik blijf nog even dralen in de lente zon en poog Keesje ondertussen enige natuurkennis bij te brengen. Hij bestudeert de narcissen in de knop en aait de dikke tulpenbladeren. Ik ga snel even naar binnen en pak het eerste de beste stuk gereedschap dat ik tegenkom, om de prikheg mee in te tomen (de snoeischaar ligt ergens ingegraven in de schuur) Met het broodmes zaag ik een paar takken af. Ik prik me. Kees: "Waarom doe je geen handschoenen aan?" Tja.

Ik vraag of hij de vieze buitenvensterbank wil schoonmaken, maar hij komt zelf met het idee de ramen te lappen. Super. Want hoe vies die zijn, zie je beter in de zon. Nu is het zíjn beurt om het een en ander van binnen te halen. ("Waar is de wisser?"..... "Wat is dat, een gootsteenkastje")

Belastingdienst en douchegordijn kunnen wachten. Het onkruid is gewied, de heg gesnoeid en de ramen zijn gelapt (tot Keeshoogte, je kunt niet alles hebben, hè. Het stond per slot ook niet op mijn lijstje).

In de eerste lentezon, op het schoongeveegde stoepje, eten we met z'n tweetjes de halve doos bonbons leeg.

zaterdag 5 maart 2011

Hoofdkranen



Het apparaat dat het overtollig speeksel uit mijn mond moet afvoeren, zuigt zich vast aan mijn tong, hetgeen niet alleen een vreemd gevoel geeft, maar bovendien bijzonder inefficiënt is. De dienstdoende tandarts tuurt in mijn mond en komt handen te kort. Ze heeft de Antilliaanse assistente nodig, maar deze is net een telefoontje aan het afhandelen. De tandarts verlegt nu zelf de zuiger, hannest met een krabber en boor maar haar blik blijft zorgelijk. Ik sluit mijn ogen. Vooral tegen het felle licht.

Een half uur voordat ik plaatsnam in de ligstoel, had ik mijn werkkleding verruild voor een wat nettere outfit. Geheel tegen mijn vaste gewoonte in, was ik ruim op tijd vertrokken, de klus waar ik mee bezig was, schoot toch niet op. Na het aansluiten van de afvoerbuizen, had het met het aansluiten van de kraan niet meegezeten. Het was een goed moment om wat afstand te nemen om later, zo was mijn ervaring, met frisse blik en hernieuwd inzicht, in een mum van tijd het karwei af te maken. Door het monteren van twee kogelstopkranen hoefde niemand last van het langdurig afsluiten van de hoofdkraan, die kon weer open.

Ik verheugde me al op de rubrieken in Quote en Vriendin, de lectuur die je normaliter aantreft in de meeste wachtkamers. Een beetje bewuste arts heeft daar nog een WNF blaadje aan toegevoegd. Maar van lezen zou niks terecht komen. Want de afslag naar de vinexwijk waar mijn tandarts praktijk houdt, was afgesloten wegens werkzaamheden aan, jawel, het riool. Tja, natuurlijk vereist ook op dit niveau de afvoer soms enig onderhoud. Braaf volg ik de gele bordjes, die mij via de achterkant de nieuwbouwwijk in loodsen. Ik vraag me af wat er in de maand waarin het riool wordt opgeknapt, met al het afvalwater gebeurt. Een omleiding via een andere wijk geeft natuurlijk al gauw stront, in de meest letterlijke betekenis. En de bron tijdelijk afsluiten, in de vorm van één of andere hoofdkraan, leek me alleen op micro-niveau, zoals ik even tevoren deed, haalbaar. Voor een hele wijk, en dan gedurende een paar weken, zal dat vast niet gebeuren.

Het gevoel alsof een botte appelboor zich rond mijn stompje tand in mijn vlees zet, haalt me ruw uit mijn overpeinzingen. De assistente begrijpt gelukkig gauw wat ik met mijn gegesticuleer bedoel: 'Oh, je wil dà ik je in je han knijp?!' De zuiger en de vele mond tampons kunnen het bloeden niet stelpen. Ze hebben een uur voor me ingeruimd. Het maken van een foto, -voor een vrouw in mijn positie wordt dit afgeraden- sloegen ze over. Mijn mond blijft zich, getuige het commentaar van de tandarts -ik zie er zelf niks van-, vullen door een niet te stoppen bloedtoevoer. Van vullen kan, ze zegt ze, op deze manier geen sprake zijn. Onwillekeurig trek ik een vergelijking met het afdoppen van een leiding, terwijl de hoofdkraan openstaat.

Ten einde raad vraagt ze Priscilla om de 'witte boor'. Het klinkt als een noodmaatregel. Ze wil een randje tandvlees bij me wegbranden, zodat ze over kan gaan tot het opbouwen van de afgebroken kies zonder te worden gehinderd door plassen bloed. Na een paar venijnige verdovingen, ruik een een schroeilucht uit mijn mond opstijgen. Door de verdoving lukt het me opnieuw om mijn gedachten terug te voeren naar mijn eigen werk. De verloopstukjes van de waterleiding pasten perfect, en toch vloeide de soldeer onvoldoende in de naad. Misschien zou een 'witte boor' mij kunnen helpen. binnenpretje. Terwijl ik er lustig op los fantaseer, zegt de tandarts opeens dat ik me kan oprichten, dat ik kan gaan. Het heeft geen zin, zegt ze, kom volgende week maar terug. Verbaasd vraag ik of ze denkt dat het bovenmatig bloeden dan vermindert zal zijn. Ik zal per slot van rekening nog een half jaar in omvang zullen groeien, voordat mijn bloedsomloop weer enigszins is genormaliseerd.

Ik vertel haar over de overeenkomsten die ik zie tussen mijn werk en het hare. Ware het dat ik in dergelijke gevallen de hoofdkraan kan dichtdraaien. Ik spoel mijn mond met veel water. Een roze draaikolk verdwijnt in de afvoer. Ergens naar toe.

dinsdag 22 februari 2011

Jezelf uitzwaaien...

...anders kan ik het niet noemen. Natuurlijk ben ik wel vaker zonder man, kind of in een andere samenstelling dan met het gebruikelijke kerngezin op stap geweest. En de laatste zomers bivakkeerden Leo en Keesje, dankzij de vakantie-lat relatie van hun ouders, maar liefst zès weken in de zon. Kinderen, vliegticket en autosleutel werden na drie weken, ergens op een camping uitgeruild door pa en ma. Van de schaarse gezamenlijke nachten (en dagen) werd goed gebruik gemaakt om elkaars voorbije en komende afwezigheid te compenseren. Nooit geweten dat een tent zo heet kon zijn. En na een paar dagen werd in een andere samenstelling genoten van de één-oudervakantie. De andere ouder keerde huiswaarts. Back tot work. Een erg praktische oplossing voor het jaarlijks terugkerend gepuzzel met vakantiedagen. En ach, thuis zaten we toch al te veel op elkaars lip. Enig mogelijk nadeel was de wanhopige blik die op het gezicht van de campingbazen verscheen als de rekening moest worden opgemaakt. Zij wist niet meer wie er wanneer en hoe lang op haar terrein was geweest. Maar dat was vermakelijk. Het gevoel dat me vanmorgen bekroop was van een ander kaliber.

De avond te voren had ik, al fröbelend met eten, mijn moederplicht vervuld. Lunchdoosjes met komkommerkroontjes, koude pannenkoeken en kaasblokjes (oud voor Kees, jong voor Leo) werden afgemaakt met een ansicht vol rijmelarij over het te bezoeken vakantieland. Een kunstig gevouwen briefje van tien completeerden het pakketje liefde voor onderweg. Hoe crea. Ja ja, het duel om een vent kan zelfs de vorm van kaas aannemen. Uiteraard bleef ik 's avonds te lang op, zodat het 's morgens toch minder gezellig werd dan ik me had voorgesteld. 'Opschieten jongens, als je nog iets mee wilt, moet je het nú, ik bedoel dus NU pakken!'. 'Nee, liefje, zo veel knuffels kunnen niet mee.' en 'Hup hup, papa staat zo met de auto voor de deur.'

Klokslag half negen belt papa aan, hij maakt geen gebruik van zijn huissleutel, die hij nog altijd heeft, ondanks dat hij hier al maanden niet meer woont. Zijn nieuwe lief blijft in de auto wachten. Ik zoen mijn ex goedemorgen en druk hem een verse kop koffie in de hand. Terwijl ik de jongens in hun schoenen en jassen praat (veel bewerkelijker dan het even zelf te doen, maar ja, ze moeten het ook léren, toch?), ren ik zelf op sloffen naar de auto, om mijn werkschoenen te pakken. Hierbij duw ik per abuis mijn boezem onder de neus van mijn lieftallige opvolgster. Oeps. Als iedereen startklaar lijkt, neem ik plaats achter het stuur, om het nieuwe gezinnetje naar het station te brengen. Maar dan loopt Keesje nog even doodkalm het huis in met de woorden "Oh, ik ben me stifte vergete, eve zoeke hoor." Wat fijn om zulke relaxte kinderen te hebben. En ìk ben ook niet degene die de Alpentrein moet halen. Neem de tijd.

Met één hand aan het stuur en de autoradio een tikkie te hard, draai ik 'taxi Lehti' de parkeerplaats voor het station op. Ik wandel rustig naar de parkeermeter terwijl vader en zijn lief de koffers uitladen. Bij de trein omhelst Leo me innig. Hij zegt dat ie denkt me te gaan missen en oppert waarom ik niet gewoon mee ga naar de bergen. Dan brengt hij plotseling verschrikt uit dat zijn zonnebril nog in de auto ligt. 'Rennen', brult hij me paniekerig achterna, terwijl ik me een weg baan tussen de mensen op het perron.

Als hij me weer blij aankijkt, met zijn coole bril op zijn neus, zie ik alleen de weerspiegeling van mijn eigen maandagmorgenblik. Een laatste zoen, ook voor vader, schiet mijn opvolgster schijnbaar in het verkeerde keelgat, ze tovert prompt haar laptop tevoorschijn. Vader vingert zich alvast warm op zijn I-phone. Hun beider blikken staan strak op hun apparaten gericht. Wat een zegen moet die nieuwe technologie toch zijn voor al diegenen die zich op dergelijke 'non-momenten' geen houding weten. Als ik haar net iets te lang aankijk, verschijnt er een geforceerd lachje om haar mond. 'Take care of my boys.', zegt ik haar. 'Yes, I will.' Het is haar geraden.

Vanaf het perron maak ik ski-gebaren naar Leo -het lijkt meer op schaatsen- en teken ik smileys voor Keesje op het smerige raam. Mijn vingertoppen zijn al gauw pikzwart. Maar tekenen lukt zo des te beter. Kees probeert hetzelfde te doen maar aan de binnenkant is de trein wèl schoon. Ik zie hoe hij zijn mond wijd opent en blaast. Even later tekent hij een volmaakt hartje op het beslagen raam. Ik glimlach, richt mijn ogen ten hemel en vouw mijn handen voor mijn boezem. Kees lacht terug. Het verse stel lijkt niks te merken, of zouden ze wachten tot de trein wegrijdt ik eindelijk uit beeld ben? Ik gebaar dat de jongens hun jas uit kunnen doen en wijs naar de kapstok (hetzelfde spook van de zelfredzaamheid als bij het schoen aantrekken thuis, nog geen uur geleden). Zij neemt zwijgend hun jassen aan. Ze drapeert ze naast zich op de bank. Het is een geduldig en liefdevol gebaar. Wat een heerlijk relaxte vrouw.

Er wordt gefloten, sissend sluiten de deuren en langzaam zet de trein zich in beweging. Kees en Leo werpen kushandjes naar mij door het raam.

Elf uur later stuurt vader me een sms. Ze zijn goed aangekomen. En de groeten. De tot gister gebezigde kusjes waarmee werd afgesloten blijven veilig daar, ver weg, op vakantie, binnen het gezellige gezin. Dag dag!

dinsdag 1 februari 2011

Toeslagen terreur

Het gaat gebeuren. Vol vertrouwen maak ik een lijstje van regelzaken die deze morgen gedaan dienen te worden. Dat streept zo lekker weg als de dingen gedaan zijn. Het lijkt mee te zitten. Papieren zijn op orde, boekhouder voor vragen bereikbaar en zelfs de opzegging van de kinderopvang, net een dag te laat verstuurd, leverde een half uurtje na indiening een telefonische bevestiging op.

Dat versnelt de zaak nog meer, zo kan ik dit in één moeite door invullen op het digitale wijzigingformulier van de belastingdienst. De site waarop dit papier te downloaden is, is geen toonbeeld van efficiëntie en gebruiksvriendelijkheid. Maar ach, denk ik, als het er te gelikt uit zou zien, zou dat ook van mijn centen zijn gedaan. Nee, het is juist goed dat sites van de overheid ietwat sober ogen. Dat ze traag zijn, neem ik op de koop toe.

Voor de zekerheid bel ik nog even met de dienst zelf. Die tot mijn verwondering direct opneemt: "Er volgt nu een keuzemenu", "sofinummer bij de hand", ach, u kent het wel.
Er wordt besloten met "En, had u verder nog vragen?" Ja ja, die mensen hebben tegenwoordig allemaal een klantvriendelijke anti-agressie training gehad. Maar ze kunnen me dus mooi niet helpen. "Nee, mevrouw dat moet u echt via onze site doen. Ook als het alleen het registratienummer betreft. In het uiterste geval kunt u ook nog persoonlijk langskomen." Ha ha, die is leuk, dus niet telefonisch, wel langskomen!

Ok, om het gevraagde nummer door te geven (zouden ze daarmee pedofielen buiten de deur willen houden), werk ik me eerst door namen, geboortedata en adressen heen. Of er nog iemand werkt, uitkeert, meebetaalt enz. Ik heb alle vier sofinummers bij de hand. Het loopt gesmeerd.

De vraag over het geschatte inkomen van mijn ex -waarmee ik nog wel toegeslagen partner ben via de fiscus-, sla ik eerst even over. Op mijn vraag wat ie verdient (en hoeveel bilharen ie heeft) volgt al snel zijn sms. Ik wil terugkeren naar een eerdere bladzijde, maar, zo waarschuwt men mij, dan gaan er gegevens verloren. Stel je eens voor hoe dat bij een papieren versie zou voelen. Je slaat een bladzijde terug en hopla, alle gegevens uitgegumd. Nouja, niks aan te doen. Wat mot dat mot en de deadline voor dat verrekte nummer was eergister, dus ik móet en zàl zal er doorkomen vandaag. Opnieuw namen, geboortedata en adressen invullen (stapeltjes belasting, contracten e.d. bij de hand). So far so good.

Mooi, nu komt de vraag of ik de opvang wil stopzetten. Ja dus, dat wil ik, maar niet een maand geleden, maar pas over twee maanden. Opzegtermijn, weet u wel. Mijn blijdschap dat ik er dit keer eens op tijd bij ben, in plaats van twee jaar te laat, slaat om als ik zie dat een maand van te voren opzeggen geen optie is. Ook goed, dan de tarieven en opvanguren maar. 'PLOP': 'het sofinummer van Leo kan niet hetzelfde als dat van Keesje zijn'. Oja, verkeerd gekeken zeker, maar weer terug dan. Ja, en nu krijg ik vast weer zo'n waarschuwing over verloren gegevens (alsof ze niet alles al van me weten daar). Maakt niet uit, nog even en ik ken alle data uit mijn hoofd. Oefening baart kunst.

Maar nee, geen waarschuwing dit keer. De bevoogdende fiscus gaat er van uit dat de gegevens voor Leo zijn afgerond. 'Plop': "Voor hoeveel kinderen, naast Leo (o, wat leuk, ze hebben de naam uit een eerder veld hieraan gekoppeld, wat goed zeg, lijkt de postcodeloterij wel), wilt u de opvang stopzetten? Huh, maar ik kòn toch niks stopzetten, waarom nu wel dan?. En waar staat de datum dan?

"Plop!" Een enquête. Of ik tevreden ben over de dienstverlening? Dit keer niet wegklikken Lehti, ik ga ze eens zeggen hoe slecht de site werkt. Het 'slechts één minuutje' voor het invullen is vooruitstrevend ingeschat, maar ik ben er wel mooi wat frustratie mee kwijtgeraakt. Op de plek waar het thuishoort.

Nou, nog maar weer eens tarieven, uren, namen en data van Keesje invullen. "Sofinummer kan niet gelijk zijn aan dat van Leo." Ja, mensen, dat schreven jullie net ook al. Maar Kees heeft het góede nummer, ik wil juist dat van Leo wijzigen, maar dat schijnt niet meer te kunnen. Wat nu? Ik kan niet heen, ik kan niet terug. En ik wilde alleen maar een nummer doorgeven!

Mensen, alsjeblieft, red me van de toeslagenterreur. Was die slogan niet iets met makkelijker en niet leuker? Ik vind dit verschrikkelijk onleuk! Misschien dat mijn werkloze ex kan helpen dit vreselijke programma van een dienst die over woningen (huurtoeslag), gezondheid (zorgtoeslag), kinderen en wat al niet meer van 16 miljoen mensen gaat, te verbeteren. Want zo kan ik natuurlijk nooit iets afstrepen van mijn lijstje. Weet je wat? Ik fiets er morgen even langs. Gaat honderd keer sneller.

zondag 12 december 2010

'Het'

Weet je het al?
Het is niet mis
Laat het toe,
het mag van mij.

Het is aan met haar.
Het is over met jou.
Je laat het gebeuren
Het valt me zwaar.

Vind je het fijn bij mij?
Is het niet meer wat het was?
Gaat het wel een beetje?
En wat wordt het nou?

Het lijkt me heerlijk.
Maar het valt niet te rijmen.
Het is niks gedaan zo.
En het is uit tussen ons.

Het gaat gebeuren.
Het gaat rond.
Het kan verkeren.
En het heeft wel wat.

donderdag 28 oktober 2010

In het park gebeurt het






Daar wordt geknuffeld, gespeeld, gevochten en gelezen. Afhankelijk van in welke levensfase men is. Misschien dat de oude man ook nog vrijt, en de moeder is wellicht te porren voor een robbertje vechten. Maar dat zag ik niet. Dit wel. In Spanje is het park de huiskamer waar jong en oud mag zijn.

dinsdag 6 juli 2010

Voetbalvogels



De blik van die man, likkend aan een ijsje, líjkt die nu zo dwars of is het verbeelding? 'Kijk mij hier nu, ik ben een man, ik loop op straat en lik aan een ijsje, kijk maar goed, jaja, ik ben een zeldzaam exemplaar.'

Naast hem bevolken alleen vogels nog het park. De kroeg waar ik heen wil is gehuld in oranje en de televisie staat er op straat. Het andere café is dicht. Er zit niks anders op dan me te verschansen in het verlaten plantsoen.

Daar zien meeuwen hun kans schoon en pikken pizzaresten uit de dozen die overbleven na een studentenpicknick, een paar uur eerder, toen het park nog vol was. Ganzen dobberen in de vijver, de straten zijn verlaten. Ik vraag me af of de vogels zo hard zingen omdat ze de voetbaltoeters willen overstemmen of omdat ze eindelijk eens het rijk alleen hebben. Op mij en de ijslikker na dan.

maandag 5 juli 2010

Op kamers zonder gereedschap


De stroommeter en draadstripper zijn nog niet retour, de auto heeft Frans al wel terug gebracht. Maar wat heb ik aan vervoer als ik geen gereedschap heb?! Dat ik tevens mijn hele voorraad fittingen en kroonsteentjes aan hem kado gaf, bij wijze van uitzet, is niet zo'n ramp. Die arme jongen heeft het per slot al zwaar genoeg om zijn nieuwe bestaan als kamerbewoner op de rails te krijgen. Maar ik vertik het om ook al het gereedschap nieuw aan te schaffen. Zijn telefoon geeft geen gehoor en tegen beter weten in, vraag ik de voicemail om mij het gereedschap per ommegaande terug te brengen.

vrijdag 2 juli 2010

Oranje erotiek

Lege snelwegen en uitgestorven supermarkten en doe-het-zelf-zaken op een gewone vrijdagmiddag? Weliswaar een boeldhete, maar toch, wat is hier loos? Heel Holland is zich aan het opladen voor de buis want Holland speelt tegen Brazilië. Als Nederland met 2-1 wint gebeurt het, dan volgt de ontlading. Het bier vloeit rijkelijk, er wordt getoeterd en gebruld. Maar er wordt ook omhelsd, geaaid en gezoend door honderdduizenden machomannen. Eindelijk màg het, eens in de vier jaar, als we winnen, mag elke man, elke andere man, omhelzen en bespringen. Al die lieve vrienden die elkaar het liefst teder in een hoekje in hun armen zouden willen sluiten of passievol zouden willen vastpakken, mogen elkaar nu met overgave omarmen. Wat een heerlijke ontlading moet dit zijn voor al die mannen die vastbesloten zijn hun hele leven veilig in de kast te blijven. Het is ze gegund. Leve oranje!

zaterdag 13 maart 2010

Kapotje met zout

We zitten zwijgend naast elkaar. Ik schakel naar de drie en hij kijkt peinzend naar buiten, wil iets zeggen maar weet nog niet goed hoe. Dan zegt hij: 'Heeft Gijs wel eens iets raars opgegeten?' Geschrokken maar vooral nieuwsgierig vraag ik hem wat zijn Poek dan wel opat. Hij antwoordt verbaasd en licht gepikeerd om mijn snelle reactie, waarbij ik zijn ingeplande vertraging in het aansnijden van het werkelijke onderwerp onderuit haal: 'Daar gaat het niet om!' Maar na nog een paar stoplichten zegt hij droog: 'Een condoom.'

Toen hij de dierenarts had gebeld had die aan de andere kant van de telefoon zitten gniffelen. Het advies om het beest te laten kokhalzen met behulp van een lepel zout had hij opgevolgd en korte tijd later kwamen er eerst asperges en vervolgens een condoom uit de kattekeel. Mission completed. Als het niet was gelukt had hij mij gebeld. Ik ben zeker van de ECI: Eerstehulp bij Condoom Indigestie.

Misschien ziet Marianne Thieme van de dierenpartij in dit voorval aanleiding voor een spoeddebat in de Tweede kamer. Staat er straks op de durex: 'Vóór, ná en tijdens gebruik buiten bereik van uw kat of hond bewaren.' Brrrrr.

dinsdag 16 februari 2010

Astrid Joostens verboden chocola

'Geil, dat vind ik nu echt geil, geil....' Steeds opnieuw laat Ruud de Wild het stukje herhalen. Astrid zou het hebben gezegd. Op tv nog wel. Het ging over gesmolten chocola dat uit een toetje loopt, als je het openmaakt, een toetje dat van buiten hard is. En zo was er al gauw een vrolijk bruggetje geslagen naar Joostens boek 'Verboden liefdes'. Over vreemdgaan, door vooral mannen natuurlijk, over 'de ware' en 'elkaar vinden' en over de reden van dit boek.

Ruud vraagt Astrid ernaar per telefoon. Ze had er een item voor tv van willen maken maar de geïnterviewden hadden niet in beeld gewild. Dan maar een boek. En zijzelf?, wilden de luisteraars natuurlijk weten. Nee, Astrid zelf was al jaren trouw aan haar vriend. Wel flirten, geen smsjes, wel verliefdheden, geen brieven. De zelf getrokken sexuele grens, ieders sexuele moraal, is weer een andere. En die 'open huwelijken', die waren volgens De Wild allemaal ongelukkig, dat was logisch.

Het interview is afgelopen en ik stap uit. Ik bel aan, ik sms, ik bel, op zijn mobiele nummers en thuis. Maar hij doet niet open, wil niet open doen. Of is in coma na te weinige uren slaap. Ik verdween hier een paar uur eerder, om zes uur 's morgens, om thuis mijn man af te lossen, die me gister, bij mijn vertrek, veel plezier had gewenst. Ik was ruim op tijd weer thuis geweest om hem uit te zwaaien naar zijn werk, broodtrommels te smeren en met de kleintjes te ontbijten. Als ik ze in de auto naar school breng, pik ik onderweg nog een klasgenootje op, die dreigt te laat te komen.
Ik gaap. Iets had me teruggelokt naar mijn eigen verboden liefde, naar de plaats des onheils. Maar de deur blijft dicht. Als ik langzaam zijn straat uit rij, de weg ligt vol ijzel, hoor ik op de radio dat Astrid Joosten naar haar voordeur loopt. Ze roept naar haar man om vooral niet open te doen, dat het voor háár is. Ze krijgt een chocoladetaart cadeau. Die moet alleen nog even worden opgewarmd, instrueert afzender Ruud haar door de telefoon, dan smelt ie van binnen.

maandag 8 februari 2010

Verse bejaarden, oude verhalen

Een jaar geleden kuste ik haar perkamenten wang en pakte iets lekkers bij haar uit de kast. (zie: wederzijdse zorg)
Nu neem ik mijn eigen thermos mee naar een zelfde soort flat. Ik moet de woning klaarmaken voor een nieuw oudje, bejaarde, dame op leeftijd...of hoe wil een vrouw van drie kwart eeuw worden aangeduid, die nog verre van levensmoe is maar wel toe is aan een kleinere woning?

De lift, de lucht, het gezoem van de openslaande deuren, alles lijkt op het huis van mijn oma, die er niet meer is. Maar zo vol als het bij oma was, zo leeg is het nog hier. Het huisje klinkt hol, het behang is vaal, het tapijt van de vorige bewoonster is zorgvuldig van de betonnen vloer gekrabt. Ik mag het opnieuw schilderen en stofferen. Zodat zij haar statige huis zal kunnen achterlaten, waar haar man stierf, waar haar boeken zijn, en die grote meubels, die nu weg moeten, anders past ze niet in de nieuwe flat.

'Nee', zegt de nieuwsgierig geworden buurvrouw, 'ik heb geen last van de bouwradio en dat mens aan de andere kant is ook nagenoeg doof, dus maak je vooral geen zorgen.' Even later belt de halfdove vrouw aan om te vragen of ik iets warms bij me heb. Pas zes uur en twintig liter latex later besef ik pas dat dit waarschijnlijk een omslachtige manier was om me uit te nodigen voor een kop koffie. Zo'n vrouw is misschien de hele dag alleen thuis en zit wellicht verlegen om een praatje.

Als ik na gedane arbeid bij de dove buuf aanbel, voor 'iets warms', doet ze de deur niet open. Opnieuw komt de nieuwsgierige buurvrouw over de galerij. Haar kleine keffertje loopt langs mij heen naar binnen, het lege huis in. Het hondje kan mijn werk wellicht beter inspecteren dan mijn opdrachtgever, want die is bijna blind.

Op de bouwradio wordt melding gemaakt van het burgerinitiatief van voormalige politieke vijanden Hedy d'Ancona en Frits Bolkestein. Het gaat over de zeggenschap over het beëindigen van je eigen leven 'als je vindt dat je leven af is.'

Terwijl ik de laatste verfspetters wegpoets vraag ik me af hoe dat zou voelen: 'af' zijn. Zou je dan ook niks meer te vertellen hebben? Of zou je denken dat anderen je verhalen niet meer willen horen of dat ze te oud of gedateerd zijn? En als er nog wel naar je wordt geluisterd, er nog oprechte belangstelling is voor je verhalen, zou je je dan toch 'af' voelen? Of zou ik dan, onder het genot van 'iets warms' met 'iets lekkers' graag vertellen over vroeger, van voordat mijn leven 'af' was. Over de boeken van de Beauvoir, mijn leven in den vreemde of zondagmiddagwandelingen, over liefdes, over inzichten?

Ik luister nu naar de vrouw met het hondje. Haar kinderen pikten elkaars vrouw in, en ze spreken elkaar nu niet meer. En de vent aan wie één van die kinderen haar koppelde ('je hoeft niet zo lang alleen te zijn, mam') heeft haar geld er doorheen gejaagd in de kroeg, zodat ze, berooid, alleen nog maar naar deze flat kon. Als ze mijn laatste kop thee uit mijn thermos heeft opgedronken zwaait ze mij uit tot ik uit beeld ben.

Zo lang er iemand luistert is niemands leven af.

maandag 11 januari 2010

De blikvanger van Doebai

Precies een week geleden, op de eerste maandag van dit jaar, stond er op de voorpagina van Trouw een foto van een groep mannen. Ze hebben zwarte haren, één draagt een mooi moslimmutsje en op hun bovenlip prijken pluizige schaamhaarsnorretjes. Het is er ook warm, in dat land, want de man die het meest prominent in beeld is, heeft de mouwen van zijn overhemd opgerold. Hij kijkt in de camera, zijn armen stijf over elkaar en lijkt, met één schouder naar de toeschouwer gedraaid, expres vóór de andere aanwezigen te willen gaan staan. Maar wat nog het meest opvalt is zijn blik. Hij houdt zijn hoofd licht scheef en heeft een flauwe glimlach, die twee hazetanden ontbloot, zijn oogleden staan een beetje lijzig. Hij kijkt niet geschrokken, angstig of agressief, nee, het is een blik die de kijker moet verleiden en, in dit geval, misschien de maker van de foto. Dit is een flirter, een haantje, iemand die alles wat hem aan zelfverzekerheid rest in de blik legt en ook, al dan niet bewust, de kijker het zicht op de concurrende haantjes ontneemt. De fotografe moet haast wel een vrouw zijn.

'Gevangen door schulden in Doebai', luidt het onderschrift. De mannen zullen dus wel weinig loslopend vrouwvolk tegenkomen, en zeker niet één die een camera op hen richt. Maar ik vermoed dat vrouwen, vooral onder buitenlandse persfotografen, zeker in islamitische landen, in de minderheid zijn.

'Jetteke van Wijk', prijkt er onder de foto. Een nadere uitleg over het wel en wee van de geportetterdden leert me dat de man met de geile blik inderdaad niet het onderwerp is, maar de mannen die hem links en rechts flankeren, waar hij pontificaal voor is gaan staan. Gulwahab uit Pakistan en Robiul uit Bangladesh. Beide als werkloze gastarbeiders in Doebai. 'Ze kunnen hun familie niet onder ogen komen' en blijven dus in hun gastland.

Op diezelfde 4 januari werd de grootste bewoonde pik ter wereld onthuld; een toren van 800 meter hoog. Talloze gastwerkers uit Zuid-Azië werkten er aan mee. Drie miljard euro kostte deze blikvanger. Vijftig miljard euro is de schuld van Doebai. Het voornaamste doel is om in beeld te komen.

vrijdag 8 januari 2010

Onthaasten op donderdag

Vanmorgen voelden de voorste delen van mijn hersenen nattigheid toen ze de combinatie 'in bed + buiten al licht' hadden geregistreerd. Het leek niet in overeenstemming met het dagritme zoals dat in mijn diepere grijze cellen leek te horen. Maar gut, wat voor dag was het eigenlijk? Juist, een doordeweekse donderdag.....alle gezinsleden hebben zich dus collectief verslapen! Paniek!

Hetgeen resulteerde in staccato commando's (jongens opschieten, brood smeren, melk drinken, tas/jas/muts pakken!), gejengel over ritsen die niet dicht wilden (ik wil die broek niet aan!) en chocopasta op slaperige wangetjes. De fietsketting lag er af, het knmi-advies (ga de weg niet op als het niet echt moet!) sloeg ik in de wind en ik liet iedereen instappen aan bestuurderskant (vastgevroren sloten) van de witbesneeuwde auto.



Na het record 'van-bed-naar-school' te hebben gebroken merkte de buuf droog op dat men in verslaapgevallen het beter rustig aan kan doen, want dat de strijd dan toch al als verloren beschouwd moet worden. Hoe waar! Zoals mijn leraar psychologie ooit zei: 'Àls je te laat komt, doe het dan ook goed; vijf minuten is gewoon dom, met een uur is het pas serieus.' Maar de stress waarde al rond na het ontwaken uit een voor iedereen veel te korte slaap (i.v.m. met zware nachtelijke gesprekken met nachtbrakende puberkinderen)



Bij gebrek aan werk in verband met vorstverlet besloot ik het advies van de buuf alsnog ter harte te nemen. Ik ging onthaasten in de dichtstbijzijnde super. Loom liep ik langs al het uitgestalde eten en nadat ik me thuis van mijn besneeuwde schoenen had ontdaan, kroop ik met een verse kop koffie achter mijn krant. Genieten.