Een pot nutella. Twee nieuwe sportschoenen, netjes naast elkaar op hun doos. Vuilniszakken. Met oude schoenen er in, of het bonnetje van de nieuwe. Of van de nutella. Voetstappen over het puin, de wind. Er is niets dat zo beklemmend is, dat zo duidelijk laat voelen hoe het moet zijn als de aarde trilt, als een stomme film over iets waar tot gister leven was. Niet ineengestrengelde overledenen of een oma die haar kinderen beschermt. Nee, het is de stilte, water dat uit een gesprongen waterleiding loopt (min.1.30) in dit filmpje over Illica dat tot de verbeelding spreekt.
Nadat de wind en de voetstappen over het puin zich in je hoofd hebben genesteld, rijst bij mij ongewild de vraag: Hoe nu verder? Niet alleen met de verliezen, begrafenissen, nieuwe slaapplek zoeken, de rouw... maar wat gebeurt er met zo'n dorp? Wordt het opgeruimd? Gaat er ooit nog iemand wonen?
In het geval van Illica denk ik dat de meeste mensen tijdelijke toeristen waren. Ooit geboren in de bergen en als arbeidsmigranten/ gelukszoekers weggetrokken naar de grote stad. Om vervolgens elke zomer, net als veel Turkse en Marokkaanse gezinnen doen, terug te gaan naar hun geboortegrond. Vol mooie verhalen en kado's. Rome biedt welvaart maar is in de zomer veel te heet. En in Illica groeien vast gratis vijgen en komt het water uit de bergen. De matrassen die uit de opengereten huizen steken, lijken ook niet te zijn beslapen, maar in afwachting van stads bezoek. Netjes afgedekt tegen stof en schorpioenen.
Misschien blazen ze Illica wel op. Om te voorkomen dat de bewoners er hun spullen komen zoeken en er nog meer doden vallen door instortende huizen. Zoals ze achtenveertig jaar geleden deden met Gibellina. Waarna de burgemeester het dorp liet volstorten met beton. Bij wijze van kunstvorm. Toen ik er vijf jaar geleden in rondliep, bleek dezelfde burgemeester een week eerder te zijn vermoord. Twee locals vertelden vol vuur over de beste man, en ze namen ons mee naar een ander verwoest dorp, waar nog geen beton was gestort. Ook daar lagen schoenen en wielen en stonden schoolbankjes. Ook daar waaide het en was het stil. We aten rijpe vijgen in verlaten straten. Die daar al een halve eeuw zo bij liggen.
Huizen. Ze moeten beschermen. Tegen kou, hitte en indringers. Maar als de aarde trilt, wordt het huis je grootste vijand. Italië kent een lange historie van aardbevingen. 2016, Illica, 1968 Gibellina. Maar wie echt een beeld wil krijgen van de alles vernietigende kracht van een aardbeving, moet de ramp van Messina op zich in laten werken. De aarde trilde dertig seconden. Negentig procent van de bebouwing ging tegen de vlakte. Mensen vluchtten naar de kust. Daarna volgde een tsunami. Schattingen van de slachtoffers schommelen tussen de vijftig en tweehonderdduizend. Elders in Italië had men dagenlang geen idee van de omvang van het ramp. Er was geen voedsel, geen water, geen hulp, geen communicatie, er was brand, het was koud en het regende.
Toen Messina in 1909 weer werd opgebouwd, werden de weinige overlevenden over Italië verspreid. Achthonderdvijftig van hen vertrokken per schip naar New York. Het schip, de 'Florida', kwam onderweg in aanvaring met een ander schip. Er brak paniek uit en er vielen drie doden. De anderen bouwden in de VS een nieuw bestaan op.
zaterdag 27 augustus 2016
maandag 22 augustus 2016
Wasvrouwen anno 2016
Een paars kindersandaaltje zonder voet er in. “Watch out, it's slippery” zegt een vrouw tegen het meisje dat kennelijk bij het sandaaltje hoort. In prachtig Engels. Niet het onverstaanbare Engels dat deze zomer wordt gebrabbeld op luxe campings aan de Kroatische kust door opgeschoten Italiaanse jochies. Het meisje sputtert, de moeder sust. Aan de andere kant van het trespa schot sta ik bloot onder een te hete douche.
Ik droog me af, zet mijn bril op en lees eindelijk de instructie op het bordje aan de muur: -GELIEVE DE RUIMTE NA GEBRUIK TE VERLATEN- De Engelse moeder met kind gaan weg. Twee pubermeiden komen in hun plek: “Deze twee zijn nog vrij, ik hou ze wel bezet.”
Niemand ziet mij.
"Je moet het eigenlijk wel tegen hem zeggen hoor."
"Ja, dat weet ik, maar dat kan ook gevaarlijk zijn.”
"Ben je daar nog geweest?”
"Shit, ik heb geen crèmespoeling bij me.”
"Je mag de mijne wel gebruiken.”
"O, echt?”
"Ja hoor, in welke zit je?”
"In de vierde. En jij?"
"Ok, let op...”
Bloot maakt loslippig. Of zouden het de doucheschotten zijn? In elk geval kan het meisje van wie ik de schuimkoppen onder mijn voeten door naar het putje zie drijven goed mikken. Ook ik heb geen crémespoeling. Maar ook geen vriendin die het naar me kan gooien. Want ik ben opnieuw met vijf mannen op vakantie. Ik krijg geen fles op mijn hoofd. Zwijgend verlaat ik de doucheruimte.
Bij de kapper was ik in geen jaren. Mijn haar met shampoo wassen doe ik zo min mogelijk. Föhnen is ook zo'n gedoe. De spiegel is beslagen. Mijn bril ook. Ik haal mijn haar los en ga het borstelen. Dat kan ik best blind. Het duurt langer dan de douche.
Ik draai mijn haren in een knoet en laat de gecremespoelde dames alleen.
Ik droog me af, zet mijn bril op en lees eindelijk de instructie op het bordje aan de muur: -GELIEVE DE RUIMTE NA GEBRUIK TE VERLATEN- De Engelse moeder met kind gaan weg. Twee pubermeiden komen in hun plek: “Deze twee zijn nog vrij, ik hou ze wel bezet.”
Niemand ziet mij.
"Je moet het eigenlijk wel tegen hem zeggen hoor."
"Ja, dat weet ik, maar dat kan ook gevaarlijk zijn.”
"Ben je daar nog geweest?”
"Shit, ik heb geen crèmespoeling bij me.”
"Je mag de mijne wel gebruiken.”
"O, echt?”
"Ja hoor, in welke zit je?”
"In de vierde. En jij?"
"Ok, let op...”
Bloot maakt loslippig. Of zouden het de doucheschotten zijn? In elk geval kan het meisje van wie ik de schuimkoppen onder mijn voeten door naar het putje zie drijven goed mikken. Ook ik heb geen crémespoeling. Maar ook geen vriendin die het naar me kan gooien. Want ik ben opnieuw met vijf mannen op vakantie. Ik krijg geen fles op mijn hoofd. Zwijgend verlaat ik de doucheruimte.
Bij de kapper was ik in geen jaren. Mijn haar met shampoo wassen doe ik zo min mogelijk. Föhnen is ook zo'n gedoe. De spiegel is beslagen. Mijn bril ook. Ik haal mijn haar los en ga het borstelen. Dat kan ik best blind. Het duurt langer dan de douche.
Dan komt het meisje uit het tweede hokje. Ze heeft haar haar kunstig in een tulband gedraaid. Haar armen zijn vol kleren en een open toilettas. Ze laat iets vallen. Kleren. Die nu nat worden.
"Fuck it" sist ze.
Een onzekere stem uit nummer vier vraagt vertwijfeld waarom het opeens zo stil is. het fuck-it meisje zegt niks. Wat kan ze zeggen?: "Ssst, Kim/ Britt/ Chantal, er staat hier een langjarige heks met beslagen bril voor een spiegel waar je niks in ziet. Ze kwam met droge haren onder de douche vandaan. Ze luistert ons vast af."
Ik draai mijn haren in een knoet en laat de gecremespoelde dames alleen.
dinsdag 2 augustus 2016
Ontdekkingen onder de pergola
Wie zich bezighoudt met het plukken van een kip, kan dat beter niet gelijktijdig doen met het spelen van een spelletje wordfeud. Dat was de ontdekking van deze week. Want ik mag inmiddels aardig bedreven zijn in het leggen van lettertjes met tegenspelers in Amsterdam, Groningen en zelfs Estland (gezegend zijt gij, ons onvolprezen internet), de archaïsche kunst van het naar de andere wereld helpen van een legkip die vanwege een doorgeslagen broedbehoefte niet meer nuttig is in de heuvels van Umbrië, beheers ik verre van volmaakt. Ook vereisen beide bezigheden een hoge mate van vingervlugheid. En er is het risico dat het spelbord- ook wel smartphone geheten- in een pan vol veertjes valt.
Werk gaat voor.
Wat moet dat moet.
Hoewel....'werk'? 'móeten'?, Het hangt meer samen met een andere vaardigheid die bij mij ook nog enige verfijning behoeft: Nee kunnen zeggen. En zondag ging dat mis. Dus was daar opeens die kip. Met de vraag of ik daar soep van kon maken. "Ja, natuúrlijk!"
"Wil je dat ik haar alvast voor je doodmaak, dan hoef je thuis alleen nog maar te plukken." Nee hoor, niet nodig. Daar draai ik mijn hand niet voor om. En het idee om met een dode kip in de achterbak van een geleende, gelikte Opel rond te rijden, trok me nog net iets minder dan met een levend exemplaar.
De terugweg vanaf de berg met de honderden bochten (Leo: "Het lijkt hier wel een achtbaan"), ging een stuk vlotter dan heen. Te meer omdat er naast Leo ook een Italiaans jochie achterin zat dat opeens vreselijke haast had om met ruim dertig graden 's middags te gaan voetballen. Ik liet Leo thuis achter met de doos met de kip en spoedde me heen en weer naar het voetbalveld. (Morgen maar eens een blik op die oude fiets werpen. Kan ie zelf naar het sportveld fietsen.)
Ik zette thuis twee pannen water op. Eén voor het plukken en één voor de soep. Leo had de doos binnen op het aanrecht gezet. "Nee, niet gluren." (Je zoon zal zich zowaar gaan hechten aan het hoen. 'Flappie' plopt spontaan omhoog).
Maar niet alleen met gevoelige pubers dient men rekening te houden. Ook een trouwe lezer van dit blog gaf me te kennen geen plaatjes van het tafereel te hoeven zien. En wat is een verhaal meer dan een uitgeschreven foto? Waarbij dan ook weer de vraag rijst wie de foto had moeten nemen. Leo niet. En een 'slachtselfie' leek me ook geen fijn gegeven. Mede omdat men daarvoor weer die smarte phone nodig heeft. Beter is het om gelijk over te schakelen naar de soep. (Ik meen dat in de tekst van Flappie ook de daad ontbreekt.)
"Soep? In de zomer?" klonk het verbaasd in de boerenfamilie. (Maar zoiets zeiden ze ook toen ik kaas over de pasta met vis raspte en -bij gebrek aan olie- mayonaise in de sla wilde doen).
Ze smulden er van. Ook mijn eigen boer had een aanloopje nodig. Maar dat had een andere oorzaak.
"Ik vind het niet zo'n fijn idee."
"Ja, laat maar een beetje proeven"
"Nee, doe toch maar niet".
"Of, nou ja, doe toch maar wel."
Een paar dagen later zit ik opnieuw onder de pergola. Alwaar de wifi verbinding nog net bereik heeft. Ik doe nog meer ontdekkingen:
Dat krekels ophouden met tjirpen als er onweer op komst is.
Dat 'chique' het anagram is van 'quiche'.
En dat natte kippenveertjes blijven hangen in het gras.

Werk gaat voor.
Wat moet dat moet.
Hoewel....'werk'? 'móeten'?, Het hangt meer samen met een andere vaardigheid die bij mij ook nog enige verfijning behoeft: Nee kunnen zeggen. En zondag ging dat mis. Dus was daar opeens die kip. Met de vraag of ik daar soep van kon maken. "Ja, natuúrlijk!"
"Wil je dat ik haar alvast voor je doodmaak, dan hoef je thuis alleen nog maar te plukken." Nee hoor, niet nodig. Daar draai ik mijn hand niet voor om. En het idee om met een dode kip in de achterbak van een geleende, gelikte Opel rond te rijden, trok me nog net iets minder dan met een levend exemplaar.
De terugweg vanaf de berg met de honderden bochten (Leo: "Het lijkt hier wel een achtbaan"), ging een stuk vlotter dan heen. Te meer omdat er naast Leo ook een Italiaans jochie achterin zat dat opeens vreselijke haast had om met ruim dertig graden 's middags te gaan voetballen. Ik liet Leo thuis achter met de doos met de kip en spoedde me heen en weer naar het voetbalveld. (Morgen maar eens een blik op die oude fiets werpen. Kan ie zelf naar het sportveld fietsen.)
Ik zette thuis twee pannen water op. Eén voor het plukken en één voor de soep. Leo had de doos binnen op het aanrecht gezet. "Nee, niet gluren." (Je zoon zal zich zowaar gaan hechten aan het hoen. 'Flappie' plopt spontaan omhoog).
Maar niet alleen met gevoelige pubers dient men rekening te houden. Ook een trouwe lezer van dit blog gaf me te kennen geen plaatjes van het tafereel te hoeven zien. En wat is een verhaal meer dan een uitgeschreven foto? Waarbij dan ook weer de vraag rijst wie de foto had moeten nemen. Leo niet. En een 'slachtselfie' leek me ook geen fijn gegeven. Mede omdat men daarvoor weer die smarte phone nodig heeft. Beter is het om gelijk over te schakelen naar de soep. (Ik meen dat in de tekst van Flappie ook de daad ontbreekt.)
"Soep? In de zomer?" klonk het verbaasd in de boerenfamilie. (Maar zoiets zeiden ze ook toen ik kaas over de pasta met vis raspte en -bij gebrek aan olie- mayonaise in de sla wilde doen).
Ze smulden er van. Ook mijn eigen boer had een aanloopje nodig. Maar dat had een andere oorzaak.
"Ik vind het niet zo'n fijn idee."
"Ja, laat maar een beetje proeven"
"Nee, doe toch maar niet".
"Of, nou ja, doe toch maar wel."
Een paar dagen later zit ik opnieuw onder de pergola. Alwaar de wifi verbinding nog net bereik heeft. Ik doe nog meer ontdekkingen:
Dat krekels ophouden met tjirpen als er onweer op komst is.
Dat 'chique' het anagram is van 'quiche'.
En dat natte kippenveertjes blijven hangen in het gras.

zondag 24 juli 2016
Kijken naar wat kwijt lijkt
De bril van mijn moeder is vaak kwijt. En die van mijn tante. En die van hun moeder ook. Wat zeg ik? Die oma was zelfs eens haar gebít kwijt. Toen we haar eens hadden meegetroond naar een Franse blootjescamping. Het gebit kwam weer boven water. En de brillen meestal ook.
Thuis dirigeerde ik de jongsten zonder te douchen naar bed. Ook geen verplichte tekencontrole meer. Ik viel uit mijn rol van schattige dikke Pokemon en zei hardop: 'Ik ben niet blij'. Chagrijnig hing ik bij zoon Leo op schoot voor de buis en fantaseerde over een nachtelijke tocht naar het meertje. Met schepnet. Toen zette Leo, met een nauwelijks onderdrukte grijns, mijn mooie rode bril weer op mijn neus. Hij lag nog in de badkamer. Moeder zijn is soms best fijn.
De bril van mijn vader is nooit kwijt. Hij heeft 'm altijd op. Hoewel in één van de twee glazen gewoon glas zit. Want hij mist op zijn beurt dan weer een oog. Foutje met een schaar in zijn jeugd. Ook zijn kunstoog raakt hij nooit kwijt, dat ligt gewoon elke dag in een zakdoek onder zijn kussen. Wat misschien wat creepy klinkt, maar wat mijn zus en ik als kind doodnormaal vonden.
Nu ik zelf gestaag richting de vijftig ga, wordt ook mijn zicht minder. Al heb ik nog wel beide ogen. De onlangs aangeschafte varifocus bril is dan ook een prachtige prothese. Onmisbaar voor als ik uit het raam leun om scharnieren uit te beitelen in het kozijn van een dakkapel maar ook niks wil missen van wat er zich zes meter onder mij afspeelt. Of bij het hanteren van de haakse slijper. Als ik 'per ongeluk' vergeet een veiligheidsbril op te zetten. Maar in mijn vrije tijd is zo'n ding soms lastig.
Vooral in die gevallen waarbij je ontdekt dat ie er niet meer zit. Op je neus. En je juist na een lange werkweek met drie boeken én de zaterdagkrant aan de waterkant bent neergestreken. En, dat is nog het meest verontrustende, je even te voren een duik nam in het troebele water. Wat je nooit doet. Maar het water was dit keer zo heerlijk pislauw. En de eveneens in drievoud meegekomen puberjongens leken zich ook nog te laten overtuigen door moeders duik. Zodat ik hoopte om voor het eerst deze week ongestoord een hele bladzijde en/of artikel uit te kunnen lezen zonder een verdwaalde bal op hoofd.
Tegen beter weten in schuifelde ik nog wat heen en weer over het baggerzand in het ondiepe water. U kent dat wel. Van dat water waar je op twintig centimeter diepte al niks meer ziet. Laat staan een bril. Eén van de jongens bood nog aan om even voor me naar huis te fietsen om te kijken of ie daar misschien nog lag. Hoe lief.
Maar zonder bril. Zonder boek. Zonder krant en zonder medebadgasten was er ook genoeg te zien. Zwemmende jongens. Een reiger, meeuwen en een kiekendief. Twee zwemmende oma's. De stadsbus aan de overkant en langs wandelende groepjes mensen. Die ook iets zochten. Wat ik niet kon zien. Zelfs niet als ik mijn bril had gehad.
Maar zonder bril. Zonder boek. Zonder krant en zonder medebadgasten was er ook genoeg te zien. Zwemmende jongens. Een reiger, meeuwen en een kiekendief. Twee zwemmende oma's. De stadsbus aan de overkant en langs wandelende groepjes mensen. Die ook iets zochten. Wat ik niet kon zien. Zelfs niet als ik mijn bril had gehad.
Beestjes. Monsters, De pubers zeiden giechelend dat ik een beetje op een .... god hoe heet dat Pokemon beest nou? Die dik schijnt te zijn en schattig. Ik vond het allemaal best. Ik keek, En zag. Er werd gebasketbald om chips en naar de overkant gezwommen. Zonder leesvoer was ik degene die als eerste uitbundig zwaaide.
Thuis dirigeerde ik de jongsten zonder te douchen naar bed. Ook geen verplichte tekencontrole meer. Ik viel uit mijn rol van schattige dikke Pokemon en zei hardop: 'Ik ben niet blij'. Chagrijnig hing ik bij zoon Leo op schoot voor de buis en fantaseerde over een nachtelijke tocht naar het meertje. Met schepnet. Toen zette Leo, met een nauwelijks onderdrukte grijns, mijn mooie rode bril weer op mijn neus. Hij lag nog in de badkamer. Moeder zijn is soms best fijn.
zaterdag 16 juli 2016
quinze juillet
Tussen Anouk, Willy Chirino en Billy Joel door groeien druiven. Ook de hortensia is prachtig paars. Van de paprikaplantjes is weinig over maar ik plukte vanavond wel een kilo kruisbessen. 'Uva spina' wordt die in Italië genoemd. 'Druif prik'.
Mijn armen zitten nu vol krassen.
De muziek is niet voor mij bedoeld. Maar ik geniet er van. Wellicht omdat ik zelf geen behoorlijke stereo heb. Of geen goeie cd's. Of spotify nog niet heb uitgevogeld of een zender gestreamd en niks podcast.
Vierentwintig uur geleden vierde Frankrijk feest. Quatorze juillet. Ironisch genoeg op de verjaardag van een bestorming. Het vuurwerk was voorbij. En toen werden feestgangers omver gemaaid met een truck. Waarin naast een gewelddadige vader van drie kinderen ook een geweer lag. En zijn fiets. Want ook moordenaars fietsen.
Dwars door de liedjes heen vliegen zwaluwen. Nog net niet zo hoog als de zilveren vogel erboven. Die vast niet over de Oekraïne vliegt. En vast ook niet over Turkije. De Boeing vangt het laatste licht van deze zaterdag.
Misschien is dat de reden dat ik geniet van de feestende kakafonie om me heen. Mensen willen dansen, zingen, feesten. Lol maken. Met anderen. Voor anderen. Omdat het fijn is.
Mijn vriend komt terug van een avondje uit eten met zijn ex en hun jongens. Hij fietst de tuin in en gaat naast me zitten.Ik voer hem verse kruisbessen en bosaardbeitjes. Drie jaar geleden keken we in Frankrijk met onze jongens naar vuurwerk. Er was een brug. Er was een luchtkussen. Wij sprongen en lachten met ons zeskoppige samengestelde gezin tot het bijna leeg was. Daarna kropen we, doorrookt van het kampvuur, dicht tegen elkaar aan in de tent.
Op de achtergrond hoor ik Kenny B.
Een frisse morgen in Parijs.
De muziek is niet voor mij bedoeld. Maar ik geniet er van. Wellicht omdat ik zelf geen behoorlijke stereo heb. Of geen goeie cd's. Of spotify nog niet heb uitgevogeld of een zender gestreamd en niks podcast.
Vierentwintig uur geleden vierde Frankrijk feest. Quatorze juillet. Ironisch genoeg op de verjaardag van een bestorming. Het vuurwerk was voorbij. En toen werden feestgangers omver gemaaid met een truck. Waarin naast een gewelddadige vader van drie kinderen ook een geweer lag. En zijn fiets. Want ook moordenaars fietsen.
Dwars door de liedjes heen vliegen zwaluwen. Nog net niet zo hoog als de zilveren vogel erboven. Die vast niet over de Oekraïne vliegt. En vast ook niet over Turkije. De Boeing vangt het laatste licht van deze zaterdag.
Misschien is dat de reden dat ik geniet van de feestende kakafonie om me heen. Mensen willen dansen, zingen, feesten. Lol maken. Met anderen. Voor anderen. Omdat het fijn is.
Mijn vriend komt terug van een avondje uit eten met zijn ex en hun jongens. Hij fietst de tuin in en gaat naast me zitten.Ik voer hem verse kruisbessen en bosaardbeitjes. Drie jaar geleden keken we in Frankrijk met onze jongens naar vuurwerk. Er was een brug. Er was een luchtkussen. Wij sprongen en lachten met ons zeskoppige samengestelde gezin tot het bijna leeg was. Daarna kropen we, doorrookt van het kampvuur, dicht tegen elkaar aan in de tent.
Op de achtergrond hoor ik Kenny B.
Een frisse morgen in Parijs.
Labels:
aardbeien,
Frankrijk,
kruisbessen,
quatorze juillet,
tuin,
vuurwerk,
zomer
woensdag 6 juli 2016
Gemist
Rijdt u auto? Of reed u er vroeger in? Op vakantie met ouders. Of kinderen. Naar uw werk, voordat u ontdekte dat dat met de fiets of trein veel handiger gaat? Dan kent u vast het verschijnsel van de teller. Van de de honderdduizend halen. Of allemaal achten achter elkaar. Of een 'een grote straat': 123456. Spannend!
Ja ja ja....
Allemaal kijken jongens,
Daar gaat ie!!!
Tegenwoordig is dat een stuk minder opwindend. Want kilometertellers, maar ook elektriciteitsmeters, zijn nu meestal digitaal. En dan zíe je het natuurlijk niet echt. Zo'n wieltje dat tergend langzaam, met allemaal halve negens, richting die honderdduizend kruipt. Alsof ie er voor moet wérken. Waar je dan, op het moment suprême, natuurlijk naar vergeet te kijken. En dat er dan zoiets knulligs als 123462 staat. Waar geen lol aan is. Je geeft per slot ook geen feestje als je dertig jaar en zestien weken en drie dagen oud wordt. Ik voel me nu al bezwaard dat ik met het behalen van mijn zesenveertigste levensjaar eigenlijk geen reden heb om iets te vieren. Zeseenvéértig, wat is dat nou voor knullige mijlpaal. Het is geen Sarah. En ook niet bijna.
Maar aangezien ik nooit afstudeerde, trouwde of mijn kinderen liet dopen, blijven er dan verder weinig andere redenen over voor een feestje. Soms moet je die dan maar verzinnen. En net zoals er in de talkshows gepraat wordt over de talkhow die over de talkshow gaat. (waarom heet dat eigenlijk geen praatshow?), zo is ook mij enig navelstaarderig Droste-effect niet vreemd.
Want, dames en heren, trouwe lezers en toevallige passanten. Na negen jaar bloggen heeft deze site de honderdduizend bezoekers gehaald! En om het extra spannend te maken. Jullie kwamen hier niet met honderdduizend -dat moment heb ik uiteraard gemist- maar met honderduizendzesentachtig. Voilá!


En de kat ving haar elfde muis (maar daar kon ze niet bij want ik sloot haar op)
En ik ging voor de zevenentwintigste keer naar Italië (maar bereikte de floating piers niet)
En ik maak voor de achttiende keer het eindfeest van de basisschool mee.
Mijn bus staat voor de zesde keer bij de garage.
Zodat ik met een drieëndertig jaar oude leenauto op klus ga.
Ik schreef mijn driehonderdenvierde rekening uit.
Maakte anderhalf potje jam
Plette de honderd dertiende naaktslak
En miste, net als ieder ander, nog een hoop andere mijlpalen.
Zonder paal en zonder mijl.
Hoera!
woensdag 22 juni 2016
Na de HWA nu VIP van Christo
Donderdagmorgen. Ik app mijn ex. Of hij wil helpen met het vervoeren van een vijf meter lange buis. Voor het afvoeren van hemelwater. In normaal Nederlands ook wel regenpijp genoemd.
Voor dit vervoer had ik natuurlijk de inmiddels geleverde dakdragers op mijn auto kunnen monteren. Ook had ik de pijp, mits ik over een vooruitziende blik had beschikt, online kunnen bestellen en laten afleveren op het werkadres. Of, nog slimmer, ik had een half jaar terug mijn kleinere klusbus niet moeten verruilen voor de huidige. De oude voldeed immers nog prima en, niet onbelangrijk, er zat een imperiaal op. Waar ik de afgelopen acht jaar vele deuren, balken, plaatmateriaal en niet te vergeten, hemelwaterafvoerpijpen, op had vervoerd. Maar nee, ik moest zo nodig groter, nieuwer, hoger, luxer. Toegegeven, de muziek klinkt een stuk lekkerder. En de instelbare bijrijdersstoel is handig voor als Kees een dutje doet. Fiets achterin. Perfect geregeld. Maar dus niet voor klussen waar lang materiaal voor nodig is.
Hij schreef terug dat hij wel wilde helpen. De winkel lag tweehonderd meter aan de ene kant van zijn huis, het werkadres lag driehonderd meter de andere kant op. Het was een mooie stunt geworden. Met zo'n grijze buis dwars door de stad lopen. Er doorheen praten. Letterlijk. Oversteekplaatsen, stoplichten, fietsers die er onderdoor duiken. Een soort choreografie van de bouw. Ik had al voorpret bij de gedachte. Maar ik zegde mijn ex af. Want in mijn inpandige stortplaats die voor 'werkplaats' moet doorgaan, vond ik tussen de gipsplaten en rollen isolatie ook nog een stuk pijp van de juiste diameter. Nieuw stuk er bij kopen. Onderling verlijmen en voilà. Geen dakdrager, ex of oude bus meer nodig. Aldus geschiedde. Dus sorry stadjers, ik heb jullie dit stukje theater door de stad onthouden.
Als jullie dit lezen is het inmiddels een week later. En ben ik er tussenuit geknepen om over kunst te lopen. Op het water. Christo had zijn 'floating peers' eerst in Buenos Aires willen bouwen, daarna Tokyo, en nu is het dus toch het Lago d'Iseo geworden. En net als ik daar toevallig ben, blijkt Christo er, nadat hij het concept al bedacht in mijn geboortejaar, er zijn kunst te hebben geopend. Voor twee weken. En de mensen met wie ik er heen ga, kennen mensen, die weer mensen kennen en ....
Nou ja, ik snap er niet veel van, want de toegang tot Christo's kunst is altijd gratis. Maar toch schijnen we een soort Vip behandeling te krijgen. Maar misschien heeft dat ook met het verwachte aantal bezoekers te maken. Eén miljoen in twee weken. En zo loop ik dus niet met een grijze regenpijp door de stad maar over een dahliagele pier op het water. Dit kunstwerk is als een surrealistisch sprookje.
Wel vreemd dat het monteren van drie dakdragers me kennelijk meer moeite kost dan het lopen over de rug van een walvis (zoals de kunstenaar het zelf zegt). Ook apart dat ik boven dit stukje de titel 'slakkensoep' intypte. En dat ik het over aardbeien had willen hebben.
Aárdbeien?? Nou ja, bij mij loopt alles toch altijd anders. Dat houdt het leven spannend.
(U hoeft trouwens niet de Alpen over om over water te lopen. In Nederland realiseert kunstenaar Paul de Kort dit najaar zijn Pier + Horizon in het Zwarte Meer. Ten Zuiden van de Noordoostpolder. Dan kunt u dat vast inplannen.)
Voor dit vervoer had ik natuurlijk de inmiddels geleverde dakdragers op mijn auto kunnen monteren. Ook had ik de pijp, mits ik over een vooruitziende blik had beschikt, online kunnen bestellen en laten afleveren op het werkadres. Of, nog slimmer, ik had een half jaar terug mijn kleinere klusbus niet moeten verruilen voor de huidige. De oude voldeed immers nog prima en, niet onbelangrijk, er zat een imperiaal op. Waar ik de afgelopen acht jaar vele deuren, balken, plaatmateriaal en niet te vergeten, hemelwaterafvoerpijpen, op had vervoerd. Maar nee, ik moest zo nodig groter, nieuwer, hoger, luxer. Toegegeven, de muziek klinkt een stuk lekkerder. En de instelbare bijrijdersstoel is handig voor als Kees een dutje doet. Fiets achterin. Perfect geregeld. Maar dus niet voor klussen waar lang materiaal voor nodig is.
Hij schreef terug dat hij wel wilde helpen. De winkel lag tweehonderd meter aan de ene kant van zijn huis, het werkadres lag driehonderd meter de andere kant op. Het was een mooie stunt geworden. Met zo'n grijze buis dwars door de stad lopen. Er doorheen praten. Letterlijk. Oversteekplaatsen, stoplichten, fietsers die er onderdoor duiken. Een soort choreografie van de bouw. Ik had al voorpret bij de gedachte. Maar ik zegde mijn ex af. Want in mijn inpandige stortplaats die voor 'werkplaats' moet doorgaan, vond ik tussen de gipsplaten en rollen isolatie ook nog een stuk pijp van de juiste diameter. Nieuw stuk er bij kopen. Onderling verlijmen en voilà. Geen dakdrager, ex of oude bus meer nodig. Aldus geschiedde. Dus sorry stadjers, ik heb jullie dit stukje theater door de stad onthouden.
Als jullie dit lezen is het inmiddels een week later. En ben ik er tussenuit geknepen om over kunst te lopen. Op het water. Christo had zijn 'floating peers' eerst in Buenos Aires willen bouwen, daarna Tokyo, en nu is het dus toch het Lago d'Iseo geworden. En net als ik daar toevallig ben, blijkt Christo er, nadat hij het concept al bedacht in mijn geboortejaar, er zijn kunst te hebben geopend. Voor twee weken. En de mensen met wie ik er heen ga, kennen mensen, die weer mensen kennen en ....
Nou ja, ik snap er niet veel van, want de toegang tot Christo's kunst is altijd gratis. Maar toch schijnen we een soort Vip behandeling te krijgen. Maar misschien heeft dat ook met het verwachte aantal bezoekers te maken. Eén miljoen in twee weken. En zo loop ik dus niet met een grijze regenpijp door de stad maar over een dahliagele pier op het water. Dit kunstwerk is als een surrealistisch sprookje.
Wel vreemd dat het monteren van drie dakdragers me kennelijk meer moeite kost dan het lopen over de rug van een walvis (zoals de kunstenaar het zelf zegt). Ook apart dat ik boven dit stukje de titel 'slakkensoep' intypte. En dat ik het over aardbeien had willen hebben.
Aárdbeien?? Nou ja, bij mij loopt alles toch altijd anders. Dat houdt het leven spannend.
(U hoeft trouwens niet de Alpen over om over water te lopen. In Nederland realiseert kunstenaar Paul de Kort dit najaar zijn Pier + Horizon in het Zwarte Meer. Ten Zuiden van de Noordoostpolder. Dan kunt u dat vast inplannen.)
Labels:
auto,
bus,
Christo,
floating piers,
Groningen,
hwa,
Italië,
kunst,
lago d'Iseo,
werk
zondag 22 mei 2016
Wie gaat er mee billenwassen?
Geadresseerde is overleden in december 2013, schreef ik altijd keurig op haar post. Maar na tweeënhalf jaar voel ik geen gewetenswroeging meer om de brieven niet meer 'retour afzender' te sturen en ook, zeker als het naar reclame riekt, te openen. Zoals vanmorgen.
'Geberit', stond er op de grote envelop. Een wc-merk. U ziet hun logo vast wel eens staan op de spoelknop bij het ziekenhuis of de sportclub. Ik had net weer een hangend toilet van dit merk gemonteerd. Ook maakte ik een jaar terug eens sluikreclame voor ze, door in mijn verhaal over 'Islam in de schaamstreek' te linken naar hun spotje. Ze spelen goed in op onze veranderende toiletcultuur.
En nu werpt dezelfde Geberit me als dank een nieuw verhaal in de schoot. Door mij (of eigenlijk mijn overleden voorgangster) uit te nodigen voor een demodag voor de 'douchewc'. Het enthousiaste team staat klaar met advies en laat zien hoe deze werkt. Ook kan ik het ding zelf testen en mijn ervaring achterlaten op een formulier. Tot slot maak ik nog kans op een hotelarrangement in een suite met, precies, u raadt het al, een heuse Aquaclean.
Niks om lacherig over te doen, mensen. Gewoon uitproberen zo'n toilet met ingebouwde douche voor het onderlichaam. Want, om met Geberit te spreken, u maakt uw auto toch ook niet schoon met papier?
Dus, verstokte Hollandse strontvegers, komt allen op zaterdag 28 mei naar Bedum!
Rest me alleen nog een tip te geven aan de afzender. Potentiële kopers van uw product zijn waarschijnlijk de statushouders onder de nieuwkomers. Nu is het wat vreemd om te folderen op een azc, maar uw produkt promoten bij woningbouwverenigingen die tegenwoordig steeds vaker aan huurders de keus laten hoe ze hun badkamer willen inrichten, is wel een optie. Ook Turken en zelfs Italianen hebben vast meer oren naar een fris kruis dan een Hollandse dame die al jaren onder de groene zoden ligt.
En ga nu niet zeuren over dat ik jullie prachtige billen-hartje-logo heb gejat. Het was gewoon te mooi om ongelezen in de oud-papier bak te flikkeren.
'Geberit', stond er op de grote envelop. Een wc-merk. U ziet hun logo vast wel eens staan op de spoelknop bij het ziekenhuis of de sportclub. Ik had net weer een hangend toilet van dit merk gemonteerd. Ook maakte ik een jaar terug eens sluikreclame voor ze, door in mijn verhaal over 'Islam in de schaamstreek' te linken naar hun spotje. Ze spelen goed in op onze veranderende toiletcultuur.
En nu werpt dezelfde Geberit me als dank een nieuw verhaal in de schoot. Door mij (of eigenlijk mijn overleden voorgangster) uit te nodigen voor een demodag voor de 'douchewc'. Het enthousiaste team staat klaar met advies en laat zien hoe deze werkt. Ook kan ik het ding zelf testen en mijn ervaring achterlaten op een formulier. Tot slot maak ik nog kans op een hotelarrangement in een suite met, precies, u raadt het al, een heuse Aquaclean.
Dus, verstokte Hollandse strontvegers, komt allen op zaterdag 28 mei naar Bedum!
Rest me alleen nog een tip te geven aan de afzender. Potentiële kopers van uw product zijn waarschijnlijk de statushouders onder de nieuwkomers. Nu is het wat vreemd om te folderen op een azc, maar uw produkt promoten bij woningbouwverenigingen die tegenwoordig steeds vaker aan huurders de keus laten hoe ze hun badkamer willen inrichten, is wel een optie. Ook Turken en zelfs Italianen hebben vast meer oren naar een fris kruis dan een Hollandse dame die al jaren onder de groene zoden ligt.En ga nu niet zeuren over dat ik jullie prachtige billen-hartje-logo heb gejat. Het was gewoon te mooi om ongelezen in de oud-papier bak te flikkeren.
woensdag 18 mei 2016
Mit liebe aus Köln
Haar oma kwam uit Keulen. Zo vertelde Rosita Steenbeek. Naar wie ik luisterde met mijn lief. Wiens oma op haar beurt uit Gieslingen kwam, vierhonderd kilometer verder. En nog weer zeshonderd kilometer Oostwaarts stapte mijn eigen opa in het bagagerek van een trein die hem voorgoed van Wenen naar Nederland zou brengen. Honderd jaar terug, tachtig jaar terug. Tijd tussen oorlogen.
Duitstalige voorouders vluchtten naar een beter bestaan. Waar werk was, waar eten was, een toekomst. Als tiener, als twintigers. En ze waren niet de enigen. Anne Frank, Miep Gies. Half Europa was on the move. Vrijwillig of gedwongen. Maar toen kwam de oorlog en heette je opeens Duits. Of jood, of beide. Of vluchteling. Of fout. Of beide. De joodse oma van Rosita zag vanuit haar pastorie bommen vallen op Rotterdam en zei: "Dat doet mijn volk." Twee jaar later werden er duizend bommen op haar geboortestad Keulen gegooid.
In Duitsland is de publieke opinie omtrent vluchtelingen onlangs gekanteld. Door gebeurtenissen die plaatsvonden in Keulen. Niet de aanrandingen an sich leken interessant, maar de kleur en afkomst van de plegers. Hoog tijd om zelf eens een kijkje te gaan nemen. Bij pausen en engelen, bij Turkse en Griekse cafe's, bij een museum met de verkiezingsuitslag uit dat interbellum. Bij een confectiewinkel uit de wederopbouwtijd die inmiddels alweer was omgebouwd tot hippe kroeg. Waar borstvoedende dames en flexwerkende soortgenoten aan gezonde drankjes zaten. We zagen een stil Eau de Cologne huis, aten schnitzel tussen een buslading bierdrinkens en waren ook op het beruchte stationsplein. Waar het wit zag van de mensen. Er lag een spoorbiels met een koperen plaat. Hierop werd de Deutsche Bahn ter verantwoording geroepen voor haar medewerking aan de holocaust.
Er was veel politie. Voor het station. Bij het beeld van Bismarck. Op de brug vol liefdesslotjes. Een slenterende blanke man wenkte naar mij. Zijn tassen puilden uit. Hij keek nors. Met het statiegeld van de petflessen hoopt hij vast zijn bestaan iets te verbeteren.




Labels:
Duitsland,
familie,
Joden,
Keulen,
oma,
opa,
Rosita Steenbeek,
vluchtelingen,
WOII
donderdag 5 mei 2016
De kelder en het koor
Het lijkt wel oorlog. De wegen zijn uitgestorven. Hoewel de ochtend al lang is begonnen. Op het anders zo hectische kruispunt van de Dirk Huizingastraat sta ik moederziel alleen te wachten voor een rood stoplicht. Ook de anders van scholieren krioelende Sint-Janstraat lijkt net schoongeveegd. Alsof mensen zich hebben verstopt.
Ik wil de stad in. Om mensen te horen zingen. Die willen dansen, die willen vrijen, die langzaam willen ontwaken. Want dat hoort op deze dag. Gister was ik ook in de stad. Waar ik sloopte en sjorde aan de ingang van een oude kelder. Zodat er weer licht naar binnen kon. En lucht.
Ik kon er net niet rechtop staan. Met gebogen hoofd zag ik benen over de stoep lopen. Hoorde even later stemmen boven mijn hoofd. Het was drukker dan anders in de wijk. Vanwege de open dagen van huizen waar ooit Joden woonden. Die in de oorlog waren weggevoerd.
Zou men dat in het jaar 2086 in Syrië ook doen? Bij huizen waar ooit yezidi's woonden? Of bij die van soennieten, sjiieten of alevieten? Net naar gelang welke stroming, geloof of stam zich superieur waant? En welke 'anderen' dan moeten afgeslacht. Ik juich het levend houden van een gruwelijk verleden toe. Maar begrijp de weerstand van een stad als München tegen struikelstenen als herdenkingspunt ook. De doden geëerd met hun naam in de straat.
Ik fiets verder de stad in. De Grote Markt staat vol tafels en bankjes. En meer dan levensgrote foto's uit de oorlog. Onze oorlog. Die vrijwel niemand hier heeft meegemaakt. Tientalllen kleerkasten beveiligen het plein vol ontbijtende stadjers. Het koor dat ik wil horen zingen, komt uit een andere oorlog. Waar wij geen weet van hebben.
"Het is eigenlijk alleen voor genodigden, maar vooruit, u ziet er zo hongerig uit", zegt één van de beveiligers. Ze staan hier voor een mogelijk bezoek van de premier. Hij klikt me een armbandje om. Ik mag door de hek.
Rutte komt gelukkig niet. Anders hadden ze vast niet durven zingen, zegt de pianiste. Zij was degene die me gister tipte over dit optreden. Door het kelderraam. Waar ze me een rode 'S' liet zien. Er moesten nog negen rode letters bij. Voor de dag erna. Voor op de Grote Markt. Zodat wij ook weet zouden hebben van andere kelders. Waar voorlopig geen daglicht komt. Waar mensen levend liggen begraven onder het puin. Nu. En waar over zeventig jaar misschien ook struikelstenen liggen.
Het koor zingt Nederlands. Arabisch. Tweestemmig. Of eigenlijk meerstemmig. Want tijdens het refrein, hoor ik achter me één van de genodigden hardop zeggen: "Niet te geloven, dat zij ook in tentjes in Calais hebben gezeten. Zij zijn gewoon even oud als ons."
Het is de galm van de woorden die worden gezongen door 'New life':
Na afloop fiets ik met tranen in mijn ogen weer verder. De straten zijn nog steeds verlaten.
maandag 2 mei 2016
Onze manier van leven
Een donkere dame bestudeert voorover gebogen munten uit het Nederlands Indië van 1820. In de kraam ernaast liggen koperen kloppers en horloges. Ik maak een praatje met een lange man die oud gereedschap aanbiedt. Hij had een huis in aardbevingsgebied, is toen gescheiden en nu dakloos. Hij vindt het best om steeds ergens anders te slapen. En met zijn camper redt hij het wel. Een gewiekste klant weet bij hem af te dingen tot de helft van de prijs. De kunst van het loven en bieden beheers ik slechter dan haar. Ik bepotel zijn metalen drukletters. Mijn handen zitten onder de roest. Hij geeft me een witte doek om ze aan af te vegen.
Bij de ingang van de buurtsuper staat een man met een keppeltje. O nee, dat heet anders bij moslims. Hij voert eierkoeken aan de duiven. In het park zitten mannen in kleermakerszit. Er fietsen kinderen omheen. Komende week herdenken we de doden en vieren we de vrijheid.
Langs typmachines, asbakken en oude violen slenter ik terug richting Grote Markt. Voor de Duitse toeristen verkoopt men hier broodjes met Aal en Lachs. Op de kop van de Vismarkt is een jongeman met veel armgebaren zijn gesprekspartner aan het overtuigen van zijn gelijk. Het gaat over politiek. Bij een boekenkraam blader ik door onze recente geschiedenis. Ik lees dat er in het Rusland van de Tsaar al anti-Joodse wetten waren. Die na het uitbreken van de revolutie zouden zijn afgeschaft. Ik leer dat Trotski uit een joodse familie uit de Oekraïne kwam en Bronstein heette. Ik zie foto's van joodse vrouwen in een burka, en een joodse man in een Chinees gewaad. Een groot schip vol vluchtelingen richting VS -dat terug moest naar Europa-, kleine bootjes op het strand bij Haïfa die door een Engelse blokkade breken. Als de vluchtelingen ergens aan land mogen, kijken ze zielsblij.
Er is in honderd jaar weinig veranderd.
Zelfde zee en aantallen.
Andere richting en religie.
Het blijft beangstigend dat het mogelijk is om een heel volk door middel van stelselmatig zwartmaken en buitensluiten uiteindelijk bijna uit te roeien. Als het Ebola virus. Als Malaria. Waargebeurde horror. Te gruwelijk voor een film. Al komt Shoah aardig in de buurt.


Op de Grote Markt gaapt een gat. Waar een ontmoetingscentrum moet komen. Het Forum. In de oorlog stond hier het beruchte Scholtenhuis. Nu zitten vlak voor deze plek, op de trappen van het mooie VVV kantoor, tientallen mensen te genieten van een zonnige dag van de arbeid. Intussen wordt een ander plein, in Istanbul, afgesloten voor demonstranten. En gooien onbekenden bommen op Aleppo.


Op de Grote Markt gaapt een gat. Waar een ontmoetingscentrum moet komen. Het Forum. In de oorlog stond hier het beruchte Scholtenhuis. Nu zitten vlak voor deze plek, op de trappen van het mooie VVV kantoor, tientallen mensen te genieten van een zonnige dag van de arbeid. Intussen wordt een ander plein, in Istanbul, afgesloten voor demonstranten. En gooien onbekenden bommen op Aleppo.Bij de ingang van de buurtsuper staat een man met een keppeltje. O nee, dat heet anders bij moslims. Hij voert eierkoeken aan de duiven. In het park zitten mannen in kleermakerszit. Er fietsen kinderen omheen. Komende week herdenken we de doden en vieren we de vrijheid.
Die is me erg lief.
En die gun ik iedereen.
Ook haar
Ook haar
En hen ook.
Labels:
dag van de Arbeid,
Groningen,
Joden,
New life,
oorlog,
persvrijheid,
revolutie,
Syriers,
Trotski,
Turkije,
vluchtelingen,
vrijheid,
WOII
maandag 25 april 2016
De jeugd van tegenwoordig heeft recht op meer bloot!
"Ik kijk nooit tv", zei ik stoer.
"Jawel, je kijkt elke avond tv", wierp Kees (11) tegen.
"Ik krijg vaak genoeg kijktips van je" deed zijn vader er nog een schepje bovenop.
Ik bond in. Ze hadden gelijk. Ik kijk eigenlijk best vaak. Naar 'langs de oevers van de Yangtze', of naar '3 op reis' en onlangs zelfs naar 'Het beste Brein' (waarbij ik bij het rekenonderdeel volledig door Kees werd weggeblazen). Maar het vaakst nog naar reclame. In eerste instantie omdat ik nog steeds geen afstandsbediening heb. Maar ook omdat commercials het niveau van de deskundige in de witte jas die het waspoeder aanprijst, al lang zijn ontstegen.
Bijna bloot doet het altijd goed. De suggestie van lekkere seks prikkelt onze koophormonen. Schaars geklede vrouwen worden gelinkt aan auto's en parfum. Gezichtscreme en chocola worden aangeprezen met geile voice-overs. Maar gister werd ik gefêteerd op een geheel blote man. Die met een gelukzalige grijns in slow motion van een helling af rolde. Hierna volgde een spotje met een andere bloterik die naar een rode Engelse telefooncel rende. Het ging hier respectievelijk om een bouwmarkt en, jawel, ontbijtkoek. Wat opviel was dat beide heren ontdaan leken van hun libido. Dat lag niet aan het buiten beeld houden van hun geslachtdelen maar meer aan het feit dat goed geklede kerels vaak sensueler ogen (koffie!) dan bloot.
Zou het voor onze opgroeiende jeugd niet goed zijn als het taboe op het tonen van -normale- geslachtdelen weer wordt doorbroken? Nu extreme preutsheid lijkt te zijn doorgedrongen tot bad- en kleedkamer. Ik meen me te herinneren dat er vroeger bij gym tot een jaar of tien gemengde kleedkamers waren en dat er ook gemengd werd gedoucht. (nee, ik keek natuurlijk niet. Ik was toen nog een bleu blond vlechtenmeisje). Inmiddels schijnt het bij gym en bij sport normaal om ook bij gescheiden douchen een onderbroek aan te houden. Als er al wordt gedoucht. Tot mijn verbazing wist een ervaren trainer mij onlangs te zeggen het vaak de ouders zélf zijn die hier voor gaan liggen. Misschien denkt men dat elke trainer die met jeugd werkt zich aan blote kindertjes vergrijpt? Of zijn we zelf bang voor bloot geworden omdat we dit automatisch aan seks linken?
Maar hoe komt de toekomstige generatie er nu achter hoe het andere geslacht er uit ziet? Of dat van zijn seksegenoten? Welk ander referentiekader rest hen dan het stiekem bezoeken van pornosites vol piemels van twintig centimeter en gemodelleerde kale kutten en vol- (of vooral onder-) gespoten borsten. (Ook het beeld dat spermaspuiterij iets fijns of verplichts zou zijn is hardnekkig. Niet alleen onder jongeren).
Ik wacht met smart op de eerste commercial waarbij een sportheld verschijnt met een kleine, onbesneden pik of een scheve grote kut. Ter inspiratie kunnen reclamejongens het British museum bezoeken. Waar blote rennende mannen als helden worden afgebeeld. 2500 jaar geleden was je met een klein pikkie gewoon cool!
"Jawel, je kijkt elke avond tv", wierp Kees (11) tegen.
"Ik krijg vaak genoeg kijktips van je" deed zijn vader er nog een schepje bovenop.
Ik bond in. Ze hadden gelijk. Ik kijk eigenlijk best vaak. Naar 'langs de oevers van de Yangtze', of naar '3 op reis' en onlangs zelfs naar 'Het beste Brein' (waarbij ik bij het rekenonderdeel volledig door Kees werd weggeblazen). Maar het vaakst nog naar reclame. In eerste instantie omdat ik nog steeds geen afstandsbediening heb. Maar ook omdat commercials het niveau van de deskundige in de witte jas die het waspoeder aanprijst, al lang zijn ontstegen.
Bijna bloot doet het altijd goed. De suggestie van lekkere seks prikkelt onze koophormonen. Schaars geklede vrouwen worden gelinkt aan auto's en parfum. Gezichtscreme en chocola worden aangeprezen met geile voice-overs. Maar gister werd ik gefêteerd op een geheel blote man. Die met een gelukzalige grijns in slow motion van een helling af rolde. Hierna volgde een spotje met een andere bloterik die naar een rode Engelse telefooncel rende. Het ging hier respectievelijk om een bouwmarkt en, jawel, ontbijtkoek. Wat opviel was dat beide heren ontdaan leken van hun libido. Dat lag niet aan het buiten beeld houden van hun geslachtdelen maar meer aan het feit dat goed geklede kerels vaak sensueler ogen (koffie!) dan bloot.
Zou het voor onze opgroeiende jeugd niet goed zijn als het taboe op het tonen van -normale- geslachtdelen weer wordt doorbroken? Nu extreme preutsheid lijkt te zijn doorgedrongen tot bad- en kleedkamer. Ik meen me te herinneren dat er vroeger bij gym tot een jaar of tien gemengde kleedkamers waren en dat er ook gemengd werd gedoucht. (nee, ik keek natuurlijk niet. Ik was toen nog een bleu blond vlechtenmeisje). Inmiddels schijnt het bij gym en bij sport normaal om ook bij gescheiden douchen een onderbroek aan te houden. Als er al wordt gedoucht. Tot mijn verbazing wist een ervaren trainer mij onlangs te zeggen het vaak de ouders zélf zijn die hier voor gaan liggen. Misschien denkt men dat elke trainer die met jeugd werkt zich aan blote kindertjes vergrijpt? Of zijn we zelf bang voor bloot geworden omdat we dit automatisch aan seks linken?
Maar hoe komt de toekomstige generatie er nu achter hoe het andere geslacht er uit ziet? Of dat van zijn seksegenoten? Welk ander referentiekader rest hen dan het stiekem bezoeken van pornosites vol piemels van twintig centimeter en gemodelleerde kale kutten en vol- (of vooral onder-) gespoten borsten. (Ook het beeld dat spermaspuiterij iets fijns of verplichts zou zijn is hardnekkig. Niet alleen onder jongeren).
Ik wacht met smart op de eerste commercial waarbij een sportheld verschijnt met een kleine, onbesneden pik of een scheve grote kut. Ter inspiratie kunnen reclamejongens het British museum bezoeken. Waar blote rennende mannen als helden worden afgebeeld. 2500 jaar geleden was je met een klein pikkie gewoon cool!
dinsdag 19 april 2016
Op dinsdag door de stad dolen
Dat doen er aardig wat. Hoewel ik natuurlijk niet met zekerheid durf vast te stellen of elke ziel die ik tegenkom ook dolende is. Wellicht had de in een scootmobiel gezeten travestiet op de Korreweg wel een duidelijk doel voor ogen. Net als de gehandicapte moslima die in Beijum in eenzelfde voertuig overstak. Misschien was deze laatste wel goed ter been en had ze ook niks speciaals met de Islam. De dame die vanmorgen een doek om haar hoofd knoopte heeft, voor zo ver ik weet, ook weinig op met geloof. Ze smeerde afbijtmiddel op haar trap, wat ik er vervolgens afkrabde.
De lijmresten onder mijn werkschoenen kleven gelukkig niet aan het pedaal in de bus, maar in de statige hal bij de pianoleraar trek ik de kistjes voor de zekerheid toch uit. De leraar slaat mijn meegebrachte wafels af, die een Peizenaar had gebakken en die de dame die geen moslima was aan me had meegegeven. Hij is op dieet.
Kees valt naast me in slaap en ik stop, samen met een ambulance, bij het tankstation aan de gracht. De jongen bij de kassa vertelt dat dit het laatste tankstation in een binnenstad is. In heel Nederland. Martin Bril schreef een stukje over deze plek in "Heimwee naar Nederland". Iets met een vader die hardop praat tegen zijn huilende kind, omdat hij niet goed weet waar hij heen zal. Dolende zielen. Bril zat aan het eind van zijn leven in een rolstoel. Ook daar schreef hij over. Iets met 'leven op gulphoogte'. Ik las hem in de trein naar Keulen.
De zon schijnt. Bij de Slachthuisstraat klimmen twee kindjes op een kunstwerk. Het ziet er moeilijk uit. En spannend. Zoiets meen ik te lezen in hun pretoogjes die elkaar aankijken. Het is koud. Abba schalt door de radio. Als we thuis zijn wordt Kees (11) weer wakker. Leo (15) is al thuis. Ik knip zijn haar. Hij hangt de was.
Ik zuig de haren van de grond en aai de kat. Buiten wapperen kleren aan de lijn. De ratatouille is rood en couscous komt uit Afrika. Van afbijtmiddel wordt je high. Morgen moet ik een afwasmachine plaatsen voor architecten en een luikje in een plafond zagen. Om gif achter te verstoppen. Omdat er studentes wakker liggen van de ratten.
Welterusten.
De lijmresten onder mijn werkschoenen kleven gelukkig niet aan het pedaal in de bus, maar in de statige hal bij de pianoleraar trek ik de kistjes voor de zekerheid toch uit. De leraar slaat mijn meegebrachte wafels af, die een Peizenaar had gebakken en die de dame die geen moslima was aan me had meegegeven. Hij is op dieet.
Kees valt naast me in slaap en ik stop, samen met een ambulance, bij het tankstation aan de gracht. De jongen bij de kassa vertelt dat dit het laatste tankstation in een binnenstad is. In heel Nederland. Martin Bril schreef een stukje over deze plek in "Heimwee naar Nederland". Iets met een vader die hardop praat tegen zijn huilende kind, omdat hij niet goed weet waar hij heen zal. Dolende zielen. Bril zat aan het eind van zijn leven in een rolstoel. Ook daar schreef hij over. Iets met 'leven op gulphoogte'. Ik las hem in de trein naar Keulen.
De zon schijnt. Bij de Slachthuisstraat klimmen twee kindjes op een kunstwerk. Het ziet er moeilijk uit. En spannend. Zoiets meen ik te lezen in hun pretoogjes die elkaar aankijken. Het is koud. Abba schalt door de radio. Als we thuis zijn wordt Kees (11) weer wakker. Leo (15) is al thuis. Ik knip zijn haar. Hij hangt de was.
Ik zuig de haren van de grond en aai de kat. Buiten wapperen kleren aan de lijn. De ratatouille is rood en couscous komt uit Afrika. Van afbijtmiddel wordt je high. Morgen moet ik een afwasmachine plaatsen voor architecten en een luikje in een plafond zagen. Om gif achter te verstoppen. Omdat er studentes wakker liggen van de ratten.
Welterusten.
woensdag 6 april 2016
Het kan, het mag, dus doen we het!
Er schuilt hebzucht in ons allemaal. Daar hoef je geen Gunnlaugsson of Porosjenko voor te heten. Gelukkig bestaat er wet- en regelgeving. Om zelfverrijking, wurgcontracten of monopolies (lang leve de EU!) een beetje binnen de perken te houden. Wetten dienen ook een omgekeerd doel. Zo schijnt Seedorf niet betrokken te zijn bij illegale praktijken. Want van 600000 een paar miljoen maken màg. U zou het zelf ook doen. Sterker nog, naast Seedorf zijn het vooral 'de Kleine Luyden' uit het midden- en kleinbedrijf die om uiteenlopende redenen hun geld elders parkeren. Niks geen belastingontduiking aan. Het mag volgens de wet.
Dat referendum van vandaag is ook zo'n ding. Is dat niet vooral bedacht omdat het kàn? Omdat het màg. Toen ik er voor het eerst over hoorde, dacht ik dat het een grap was. Die met het gemekker over te weinig stembureaus alleen maar slechter werd. En hoewel ik graag gebruik maak van mijn stemrecht, proeft het woord 'recht' hier als misplaatst.
Via Panama en de Oekraïne, loop ik ook nog even met u mee naar binnen bij de failliete V&D. Waarvan sommigen zeggen dat hun formule achterhaald was. Terwijl anderen juist beweren dat klantgedrag zo'n concern niet om zeep kàn helpen, dat het Sun-Capitals is die het boetekleed moet aantrekken. Maar het was legaal. Het mocht, het kon. Men mag geld in belastingparadijzen stallen. Men mag een referendum organiseren voor een al aangenomen wet en ook een bedrijf leegzuigen, tackelen en vervolgens het laatste bloed uit al die prachtige paspoppen persen is legaal.


Maar ik schaam me toch een beetje. Dat ik er vorige week was. En niet alleen vanwege mijn werkbroek vol verfspatten. Ik kocht er zelfs boxershorts. Met het V&D logo. Soort van collectersitem. Toen ik later las dat Sun Capitals vóór in de rij bij de schuldeisers stond, voelde het geld voor de onderbroeken aan als bloedgeld. Lehti de lijkenpikker.

Hoe heerlijk was het om dit schuldgevoel vandaag te kunnen sussen. Niet bij de stembus, maar door een nieuwe werkbroek te kopen in een zaak waar de tijd nog langer had stilgestaan dan bij V&D. Maar waar wel klanten waren. En personeel. En kleding met 'made in Germany' en 'France' in plaats van China en Bangladesh. Waar het niet naar wegwerpplastic stonk. Hier werd niet geïnvesteerd in eigentijdse logo's of slimme marketing. Hier verkocht men kleding. Voor verpleegkundigen, paardenfokkers of obese stratenmakers. Maar ook waxjassen en stevige stretchbroeken. En ze waren er drieëndertig jaar eerder dan de V&D!
Misschien sluit het Vakkledinghuis straks een handelscontract met Oekraïne. Of parkeren ze zelf (of via Porosjenko) geld in Panama. Ik weet niet wat er allemaal kan en mag. Daar hebben we gelukkig gekozen politici voor. En geen referenda voor nodig.
Er past een duimstok, bouwpotlood en smartphone in mijn broek. Ik vroeg wat ik wilde en kreeg wat ik vroeg. Bij het afrekenen geen zegels, airmiles, gebedel om een mailadres of bonusgelul. Heerlijk! Na nog een rondje door de winkel zeg ik tegen de winkeljuffrouw: "Fijn, nu weet ik wat jullie allemaal te koop hebben."
Ze antwoordt lachend: "Zegt het voort, zegt het voort!"
Bij deze.
Dat referendum van vandaag is ook zo'n ding. Is dat niet vooral bedacht omdat het kàn? Omdat het màg. Toen ik er voor het eerst over hoorde, dacht ik dat het een grap was. Die met het gemekker over te weinig stembureaus alleen maar slechter werd. En hoewel ik graag gebruik maak van mijn stemrecht, proeft het woord 'recht' hier als misplaatst.
Via Panama en de Oekraïne, loop ik ook nog even met u mee naar binnen bij de failliete V&D. Waarvan sommigen zeggen dat hun formule achterhaald was. Terwijl anderen juist beweren dat klantgedrag zo'n concern niet om zeep kàn helpen, dat het Sun-Capitals is die het boetekleed moet aantrekken. Maar het was legaal. Het mocht, het kon. Men mag geld in belastingparadijzen stallen. Men mag een referendum organiseren voor een al aangenomen wet en ook een bedrijf leegzuigen, tackelen en vervolgens het laatste bloed uit al die prachtige paspoppen persen is legaal.


Maar ik schaam me toch een beetje. Dat ik er vorige week was. En niet alleen vanwege mijn werkbroek vol verfspatten. Ik kocht er zelfs boxershorts. Met het V&D logo. Soort van collectersitem. Toen ik later las dat Sun Capitals vóór in de rij bij de schuldeisers stond, voelde het geld voor de onderbroeken aan als bloedgeld. Lehti de lijkenpikker.

Hoe heerlijk was het om dit schuldgevoel vandaag te kunnen sussen. Niet bij de stembus, maar door een nieuwe werkbroek te kopen in een zaak waar de tijd nog langer had stilgestaan dan bij V&D. Maar waar wel klanten waren. En personeel. En kleding met 'made in Germany' en 'France' in plaats van China en Bangladesh. Waar het niet naar wegwerpplastic stonk. Hier werd niet geïnvesteerd in eigentijdse logo's of slimme marketing. Hier verkocht men kleding. Voor verpleegkundigen, paardenfokkers of obese stratenmakers. Maar ook waxjassen en stevige stretchbroeken. En ze waren er drieëndertig jaar eerder dan de V&D!
Misschien sluit het Vakkledinghuis straks een handelscontract met Oekraïne. Of parkeren ze zelf (of via Porosjenko) geld in Panama. Ik weet niet wat er allemaal kan en mag. Daar hebben we gelukkig gekozen politici voor. En geen referenda voor nodig.
Er past een duimstok, bouwpotlood en smartphone in mijn broek. Ik vroeg wat ik wilde en kreeg wat ik vroeg. Bij het afrekenen geen zegels, airmiles, gebedel om een mailadres of bonusgelul. Heerlijk! Na nog een rondje door de winkel zeg ik tegen de winkeljuffrouw: "Fijn, nu weet ik wat jullie allemaal te koop hebben."
Ze antwoordt lachend: "Zegt het voort, zegt het voort!"
Bij deze.
Labels:
EU,
Europa,
Groningen,
Oekraïne,
Panamapapers,
referendum,
V&D,
Vakkledinghuis,
wetgeving
maandag 28 maart 2016
Ik zal het nooit meer doen
Daar zit je dan. Met je ogen dicht en je mond half open. Je hoofd hangt achterover. Als ik naar je kijk, krijg ik al kramp. Een glazen schot belemmert het nog verder knakken van je nek. 'Kom maar naast me zitten', zei ik net nog tegen je. Je reageerde nauwelijks. Snauwde iets weigerachtigs naar de grond. Vechtend tegen dat wat sterker is dan jij. Wetend dat het je niet zou lukken. Dat je weer zou worden overmand, opgeslokt en straks weer opnieuw moest beginnen. Tegen je zin geteleporteerd in de tijd.
Er stappen mensen in. Ze lopen langs je, draaien zich om. Kijken ernstig naar je. Als het niet zo kut zou zijn, zou ik er om moeten lachen. Want je houdt mensen ongewild voor de gek. Ik kan hun gedachten bijna lezen: 'Issie misschien dood? of ontvoerd? of onwel? moet ik iets doen? de chauffeur waarschuwen? waar is zijn vader of moeder?'
Als mensen zichtbaar 'anders' zijn of doen, kijken omstanders vaak weg. Bij een blind iemand verandert dat, wanen we ons onbespied. Maar als iemand zijn of haar ogen ècht dicht heeft, wordt er gewoon gestaard. Ik neem het niemand kwalijk. Ik zou vast hetzelfde doen. Als ik niet beter wist. Dus maak ik de man die voor me zit maar wijzer. "Hij slaapt gewoon, hoor. Straks wordt hij wel weer wakker." De mensen achter me, die al starend na ons instapten, kunnen ook meeluisteren.
De man reageert nauwelijks. Kijkt weg. Misschien voelt hij zich betrapt. Hoewel hij nu wèl weet waar die afwezige moeder is. ('Nou ja zeg, laat ze haar kind met geknakte nek en open mond heen en weer schommelen in de bus, waarom gaat ze er niet náást zitten?)
Jou overkomt dit dagelijks. Dit gevecht, de reacties van anderen ('was zeker laat hè, gister?) en het steeds toch weer overmeesterd worden door een onbedwingbare slaap. Je tong die slap wordt als je lol hebt, zodat mensen je niet meer verstaan. Of erger, dat je door je benen zakt. Het is geen ramp. Wel strontvervelend. Onhandig. Gedoe.
Je leert er elke dag beter mee leven. Doet een dutje van te voren ('ik wil straks niet in de winkel in slaap vallen') of kiest een computerspel om de slaap de baas te kunnen. Ook hield je er een spreekbeurt over en ging zelfs al twee keer alleen met de bus, waarbij een medepassagier je moest wekken (wat ie vervolgens niet deed volgens jou). Maar soms wordt het je teveel. Sla je je zelf op je hoofd. Voel je je bestolen van je tijd. Van je plannen. Van je goede humeur.
Dat ik trots ben op hoe je er mee omgaat, wil je niet van me horen. Ook niet dat je bent afgevallen, helemaal op eigen wilskracht. Je slaat toetjes over, biedt weerstand aan verleidingen die er constant zijn, zeker voor jou ('ik heb altíjd honger'). Ik mag het niet hardop zeggen, en er vast ook niet over schrijven.
Maar weet je schat, jouw aandoening is zeldzaam. Novy dacht dat als ik alleen daarover zou schrijven, het vast een hit zou worden. Met veel lezers. Misschien is dat zo. En bekendheid geven aan een zeldzame aandoening, dient ook een hoger doel. Want zelfs de kindersarts sloeg de juiste diagnose van de huisarts destijds in de wind omdat 'narcolepsie nu eenmaal nooit voorkomt bij kinderen'.
Maar jij bent mijn kind. Mijn fantansierijke, wilskrachtige, muzikale, leesgierige, lieve kind.
Jij bent je ziekte niet. Je hèbt het. En dat is al lastig genoeg.
Daarom is dit de laatste keer dat ik er over schrijf.
Beloofd.
Er stappen mensen in. Ze lopen langs je, draaien zich om. Kijken ernstig naar je. Als het niet zo kut zou zijn, zou ik er om moeten lachen. Want je houdt mensen ongewild voor de gek. Ik kan hun gedachten bijna lezen: 'Issie misschien dood? of ontvoerd? of onwel? moet ik iets doen? de chauffeur waarschuwen? waar is zijn vader of moeder?'
Als mensen zichtbaar 'anders' zijn of doen, kijken omstanders vaak weg. Bij een blind iemand verandert dat, wanen we ons onbespied. Maar als iemand zijn of haar ogen ècht dicht heeft, wordt er gewoon gestaard. Ik neem het niemand kwalijk. Ik zou vast hetzelfde doen. Als ik niet beter wist. Dus maak ik de man die voor me zit maar wijzer. "Hij slaapt gewoon, hoor. Straks wordt hij wel weer wakker." De mensen achter me, die al starend na ons instapten, kunnen ook meeluisteren.
De man reageert nauwelijks. Kijkt weg. Misschien voelt hij zich betrapt. Hoewel hij nu wèl weet waar die afwezige moeder is. ('Nou ja zeg, laat ze haar kind met geknakte nek en open mond heen en weer schommelen in de bus, waarom gaat ze er niet náást zitten?)
Jou overkomt dit dagelijks. Dit gevecht, de reacties van anderen ('was zeker laat hè, gister?) en het steeds toch weer overmeesterd worden door een onbedwingbare slaap. Je tong die slap wordt als je lol hebt, zodat mensen je niet meer verstaan. Of erger, dat je door je benen zakt. Het is geen ramp. Wel strontvervelend. Onhandig. Gedoe.
Je leert er elke dag beter mee leven. Doet een dutje van te voren ('ik wil straks niet in de winkel in slaap vallen') of kiest een computerspel om de slaap de baas te kunnen. Ook hield je er een spreekbeurt over en ging zelfs al twee keer alleen met de bus, waarbij een medepassagier je moest wekken (wat ie vervolgens niet deed volgens jou). Maar soms wordt het je teveel. Sla je je zelf op je hoofd. Voel je je bestolen van je tijd. Van je plannen. Van je goede humeur.
Dat ik trots ben op hoe je er mee omgaat, wil je niet van me horen. Ook niet dat je bent afgevallen, helemaal op eigen wilskracht. Je slaat toetjes over, biedt weerstand aan verleidingen die er constant zijn, zeker voor jou ('ik heb altíjd honger'). Ik mag het niet hardop zeggen, en er vast ook niet over schrijven.
Maar weet je schat, jouw aandoening is zeldzaam. Novy dacht dat als ik alleen daarover zou schrijven, het vast een hit zou worden. Met veel lezers. Misschien is dat zo. En bekendheid geven aan een zeldzame aandoening, dient ook een hoger doel. Want zelfs de kindersarts sloeg de juiste diagnose van de huisarts destijds in de wind omdat 'narcolepsie nu eenmaal nooit voorkomt bij kinderen'.
Maar jij bent mijn kind. Mijn fantansierijke, wilskrachtige, muzikale, leesgierige, lieve kind.
Jij bent je ziekte niet. Je hèbt het. En dat is al lastig genoeg.
Daarom is dit de laatste keer dat ik er over schrijf.
Beloofd.
zaterdag 19 maart 2016
Mazzeltov, Singer en andere verborgen verhalen
Voor het eerst schaam ik me enigszins. Om met mijn werkkleding nog aan, door mijn tweede huiskamer, de Vismarkt te banjeren. Maar het moet. Ik parkeer mijn klusbus op de Hoge der Aa en been naar de kaasdame. Twee platte stukken belegen wil ik. Om kaasletters van te snijden. Voor mijn vroegere schoolvriend die vandaag gaat trouwen. Bij Jan en Paula haal ik nog snel wat venkel en ren dan terug richting bus.
In die paar minuten binnenstad zuig ik me vol nieuwe indrukken. Dan vervaagt de haast en doe ik hetzelfde als Adriaan van Dis, Kees van Kooten en Saskia Noort gister in 'Kijken in de ziel ' zeiden. Indrukken opschrijven. Ingevingen noteren. Al zal ik er later zelden iets mee doen. Ook omdat het uitwerken van de krabbels om concentratie vraagt, om afzondering. Om een omgeving zonder zelfs maar de mogelijkheid gestoord te kúnnen worden. Te midden van alle indrukken las ik op de deur van Van de Velde de aankondiging dat hij zou signeren. Helaas precies in het uur dat ik op het stadhuis zou zijn.
Maar die middag, na menig lofzang op de liefde -'je bent niet ván elkaar maar je bent er vóór elkaar- en het scanderen van 'mazzeltov', snelde ik alsnog naar Jelle Brandt Corstius. En ja, hoe gaat dat met een BN-er, waarvan iedereen de naam al kent, dan vergeet je jezelf voor te stellen. Ik knalde er gelijk in 'of hij mijn manuscript nog had gelezen?' Waarover ik met 'm sprak na afloop van 'De nacht van de geschiedenis' in de tegenovergelegen A-kerk. Waar hij één van de sprekers was.
Ach ja. Schrijven. Gelezen worden. Het gaat toch om de verhalen. Om het zien. Van de hippiemoeder die voorovergebogen in haar fietskar kijkt. Terwijl gehuil van haar peuter weerkaatst tegen de gevel. Uit haar biotas steekt verlept wortelloof.
Een snelle blik in de winkelruit toont me een glimp van het zusje van mijn Singer, uitgevonden door een immigrant wier ouders vast van muziek hielden. Weerspiegelingen. Verhalen. Ze woekeren aan een boom in mijn hoofd. En wat zou er schuilgaan achter de 'Heren en dameskapper' met een porseleinen pot 'cetaceum' in de hoge etalage? Een etalage die sinds een halve eeuw onaangeroerd lijkt. Op de kade bij de Hoge der Aa zit een marsmannetje voor een schip. Beelden waar niemand op wacht. Woorden waar niemand wat aan heeft. Maar waar ik niet zonder kan.
Het was een mooie bruiloft.
Op de receptie luisterde ik naar verhalen van nazaten.
Tweede wereldoorlog, arbeidseinsatz, Hamburg, vrouwen, Groningen.
In de gang hing een foto van een verwoest huis in de Oekraïne.
Jelle gaf me een handtekening.
Ik had inmiddels andere kleren aan. Een jurk.
Gekregen van een nakomeling van Indianen. Tevens kind van gelukszoekers uit Ierland, Italië en Nederland. Mijn volgende boek gaat over haar.
In die paar minuten binnenstad zuig ik me vol nieuwe indrukken. Dan vervaagt de haast en doe ik hetzelfde als Adriaan van Dis, Kees van Kooten en Saskia Noort gister in 'Kijken in de ziel ' zeiden. Indrukken opschrijven. Ingevingen noteren. Al zal ik er later zelden iets mee doen. Ook omdat het uitwerken van de krabbels om concentratie vraagt, om afzondering. Om een omgeving zonder zelfs maar de mogelijkheid gestoord te kúnnen worden. Te midden van alle indrukken las ik op de deur van Van de Velde de aankondiging dat hij zou signeren. Helaas precies in het uur dat ik op het stadhuis zou zijn.
Maar die middag, na menig lofzang op de liefde -'je bent niet ván elkaar maar je bent er vóór elkaar- en het scanderen van 'mazzeltov', snelde ik alsnog naar Jelle Brandt Corstius. En ja, hoe gaat dat met een BN-er, waarvan iedereen de naam al kent, dan vergeet je jezelf voor te stellen. Ik knalde er gelijk in 'of hij mijn manuscript nog had gelezen?' Waarover ik met 'm sprak na afloop van 'De nacht van de geschiedenis' in de tegenovergelegen A-kerk. Waar hij één van de sprekers was.
Ach ja. Schrijven. Gelezen worden. Het gaat toch om de verhalen. Om het zien. Van de hippiemoeder die voorovergebogen in haar fietskar kijkt. Terwijl gehuil van haar peuter weerkaatst tegen de gevel. Uit haar biotas steekt verlept wortelloof.
Een snelle blik in de winkelruit toont me een glimp van het zusje van mijn Singer, uitgevonden door een immigrant wier ouders vast van muziek hielden. Weerspiegelingen. Verhalen. Ze woekeren aan een boom in mijn hoofd. En wat zou er schuilgaan achter de 'Heren en dameskapper' met een porseleinen pot 'cetaceum' in de hoge etalage? Een etalage die sinds een halve eeuw onaangeroerd lijkt. Op de kade bij de Hoge der Aa zit een marsmannetje voor een schip. Beelden waar niemand op wacht. Woorden waar niemand wat aan heeft. Maar waar ik niet zonder kan.
Het was een mooie bruiloft.
Op de receptie luisterde ik naar verhalen van nazaten.
Tweede wereldoorlog, arbeidseinsatz, Hamburg, vrouwen, Groningen.
In de gang hing een foto van een verwoest huis in de Oekraïne.
Jelle gaf me een handtekening.
Ik had inmiddels andere kleren aan. Een jurk.
Gekregen van een nakomeling van Indianen. Tevens kind van gelukszoekers uit Ierland, Italië en Nederland. Mijn volgende boek gaat over haar.
Labels:
boeken,
Groningen,
hoge der A,
Jelle BC,
joodse buurt,
kaas,
schrijven,
stadhuis,
trouwen,
verhalen,
vismarkt
Abonneren op:
Posts (Atom)


































