...zou ik het liefst dagelijks verdwalen.
Naarmate de shuttlebus verder Rome binnendringt, verdikt het verkeer en de stad en veranderen de voetgangers van kleur. Op de stoep voor diepe pijpenlades vol prullaria hangen Oosters ogende neringdoenden rond. Bengalen brengen onderbroeken voor een euro aan de man op grote tafels waar naar hartenlust in wordt gegraaid. Afrikaanse vrouwen in kleurige gewaden, een man in een djellaba en slenterende Rome-gangers in korte broek met een rugzak op hun buik. Aan het begin van via Appia nuova wordt uit de metro-ingang een vrouw met rolstoel en al de trap opgetild. Zo gaat dat hier.
Als de bus achter station Termini wil parkeren, loopt er een langharige man blootsvoets dwars over de parkeerplaats. Hij heeft alle tijd. De bus wacht wel. Misschien wacht er elders op de wereld ook wel iemand op de zwerver. Maar mijn trein wacht niet op mij. Ik doe geen poging hem te halen omdat ik weet dat mijn trein vanaf een perron vertrekt dat tien minuten lopen van de grote hal ligt. Over een uur gaat de volgende. Ik koop een kaartje, een broodje en een flesje water. Mijn briefje van vijftig wordt zorgvuldig bestudeerd: "Het is niet om ú mevrouw, maar Napoletanen brengen veel vals geld in omloop." (altijd goed om mensen die zuidelijker dan jijzelf wonen te betichten van slecht gedrag). Twee militairen houden de wacht voor het station. De lage avondzon maakt mooie schaduwen van voorbijgangers.
Ze hebben inmiddels bordjes met nummers bij de bushaltes geplaatst. Het is nu niet meer nodig om er door middel van rondvragen achter te komen dat er een versleten witgekalkte '2' staat onder de voeten of een koffer van één van de wachtenden. Die bordjes staan er sinds een paar maanden, verzucht de vriendelijke kaartjesverkoper bij de balie van het vliegveld: 'Langzaam maar zeker komt hier enige verbetering'.
De chauffeur draagt handschoentjes. Net zoals dat hier verplicht is bij de groente- en fruitafdeling van de supermarkt, vanwege de hygiëne. Mevrouw Shuttlestaff komt nu voor de derde keer de bus in en spreekt, of eigenlijk verzucht tot het blonde gezin vóór mij: 'Howe do I ave to telle you?!' Ze houdt haar vingertoppen tegen elkaar aan beweegt bij elk nadrukkelijk uitgesproken woord haar gebogen armen op en neer. Aan de blikken van de blonde mensen te zien, meenden zij haar eerdere instructies omtrent 'havy luggage' al te hebben opgevolgd. Ze sputteren nog wat tegen maar maken geen schijn van kans, de oranje dame zwaait hier de scepter. Ook mijn weinig overtuigende protest dat ik mijn koffer met laptop liever niet in het ruim van de bus stop, wordt snel afgeblaft: 'Zo zijn de regels en als het u niet zint, gaat u toch gewoon níet mee'. Ik ga braaf weer zitten.
Vijf minuten na vertrek beent in paniek een jongen door het gangpad naar voren. Hij zit in de verkeerde bus. De chauffeur toont weinig mededogen -daar heb je weer zo'n domme toerist-, herhaalt in gebrekkig Engels slechts waar hij heen gaat. Het gezicht van de toerist staat op onweer. Maar de chauffeur wil hem er best uitzetten.
De man naast me vertelt over het kinderfeestje dat hij alleen heeft moeten afhandelen en dat dat niet meeviel met acht van die meiden. Zijn vriendin was geveld door migraine. De vrouw tegen wie hij praat heeft ook een migrainegeval. De kinderfeestman zegt dat het moeilijk is voor te stellen wat hoofdpijn voor iemand is en dat zijn vriendin een kantoorbaan heeft en veel op haar smartphone bezig is en dat dat qua houding niet bevorderlijk is en......
Ik voeg er aan toe dat ook cijfers uitwijzen dat criminaliteit daalt maar bij veel mensen het gevoel van onveiligheid juist toeneemt. Dat het ook op het gebied van gezondheidszorg en alfabetisering beter gaat in de wereld. Maar dat je dat tegenwoordig bijna niet meer mag zeggen. Dat je daarmee afbreuk zou doen aan slachtoffers van de aanslagen van nu. "Maar ik zeg het toch", zegt hij en dan is hij aan de beurt.
Dit logje stond al een tijdje in de steigers maar er kwam steeds van alles tussen. Iets met schuren en kwasten en zo. Schrijven laat zich nog altijd lastig combineren met schilderen. Al zullen mensen die met schrijven hun brood verdienen het omgekeerde zeggen. Die komen vast niet aan klussen toe.
Maar nu terug naar die verfmaker. Als beursgenoteerd bedrijf, zo begrijp ook ik intussen, hebben aandeelhouders het voor het zeggen. De onmogelijkheid iets te weigeren kwam van hen. PPG had een een bod uitgebracht op Akzo. En toen nog één. Met als begeleidende tekst dat Akzo daar beter van zou worden. Maar de verfvoorzittercommissaris sprak over banen die daarmee verloren zouden gaan en zei nee. Een paar aandeelhouders wilden toen de voorzitter kwijt en toen dat niks uithaalde daagden ze Akzo voor de rechter: 'U mag dit niet weigeren want wij willen meer geld' (of zoiets).
De rechter stelde Akzo gister in het gelijk. Ze kwamen er van af met een reprimande. Akzo moest 'de verstandhouding met haar aandeelhouders goed houden'. Economie blijft bijzonder. Alsof iemand ongevraagd aanbelt om iets te kopen wat ik niet kwijt wil, en ik moet vervolgens uitleggen waarom. Maar kennelijk valt er zelfs in de wereld van heul veul nullen soms iets te weigeren. Deed ik bij monopoly ook wel eens. Als men mijn stations wilde kopen. Van vijandelijke overnames had ik toen nog nooit gehoord.
Moet ik me nu schuldig voelen dat ik morgen ga schilderen met Sigmalak van PPG in plaats van Sikkens van Akzo? Het aandeel is al met 1,8 procent gezakt. Ik heb mijn vaderlandse plicht verzaakt. Laat Leo het maar niet horen.


In deze stad troffen we geen hordes Engelsen, Hollanders of kuddes Chinezen met selfiesticks. Ook uren wachten voor de Tour Eiffel of het Louvre om een glimp van de Mona Lisa op te vangen was niet nodig. Het toerisme in Lille bestond slechts uit schoolklassen die met handen vol papieren met opdrachten over de pleinen liepen. Op de dag van vertrek liet Leo zich bij de coiffeur tussen de kebabzaak Istanbul en de Unversité du Droit et Santé knippen.
De meivakantie van mijn kinderen kwam voor mij als complete verrassing. Het stond keurig in mijn agenda maar opeens waren ze vrij. Wellicht speelt mijn leeftijd hierbij een rol, Douwe Draaisma schreef daar eens een mooi boek over: "Waarom de tijd sneller gaat als je ouder wordt". Dat de mei-vakantie volledig in april viel, hielp natuurlijk ook niet mee. 
We zetten de fietsen achterin, Kees smeerde broodjes, Leo bracht zelfs nog oud papier weg (om één of andere reden zijn klusjes die de hele week blijven liggen vlak voor vertrek opeens urgent) en kocht steriele gaasjes om de net geopereerde teennagel van Kees mee te kunnen verzorgen. Ik probeerde intussen kaartjes te regelen voor een toneelstuk maar de voicemail van het theater meldde iets met 'complet' en 'liste d'attendre'. Toevallig bleek er tijdens ons verblijf wel een belangrijke basketbalwedstrijd tussen Lille en Boulogne-sur-Mer te zijn. Op nog geen kilometer van het hotel. Wat wilden mijn twee dribbelaars nog meer?
Na viereneenhalf uur rijden waren we in Lille, zochten we een gratis parkeerplek, plantten onze rolkoffertjes achterop de fietsen en vervolgden onze weg. Net als in Nederlandse steden zijn bijna alle one-way-wegen aan beide zijden toegankelijk voor fietsers. Kees, die steevast onvoldoendes op school haalt voor Frans, vergeet het woordje 'sauf' nu nooit meer. Via de 'Rue de Jeanne d'Arc' (hoe Frans wil je het hebben?) reden we naar ons aftandse hotel waarvan de naam 'Mister Bed' weinig goeds beloofde. Op een misgelopen reservering, ramen die niet open konden, een restje wiet op de dekens, een lekkende kraan en beschimmelde kit na, was het voor twee nachten prima te doen.