Posts tonen met het label Afrika. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Afrika. Alle posts tonen

vrijdag 23 januari 2015

Het gebroken gezin in Dakar 3

Vervolg van 2

Na tien minuten in de taxi wordt het nog stadser. Ik vraag de chauffeur of hij weet waar het hotel is. Er komt geen duidelijk antwoord. Ik pak mijn Lonely Planet er bij en geef hem het adres. Hij geeft geen teken van herkenning. Ik probeer hem uit te leggen dat het met 'vue sur mer' is. Paulien: "Mama, waarom laat je hem niet de kaart zien, dan weet hij het toch wel?"  Ik: "Volgens mij zou hij daardoor niet beter weten hoe hij moet rijden."

We rijden volgens mij de goede kant op. Dan leg ik hem uit dat het bij de Corniche Ouest is. Dat lijkt voor hem enigszins richtingwijzend te zijn. We rijden door smalle straatjes (die bij ons eenrichtingverkeer zouden zijn, je kunt elkaar hier met geen mogelijkheid passeren), de chauffeur spreekt een man op straat aan: 'Hé grand frère!' Richt zich dan tot ons op de achterbank: "Hoe heette dat hotel?" Ik laat hem de gids zien. De Lonely Planet gaat naar de 'grand frère', die het ook niet weet. Lonely Planet weer naar de achterbank en verder rijden. 

Omdat ik nog steeds redelijk zeker weet dat we ongeveer goed zitten, vind ik het best. Het is ook wel grappig, zo'n nachtelijke sightseeing, met een aardige taxichauffeur, die niet weet waar ie ons naar toe moet brengen, maar die wel heel erg zijn best doet. Zo zie je nog eens wat van nachtelijk Dakar.


Het tafereel met een of andere 'grand frère' herhaalt zich nog een paar keer, tot er één een duidelijke beschrijving geeft, bij die winkel links, dan tout droit, dan bij dat punt zo en zo, dan bij dat ding rechts, en dan nog even tout droit, en huppeldepup bladiebla. Chauffeur lijkt het te begrijpen en binnen vijf minuten staan we voor ons hotel.


Er is een klein raamloos huisje waar een security-vent, helemaal ingepakt met muts en sjaal en winterschoenen, in diepe slaap verzonken half tegen de muur op een krukje hangt. Hij wordt niet wakker van ons. Chauffeur gebaart ons in de auto te blijven zitten en vraagt waakman, die hij eerst omstandig wakker moet maken, of hij met de taxi naar beneden naar het hotel mag rijden. Kennelijk mag het niet, chauffeur komt weer terug en helpt ons met het uitladen van de koffers.

Ik had er van te voren al op gelet dat ik kleine briefjes euro's had, zodat ik mijn vijftien euro passend kon betalen. Maar voor zijn gezoek en zijn nachtelijke stadstoer, en omdat hij de jongeman zo veel voor zijn bemiddeling moest betalen, en omdat het een aardige man is die zijn werk gewoon goed doet, ben ik best bereid twintig euro te betalen. Ik geef hem twee briefjes van tien euro en zeg dat het zo goed is. Ik verwacht eigenlijk een bedankje, maar hij staat wat schaapachtig naar de briefjes te kijken. Hij reageert vrijwel niet.

Dan leg ik hem uit dat de vijftien euro die ik met de jongeman had afgesproken, ongeveer tienduizend francs is. En dat twintig euro veertienduizend francs waard is. Dan klaart zijn gezicht op,  hij bedankt me, probeert me nog een toer aan te smeren door te vragen wanneer hij ons weer op kan halen en welke toer we zouden willen doen, en verdwijnt dan in de nacht. Wij pakken onze koffers en lopen naar het hotel. Halverwege komt iemand van het hotel de trappen op rennen, zijn veters nog los, om ons te helpen met dragen. Die zat vast ook te slapen bij het wachten op late gasten.

Aan de receptie moeten we ieder een kaartje met formaliteiten invullen, paspoortnummer, beroep, adres, de hele reutemeteut. Dan met meneer de drager naar de eerste verdieping. Het hotel ziet er net zo gek en exotisch uit als op de foto's. In de lift met rood tapijt staat een gietijzeren zitbankje. Aan de muur op de gang zijn reliëfs van Romeinse en Egyptische taferelen. Op de vloer in de gang liggen mozaïeken in de vorm van zebravellen.


Boven het grote bed hangt een klamboe, boven het eenpersoonsbed niet. We hangen onze klamboe op, poetsen onze tanden, kleden ons om, werpen vanaf ons balkon nog even een blik op zee, en vallen dan doodmoe in bed.

Wordt vervolgd.


dinsdag 20 januari 2015

Het gebroken gezin naar Dakar* 2

Vervolg van 1
 
Wij gaan met zijn drieën naar het loket. Heeft u een visum? Nee, hebben we niet. Wilt u dat kopen?
Nou ja, si c'est obligé, dan wel, ja. 
Ok, loopt u maar met die mevrouw mee. Er zijn – behalve een paar officiële figuren in uniform – verder geen mensen. (Zijn we de enigen die hier een visum moeten kopen?) Eerst moeten we 157,50 euro betalen (Tsja, ze willen hier natuurlijk wel wat aan die toeristen verdienen). Dan moeten we naar een andere politiemeneer, waar ik op een stoel voor een fotoapparaat moet gaan zitten. Ondertussen staart meneer op zijn beeldscherm. Het apparaat waar ik voor zit, ziet er uit alsof het niet echt (of: echt niet...) werkt. 

Inderdaad krijg ik tien minuten later een visum in mijn paspoort geplakt, waar een foto van de foto in mijn paspoort bij staat. Er staat inmiddels een rij van vijftien personen achter ons. Ook de vrouw met het kindje. Ze legt uit dat zij Senegalese is maar het jongetje Frans, dus dat hij een visum nodig heeft. We praten over het belang van de nieuwe taal en de nieuwe nationaliteit voor de kinderen die in dat andere, nieuwe land opgroeien, waar je als ouder heen bent geëmigreerd. Intussen maak ik me zorgen over onze koffers en hoop maar dat ze straks nog ergens op een band rondrijden.


Ik ga zowat van mijn stokje van de vermoeidheid. Ook de kinderen zitten te gapen. Dan begint meneer de eerste autoriteit iets tegen me te zeggen, ik versta het slecht. Waar heeft ie het nou over? Koffie? Ik moet hem koffie geven? Wil ie koffie met me gaan drinken? 
Nu? 
Hier? 
Ik begrijp er geen hout van. Ik begin maar wat te antwoorden, zeg dat we moe zijn, dat de kinderen willen slapen, dat we naar ons hotel willen. Dan begint me iets te dagen. Ja ja, koffie. Zou dat -een half uur nadat we Senegalees grondgebied hebben betreden- een verzoek om smeergeld zijn? Of zie ik nu beren op de weg? Ik doe alsof mijn neus bloedt en klets maar wat verder over moe en kinderen en lange reis en willen slapen.


Na een klein half uurtje zijn we alle drie klaar en kunnen we naar onze koffers op zoek. Geen idee welke band we moeten hebben, nergens staat iets aangegeven. De meisjes bestuderen de wachtende mensen en zien dat er meerdere mensen zijn die bij ons in het vliegtuig zaten, dus het zal wel de goede band zijn.


Als we weer buiten staan is midden in de nacht, warm, vochtig. De sfeer is stads. Tientallen mensen staan geduldig aan hekken te wachten. Veel mannen, ook een aantal vrouwen, met prachtige gekleurde gewaden en grote om hun haar gebonden doeken. Veel mannen met djellaba's en van die kleine petjes/hoedjes. Zeer Afrikaans, zeer islamitisch.


We zijn de deur nauwelijks uit of ik word aangesproken door een jongeman die vraagt of we een taxi nodig hebben. De kinderen zijn al wat verder gelopen, in de veronderstelling dat we niet met de eerste de beste die ons aanspreekt, mee gaan. Maar ik vraag toch maar of hij weet waar hotel Sokhamon is en wat dat ritje zou kosten. Vingt euros. Volgens mijn info zou het tussen de douze en quinze euros moeten kosten, dus ik stel quinze voor. 

Hij vindt het best, pakt mijn rolkoffer, ik roep de kinderen en we lopen in flink tempo achter mijn rolkoffer aan de hand van meneer aan. Hij wordt door het dranghek gelaten, heeft kennelijk goede connecties. Met vlotte pas loopt hij naar de straat, waar taxi's staan te wachten. Maar hij loopt verder, de straat een stuk in, tot hij geroepen wordt. Hij draait zich om, loopt (nog steeds met onze koffer) nu met flinke pas weer naar het begin van de rij taxi's, hij smijt mijn koffer in de achterbak van de eerste taxi en gooit de bak dicht. Ondertussen is er een wat oudere man uit de taxi gestapt, degene die hem had geroepen, die doet de achterbak weer open, laadt onze tweede rolkoffer in en laat ons alle drie op de achterbank plaatsnemen. Chauffeur stapt in en gaat achter het stuur zitten, jongeman stapt aan de bijrijderskant in. Er ontstaat een niet al te vriendelijke woordenwisseling tussen de twee mannen voorin, terwijl meneer de chauffeur langzaam is begonnen te rijden. Ondertussen probeert de chauffeur met zijn rechterhand uit de catacomben van zijn dashboardkastje wat geld vandaan te vissen. Een paar duizend francs. Volgens jongeman is dat niet genoeg, nog duizend franc erbij, nog duizend franc. Als we een paar honderd meter met een slakkengangetje gereden zijn en jongeman eindelijk tevreden is met het bedrag, stapt jongeman uit en rijdt chauffeur mopperend verder.

Ik probeer in het Frans een gesprek aan te knopen over wat er nou was. Ik begreep al dat jongeman alleen maar een klantenvanger was, geen taxichauffeur, maar hoe dat nou zat en hoeveel hij voor welke diensten betaald kreeg, dat kan ik toch niet doorgronden. Ik vertel de chauffeur dat jongeman was ingegaan op mijn bod van vijftien euro. (Niet dat we daar straks nog onenigheid over krijgen.)


In ieder geval lijkt de chauffeur me een aardige vent. Ik leg de kinderen uit dat het mopperen van de  chauffeur op jongeman mij wel vertrouwen gaf in de chauffeur. Paulien: "Huh, omdat hij boos werd op die jongen, vind je hem aardig?" Ik: "Omdat de chauffeur beledigd was dat de jongeman zo veel geld wilde hebben, denk ik dat de chauffeur in ieder geval niet iemand is die ons gaat oplichten of die onaardig tegen ons zal zijn."


Het is half drie 's nachts, voor ons dus al half vier. Onze taxi heeft aan de voorkant zo goed als geen licht, achter iets meer. Je kunt de weg nauwelijks zien vanwege de strepen op de voorruit. Er is behoorlijk veel verkeer onderweg, veel taxi's. Buitenwijken van Dakar, veel blokkenhuizen, platte daken, eenvoudig gebouwd, lijkt wel wat op de buitenwijken van Caïro, maar dan minder dicht bij elkaar gebouwd.

Met zijn drieën achterin de auto. Nuna: "Mama, de snelheidsmeter doet het niet." Inderdaad, de wijzer blijft op 10 km/h hangen. Paulien: "Mama, ben jij bang?" Ik: "Nee, ik ben niet bang. Ik vind het wel erg spannend, hoe het er hier uit ziet, hoe de vakantie wordt, waar we belanden, maar ik zou niet weten waar ik bang voor zou moeten zijn. 
Paulien: "Goed. Als jij niet bang bent, dan ben ik ook niet bang."







* Mijn zus woont met haar dochters in Berlijn. Zomers is het daar goed toeven maar de barre winters ontvlucht ze graag. Naar Thailand, Jamaica of de Canarische eilanden. Ze schrijft over wat ze ziet, hoe je koopt of onderhandelt in een taxi. Over hoe haar puberdochters omgaan met hun nieuwe indrukken. Als ik haar verhalen lees, is het alsof ik er bij ben. Daarom deel ik het hier graag. Dit is het ingekorte verslag van de reis die ze in 2014 met haar dochters van twaalf en vijftien naar Senegal maakte.

Wordt vervolgd

zaterdag 17 januari 2015

Het gebroken gezin naar Dakar*

Na een uurtje door Berlijn met bus en metro, zijn we om elf uur 's ochtends op vliegveld Schönefeld. De bagage wordt al voor het inchecken gescand. Wat zouden ze controleren? Je kunt daarna gewoon nog wat in de bagage stoppen. Dat doen we dan ook. De koffers laat ik niet doorchecken tot Dakar, want met vijf uur overstaptijd in Portugal kunnen we zo mooi nog bij ons flesje water, potje boter en zakmes.


In Lissabon lijkt het wel Afrika. Meer dan de helft van de mensen die staan te wachten is zwart. Terwijl we toch een vliegtuig uit Berlijn hadden en niet uit Timboektoe. Waar zouden onze koffers zijn? Recolha bagagem. Bagaazj. Interessante taal, Portugees. Vooral die uitspraak. Mijn oudste dochter Nuna (15) vindt het op Russisch lijken.


Na wat rondzwerven vinden we onze koffers eenzaam op een band ronddraaien. Eerst maar even een verpleegpauze met pleisters en jodium voor Nuna's gewonde vinger. Het is een graad of dertien, stralende zon, maar de straat is nat. Met zijn drietjes duwen we onze kar vol bagage over het spekgladde plein, dat is omringd door palmbomen.


Bij 'My Bistro' bestellen we wat eten. Kan ik hier nou al 'Salaam aleikum' zeggen? O nee, we zitten nog in Portugal. Mijn jongste dochter Paulien (12): "Mama, het vlees van jouw hamburger ziet er lekker uit."  Ik: "Ja, ik dacht al dat dat hier goed zou zijn, dit is geen MacDonalds, die hamburger is vast zelf gemaakt."

Ik heb geen idee wat we volgende week te eten krijgen. Nuna: "Waar hadden we ook al weer dat vieze eten uit blik, waar we niet konden lezen wat er op stond? We hadden toen die zure ingelegde kool. En in dat andere blikje zat vis, hoewel er een plaatje van een kip op stond. Volgens mij was dat vogelvoer."


Na ons maaltje gaan we verderop op een bankje zitten. De kinderen spelen met hun mobiel, ik naai het jurkje van mijn jongste dochter. Voordat we ons boeltje weer inpakken nemen we de tweede portie van onze Malarone-kuur, waar we gisteren in Berlijn mee zijn begonnen.


Om zeven uur checken we de bagage weer in en krijgen nieuwe instapkaarten. Bij de douane vraagt de Portugese beambte in het Duits aan de kinderen of ik hun moeder ben. "Ja, meneer." "En jullie vader?" Ze snappen de vraag niet. Paulien antwoordt dat haar ouders uit elkaar zijn. Dan wil hij nog weten waarom ze naar Senegal gaan, is dat voor vakantie? Ja, dat is het. Daarmee neemt hij genoegen. Het is vast bedoeld tegen kinderontvoeringen.

 Dat we paspoorten van verschillende landen hebben, vinden ze bij sommige douaneposten maar vreemd.

Twee jaar geleden vroeg een Frankfurtse douanier, van hooguit 25 jaar: "Mevrouw, is uw man Duits?" "Nee meneer, ik heb geen man, nooit gehad ook."
 Hij: "Waarom zijn de kinderen dan Duits?" 
Ik: "Ze hebben een Duitse vader." 
Hij -op zijn teentjes getrapt- : "Wollen Sie diskutieren, oder was?"
In zulke gevallen ben ik blij dat de kinderen mijn achternaam hebben. Anders zouden we bij de grens vast vaker problemen krijgen als 'gebroken gezin'.





Het is één uur 's nachts als ik mijn voor het eerst van mijn leven voet op Afrikaanse bodem zet. Het voelt hier warm, vochtig, een beetje benauwd, ondanks een zeebriesje. Ik help een mevrouw met een kindje op de arm met haar loodzware handbagage. Naar binnen, drie verschillende rijen, ik loop maar met haar mee. Ze zegt dat ik naar de andere rij moet maar verwacht kennelijk toch dat ik met haar koffer achter haar aan loop. Ik zet de koffer bij haar neer, kruip met de kinderen onder twee linten door en sta dan hopelijk in de goede rij. Je kunt het aan de kleur van de mensen niet zien. Die zijn in alle rijen zowel zwart als blank.
Voor ons staat een man alleen bij het loket, de douanemevrouw vraagt hem iets in het Frans en kijkt dan vragend naar ons. Hij antwoordt in het Italiaans dat hij alleen is en dat wij niet bij hem horen. Ze vraagt hem nog iets. "No, solo italiano." Zal ik deze meneer te hulp schieten en voor hem vertalen? Dat doe ik in zo'n geval meestal wel. Maar ik heb even geen zin en denk dat we straks zelf ook nog allemaal formaliteiten moeten regelen. Hij moet zelf maar zien hoe hij het redt. (Gaat een beetje een verre reis naar Afrika maken zonder ook maar een woord Engels of Frans te leren. Daar moet je echt Italiaan voor zijn.)

Vervolg


 








* Mijn zus woont met haar dochters in Berlijn. Zomers is het daar goed toeven maar de barre winters ontvlucht ze graag. Naar Thailand, Jamaica of de Canarische eilanden. Ze schrijft over wat ze ziet, hoe je koopt of onderhandelt in een taxi. Over hoe haar puberdochters omgaan met hun nieuwe indrukken. Als ik haar verhalen lees, is het alsof ik er bij ben. Daarom deel ik het hier graag. Dit is het ingekorte verslag van de reis die ze in 2014 met haar dochters van twaalf en vijftien naar Senegal maakte.

dinsdag 4 november 2014

Vaste grond onder je voeten

Ouders verdrinken, kinderen verdrinken, verhalen verdrinken (schokkend tot 3.00). Soms komen er ook nieuwe verhalen. Over nieuwe liefdes en nieuwe baby's. Die worden verteld en voorgelezen. Zoals Christine Otten dat deed met Rafael. Over de baby die werd geboren uit de liefde tussen twee werelden. Zijn vader belandde in Brabant via Italië. Dat vreselijke, beloofde land dat zich als laars uitstrekt naar Afrika, dat immense continent dat voor het gemak vaak als één wordt gezien.

Gelukkig komt er tussen de drenkelingen door soms ook nog een ander beeld onze huiskamer binnen. Een beeld dat niet past bij ons beeld van Afriland, niet tegemoet komt aan onze drang om goed te willen doen. Want dat is wat Europa het liefst doet. Goed doen. Om onze superioriteit te bestendigen. Zo lang er mensen hierheen willen, zal het hier vast beter toeven zijn dan daarzo.
  
Maar vorige week, in 'Dwars door Afrika', zagen we hoe Portugese juffen les gaven aan rijke zwarte kleuters in Angola (ik meende dat het schoolgeld zo'n negenduizend euro per jaar bedroeg). De juffen misten hun familie in thuisland Europa, maar dankzij skype was het best te doen. Of gister, in Nieuwsuur. Met die multimiljardair die fortuin had gemaakt met mobieltjes in Afrika.

Zei ik miljardair? Haal dat beeld van die blanke patser dan maar gelijk weer uit uw hoofd. Deze man heet Mo en, 'ook al is ie zwart als roet, dat pak staat hem goed'.  Hij reikt een geldprijs van miljoenen dollars uit voor excellent leiderschap in Afrika. De selectiecriteria zijn streng. "Hoeveel wegen heb je aangelegd, hoeveel scholen en ziekenhuizen zijn er gebouwd? Heeft je bevolking eten op tafel, toegang tot stroom? Wat heb je gedaan aan vrouwenemancipatie?"

De boodschap was echter ook een andere. Dat Afrika barst van de bodemschatten, van jonge ambitieuze mensen. Jazeker, er zijn ook ziektes en oorlog. Maar ik stel me zo voor dat wanneer ik als pas afgestudeerde uit Dodoma (hoofdstad van een land vol goud, diamant, uranium en wat niet al. Tanzania. Claus had het vast erg warm uitgesproken). Goed, dan wil ik als zwarte academicus dus iets vertellen over bijvoorbeeld de nieuwste stedebouwkundige inzichten, maar willen mijn toehoorders alleen weten of ik ook mensensmokkelaars ken. Alsof hier in Groningen de bommen klaarliggen die ze in Oekraïne gebruiken. (Tripoli-Dodoma is drie keer de afstand Groningen-Donetsk) 

Maar mijn mantra kennen jullie nu wel. En het is ook wel erg makkelijk om steeds commentaar te leveren vanaf de zijlijn. Laat ik het wat dichter bij huis houden. Waar kan dat beter dan bij mezelf.

Ook ik nam voor de zoveelste keer een vlucht naar Italië. Niet via het ruime sop, maar door de lucht. Vanaf Rotterdam. Vlak voordat we het luchtruim kozen, bleek het paspoort van mijn lief verlopen. We konden gelukkig zonder smeergeld door. Of we Italië weer uit mochten was ons eigen risico.

We liepen eindeloos over Romeinse wegen en ik liet mijn lief zien waar ik kozijnen had geschuurd en vissoep gemaakt. We belandden per ongeluk op het plein waar ik agretti kocht en liepen rond de Engelenburcht waar ik eens buiten sliep, toen ik er eind jaren tachtig op bezoek was met een goede vriend (die wrang genoeg verdronken is. Hij werd niet opgevist in Mare Nostrum -'Onze Zee'- maar in onze zee, de Noordzee).

Sommigen vinden via Italië een nieuw lief in Brabant, ik verloor onder de Italiaanse septemberzon die van mij steeds meer uit het oog. Daar veranderden het goddelijke ijs, de bloemenpizza en mierzoete desserts niets aan. Of keek ik te veel naar mijn eigen weg? Was dat juist de oorzaak? Liet ik opnieuw te veel liefde achter in dat vreselijke, beloofde land? Misschien moet je een oude passie ook niet willen delen met je lief. Met de zon op je huid en de geur van caldarroste in je neus.





Na Rome liepen we over de kasseien van Todi en Montefalco. Ik liet hem zien waar ik woonde, werkte of wanhoopte. We redden samen een kat, aten gebakken paardensla en verdwaalden hobbelend over een witte weg, waar we aan de voet van de Apennijnen samen naar zonsondergang keken. Het mocht allemaal niet baten.

We gingen terug naar huis per auto, vliegtuig, trein en bus. Maar toen we na veertien uur eindelijk weer vaste grond onder onze voeten hadden, nam ik een andere weg.

De vraag is alleen
Welke grond?
Welke weg?









Vanavond zong ik
Vois sur ton chemin
en little light
In koor.

maandag 26 mei 2014

Lieve Joris

'Ze ontmoet Afrikanen die dankzij hun handeltjes in hun thuisland huizen en winkels kunnen bouwen, en Chinezen die hun liefde voor Afrika angstvallig geheim houden uit vrees dat hun landgenoten het continent zullen overspoelen.' Aldus valt te lezen op literatuurplein over het boek dat Lieve Joris schreef en daar afgelopen zaterdag de Bob den Uyl prijs voor kreeg.

Ik heb haar boek, 'Op de vleugels van de draak' nog niet gelezen, maar word hier wel blij van: 'Lieve Joris reist in het kielzog van Afrikaanse handelaars via Dubai naar China, waar ze ziet hoe zich buiten ons westerse blikveld een kleine revolutie voltrekt'.  

Lieve lezers van kranten en nieuwsites, laat je niet meeslepen door angstvoedende berichten over een tsunami aan vluchtelingen. Of de onheilstijding dat Italië onder de voet zou worden gelopen door mensen uit Libië terwijl politici bekvechtend over straat rollen over hoe het tij te keren.
Een Europese aanpak! Een quotum! Grenzen dicht!
Maar van wat, beste mensen? Waarvoor? Tegen wie?

Het mag een wonder heten dat er sowieso nog mensen zijn die op gammele bootjes de Middellandse Zee willen oversteken. Terwijl hier, in tegenstelling tot sommige landen waar ze vandaan komen, geen olie en bauxiet in de grond zit. Europa vergrijst. Jonge mensen die straks nog kunnen werken, studeren en consumeren komen uit Afrika!

In 2007 kreeg Maxima op haar flikker toen ze aan 'de' Nederlandse identiteit twijfelde.
In 2008 schreef ik over de enorme schuld die Obama erfde in een aan China verkochte VS.
In 2009 was Obama op bezoek bij de universiteit van Caïro (gek hè, een universiteit in Afrika) en zei: 'Wij zijn allen maar korte tijd op aarde. De vraag is of we die tijd gebruiken om verdeeldheid te brengen of om een gemeenschappelijke grond te vinden voor een toekomst voor onze kinderen.' 
In 2010 schreef ik hoe Aziaten aan een erectie van drie miljard bouwden in islamitisch Dubai.
En in 2012 schreef ik over werkloze Spaanse kantoorklerken die terugkeren naar hun dorpen en over  Portugal die haar hoogopgeleiden naar Angola en Brazilië ziet vertrekken. Naar waar werk is. Terwijl de baas van Angola intussen aandelen koopt in banken en telecombedrijven in Portugal. In Europa.

En nu schrijf ik het weer. Als roeper in de woestijn. Want onze eigen xenofobe partij sleepte vier zetels binnen op het door hen zo gewraakte Europese pluche. Ook in Frankrijk zijn de stemmen geteld. Het Front National heeft intussen net zo veel zetels als de gehele Nederlandse afvaardiging bij elkaar.

Ze zullen daar in Brussel ook wel een soort verplichte inburgering kennen. Uiteraard staat Lieve Joris' bekroonde boek dan op de leeslijst. Als nationale held. Ben benieuwd wat de Franse en Nederlandse nationalisten er van bakken. Misschien gaan ze na lezing hun partijprogramma wel herschrijven. Maar het is ook mogelijk dat Wilders en le Pen alvast een loft kopen in Luanda, Dubai of Tunis.

Heb ik ook eindelijk een goede reden om in Europa te blijven.

vrijdag 16 mei 2014

P & W en de ontwrichting van het groene gras

Christine Otten heeft een boek geschreven over Winny, Nizar en hun liefdesbaby Rafael maar vooral over hun moeilijke weg om samen te kunnen zijn. En zo zagen we bij Pauw en Witteman het gezicht achter de onheilstijding van Opstelten. Die het had over een enorme toename van vreemdelingen.

Er werd geopperd om het boek aan alle Tweede Kamerleden cadeau te doen. Een nobel streven, maar ik heb niet de illusie dat er enig kruid is gewassen tegen termen als 'ontwrichting van de maatschappij' die Frans Timmermans bezigde. 'Iedereen wil wel een van negen tot vijf baan' voegde hij er aan toe. Ik kon de zestien miljoen onderbuiken bijna horen. Zelfs Otten kon niet op tegen dergelijke retoriek en gaf de minister in een onbewaakt moment gelijk: 'Ja, dat is natuurlijk zo, maar...'

Aan tafel bij Pauw en Witteman wilde Timmermans zich ook niet van zijn slechtste kant tonen (hij heeft vast meer mediatraining gehad dan Otten). Hij beaamde op zijn beurt dat er achter de cijfers, afzonderlijke verhalen van mensen schuilgaan. Het was dan ook niet zijn bedoeling om de arme vluchtelingen, maar juist de slechteriken aan te pakken, de mensensmokkelaars. Kijk, daar kunnen we wat mee: een onderverdeling maken tussen de good en de bad guy. Arme vluchtelingen versus op geld beluste gemenerds. Hoeft de kijker tenminste niet met zijn geweten in de knoei te komen.

Maar het echte nieuws kwam van de Brabanste kapster Winny zelf. Ze vertelde over haar Tunesische schoonmoeder. Die kwam op familiebezoek in Nederland en hoewel ze een toeristenvisum voor drie maanden had, was ze na een maand alweer liever naar huis gegaan.

Ik ken veel schoonmoeders als die van Winny. Wie zelf ervaart hoe het leven hier is, ziet het groene gras al gauw verdorren. Maar als je tienduizend dollar hebt betaald, waar de rest van de familie wellicht ook nog krom voor heeft gelegen, keer je iets minder makkelijk op je schreden terug. Al was het alleen maar om je gezicht te redden.  

Mijn Iraanse vriendin G. probeerde vorig jaar haar zwager ervan te weerhouden naar Europa te komen. Hij had er jaren voor gewerkt en gespaard. Zijn tocht naar het beloofde land was een obsessie. G. had gepraat als Brugman, niet alleen om hem de gevaarlijke tocht te besparen, maar vooral omdat ze wist wat hem hier te wachten stond. Maar ze snapten het niet, werden zelf een beetje boos, want waarom bleef zij zelf dan eigenlijk in Nederland? Wilde zij soms, als enige familielid dat Europa in mocht, al die rijkdom voor zichzelf houden?

De smeekbede van G. hielp niet. Maar haar zus en zwager veranderden wel van gedachten na een vakantieweekend in Istanbul. Het was er vreselijk, nog erger dan in Iran. Bij thuiskomst besloten ze hun tienduizend dollar anders te investeren.

Voor velen die buiten 'fort Europa' wonen is het onbegrijpelijk dat er hier geen goud uit de kraan stroomt. Hoe groter de slotgracht, hoe begerenswaardiger het fort. Maar andersom gaat die vlieger ook op. Politici als Timmermans en Teeven werken er zelf hard aan mee. Landen waar vluchtelingen vandaan komen zijn onderontwikkeld en arm. Rechts hanteert het beeld van gelukszoeker, links houdt het meer op arme stakkerds. Van Marokko tot Egypte. Van Syrie tot India.

Daarom was ik zo blij dat er uit Syrië eindelijk ook weer eens beelden van een school, een markt, dansende jongeren en een kinderklerenkast te zien waren. Jazeker, de mortieren in de verte kon je horen, maar intussen vonden de olijven op de markt gretig aftrek. Net zo min als hier goud uit de kraan komt, woont daar iedereen in een tent.

Het voordeel van Rafael is dat hij straks het Tunesische en het Nederlandse gras kent.
Kan hij zelf ruiken aan zowel de jasmijn als de tulp (je weet wel, die bloem uit Perzië)

donderdag 5 juli 2012

Grachtengordel met de grond gelijk gemaakt



Heb je het gehoord?
of in de krant gelezen? 
Heeft iemand er überhaupt ooit iets over gelezen? 
Of wel eens iemand gesproken die er vandaan kwam? 
Daar waar handel werd gedreven in goud en kruiden en textiel? 
Waar de geletterdheid al ver voor de gouden eeuw wijdverbreid zou zijn? 
Zo lees ik net. Want ook ik moest weer even opzoeken hoe dat nou zat. Daar in Timboektoe, in het huidige Mali. Waar dit weekend een ware beeldenstorm plaatshad, die nog niet is uitgewoed.
De titel komt uit dagblad Trouw: 'De verwoestingen in Timboektoe kunnen uitlopen op een cultuurvernietiging die vergelijkbaar is met een verwoesting van bijvoorbeeld Florence, Canterbury of de Amsterdamse grachtengordel.' Ik had dus ook Florence kunnen aanhalen. Waar hordes zwaarbewapende godsdienstfanaten dan, in naam van de heer, eeuwenoude kerken in brand steken, een heksenjacht beginnen en Palazzo Vecchio platgooien. Omdat het afleidt van het ware Christendom.

Marokko heeft de daden veroordeeld. En buurland Algerije had juist succes geboekt bij de bestrijding van terrorisme in naam van Allah. Waarna de groep die zich Asnar Dine noemt, in het aangrenzende Mali misbruik kon maken van de chaos daar. Die uitbrak toen Toearegs (je weet wel, van die blauwe ninja's) in april de onafhankelijkheid van Noord-Mali uitriepen. Dat niet werd erkend. En hoewel ze iets riepen over een 'grondwet' en 'staakt-het-vuren', werden de ninja's al gauw zelf onder de voet gelopen. In Timboektoe schijnt inmiddels de sharia te zijn ingevoerd. En worden monumenten kapotgeslagen. Die van leem zijn gemaakt. Er is weinig voor nodig om ze met de grond gelijk maken. De wind zal het werk afmaken. En anders doen ze het zelf, zegt Asnar Dine.


Ik wilde opzoeken wat die naam betekent. Zou het Malinke, Pular of Bambara zijn? Of één van die vele andere talen die er wordt gesproken. Maar geen van deze talen wordt als optie gegeven bij googletranslate (het Gularati of Tagalog wel. Waar zou dàt de voertaal zijn?). Het klinkt Arabisch. En Arabieren hebben nooit veel opgehad met zwart Afrika. Het geeft ze vast een vrijbrief om de eeuwenoude moskeeën te lijf gaan, zogenaamd vanwege 'niet recht in de leer' en afgoderij. Een Afrikaanse beeldenstorm. Omstanders kijken er huilend naar en kunnen weinig uitrichten.
 


Wat wij kunnen doen? Nou, kennis nemen van het rijke verleden van Mali, van Timboektoe, van Bamako, van Segou. Waar landsgrenzen weinig verband hebben met de volken die ze herbergen. Lees bijvoorbeeld 'Segou, de aarden wallen', het epos van Maryse Condé. Waarin wordt verteld over een koninkrijk dat teloorgaat, over slaven, nomaden, de rol van vrouwen, de eerste blanke die in West-Afrika een kijkje neemt en, last but not least, de Islam die zijn intrede doet. Het tweede deel van Condé's boek is behoorlijk gewelddadig, maar het helpt om te begrijpen wat we niet op school leerden. Zelfs van de overzeese strijd, in Zuid-Amerika, wordt verslag gedaan. Wie, waarom elkaars bloed wel kan drinken. Over de waanzin van oorlog. Die families verscheurt. Het boek is ook nog eens erg goed geschreven. En prima vertaald.

Liever muziek? Kan ook. Van Zita Swoon bijvoorbeeld. Het is weliswaar een Belgische band, maar ze maken ook swingende muziek met Mamadou Diabaté Kibié. Uit Burkina Faso. Alwaar de moskee staat op de foto hiernaast. Die in mijn Westerse ogen verdomd veel lijkt op die in Mali (maar dat is vast net zoiets als het Colloseum in Rome vergelijken met de Sagrada famiglia in Barcelona). Toen ik, naar aanleiding van een blog van Sanneke, Zita Swoon hier in de schouwburg hoorde spelen, nodigde leadzanger Stef Kamil het publiek uit om te komen dansen, maar ook spoorde hij iedereen aan om vooral zelf een kijkje te gaan nemen in dat prachtige continent.


Terug naar de krant. Harriët Duurvoort roept in de Volkskrant van 2 juli Bono op om een hit te maken over het afschaffen van Europese landbouwsubsidies. Dat zou meer zoden aan de dijk zetten dan alle ontwikkelingshulp bij elkaar. Die vooral corrupte regimes ten goede komt. Maar er is hoop. Want, zo schrijft ze 'in Ghana, is het binnenkort beter toeven dan in Griekenland. Ze haalt een Afrikaanse econome aan, ene Dambis Moyo. (ja, mensen, die hebben ze daar in Afrika óók. Een economie. En economen). Moyo pleit voor een gezondere markt. China timmert al aardig aan de weg.  Letterlijk. China asfalteert Afrika. En Afrika gaat straks Europa redden. Wat zeg ik, dat doet het al. Want Afrika barst van de bodemschatten en Europa's economie is gebouwd op lucht. Chinezen beseffen dit en laten Europa links liggen. Misschien dat Amsterdam, ergens in 2030, hulp krijgt van een Malinese troepenmacht, om het doorbreken van de dijken door extremistische christenen uit Scandinavië en het laten overspoelen van Amsterdam te verhinderen. Wie weet.