Posts tonen met het label vrouw. Alle posts tonen
Posts tonen met het label vrouw. Alle posts tonen

dinsdag 27 september 2016

Listen to me

Er belt iemand. Niet met mij. Iemand die Engels spreekt. Een man. Geen Engelsman. Ik kan hem niet zien. Maar hoor wel wat hij verdient. Hij zegt vierhonderd euro per maand op te sturen, een kwart van zijn maandsalaris.  'Listen... listen to me, I'm not finished yet....'

Aan het geluid te horen ijsbeert hij op en neer in een tuin verderop. De mensen aan wie hij het geld stuurt zouden een huis bouwen. Waarin ze al zijn gaan wonen. Wat hij onverstandig vindt. Want er is iets met de eerste verdieping. Die ook nog niet 'finished yet' is. And did they told you that he will get een kamer helemaal for himself? Waar hij kan gamen?

Kennelijk is het opsturen van geld voor het bouwen van het huis ook een investering in zijn eigen toekomst. Maar het is 'Not enough', Not en-nough!!!.... I told you!!! Listen to me!! 

Probeert hij de ander nu te vermurwen om óók geld te sturen? Is het zijn zus? of broer? Dat laatste lijkt me onwaarschijnlijk. Veel mannen vinden het onverteerbaar om 'luister naar me' te horen te krijgen. Ze zullen het vast ook niet snel zelf tegen een andere man gebruiken.

Intussen meet en zaag ik nieuwe stukken hout voor de verrotte dorpel en zijstijlen van een kozijn. Op mijn knieën. Een oudere man uit een andere tuin kijkt op me neer. "Je hebt er wel mooi gereedschap bij." Hij leunt met zijn armen over elkaar over de lage schutting. Ik begin een babbeltje met hem over de Engelsman die niet Engels is. En boos blijft. Over 'Honey Listen', zoals zijn gesprekspartner nu wordt aangeduid. De oude buurman zegt niks terug. Hij laat wel veel scheten. En een boer. 

Ik lijm de stijlen vast en zet er klemmen op.
De Engelsman is uitgepraat.
Of het huis in Marokko, op Sumatra of in Etten-Leur wordt gebouwd weet ik niet. 
Wel weet ik dat de oude buurman doof is.
Zo hoor ik later van de mensen voor wie ik werk.

zondag 26 april 2015

Over de flex en het gebed

Woensdagmiddag zat ik op mijn knieën op een trap. Met de haakse slijper. Buiten. Er drentelden wat mensen in de buurt. Een paar rokers, een vrouw die twee keukenmedewerkers een uitbrander gaf, mensen die kennelijk bij het hotel hoorden waar ik een traptrede vergrootte. Want de bovenste tree naar het net verbouwde souterrain was zo krap dat bezoekers er dreigden naar beneden te kukelen. "Wanneer kan ik de nieuwe gasten inchecken?" vroeg de balieman aan de uitbater. "Nu", luidde het antwoord.

Ik schoof mijn gereedschap aan de kant, goot het gietertje water, dat klaarstond om de slijpschijf te koelen over de bestofte treden en nodigde de gasten breed lachend uit. Hun maagdelijk witte schoentjes zetten ze voorzichtig op de droge straatklinkers die ik had neergelegd zodat ze geen drek mee naar binnen zouden lopen. In mijn beste Engels zei ik hen ook dat, als ze weer naar buiten wilden, even op het raam moesten kloppen, of zwaaien. Ik kon ze namelijk niet horen, en wees op mijn gehoorbescherming. Volgens de balieman zou dat niet nodig zijn. De gasten wilden, na hun reis uit Saoedi-Arabië, vast vooral slapen.

Saoedi-Arabië.
Juistja.
Gniffelend zette ik mijn werk voort. Die arme jongens uit het land van Mekka en Medina, waar vrouwen niet bekwaam of sterk of weerbaar genoeg worden geacht om zonder begeleiding auto te rijden, moesten zich nu langs een bezwete stratenmaakster wurmen. En straks, als ze hun keurige appartement wilden verlaten, moesten ze eerst wenken naar een bestoft bouwvakkersdecolleté.

Klop klop klop, "Excuse me, could you tell me where the North is?"
Met een blik op de grijze hemel haalde ik mijn schouders op. Die inmiddels ook al aardig grijs waren. De hotelbaas bracht opheldering en legde zijn I-phone op een van de terrastafeltjes. Prachtig digitaal kompas. Ik excuseerde me voor de herrie, zei dat het niet erg lang meer duurde. "No no, it's no problem, we have to pray five times a day". En zo verdween de mooie Arabier weer langs de dame in zijn souterrain.

woensdag 14 januari 2015

Ik heb er ook twee. Eindelijk!

Ze waren er plotseling. Of ik merkte het plotseling. Zou het met de griep te maken hebben? Waar half Nederland door lijkt te zijn geveld? Waardoor ook ik twee dagen hoestend, zwetend, duttend en, niet te vergeten wordfeudend op de bank doorbracht.

Want na te zijn gezwicht voor twitter en ik ook mijn oerdegelijke nokia inruilde voor een smartphone (hoezo 'mini'? Hoe hou je dat ding in godsnaam vast achter het stuur?! Mag dat niet? Dan heb ik niks gezegd. Reuzehandig zo'n tutsjskrien. Vanaf nu nooit meer gevaarlijke verkeerssituaties door mijn toedoen), nu ben ik, in een poging de door mij gemiste trein der vooruitgang alsnog te halen, verslaafd aan scrabbelen op een schermpje. Met mijn vader, mijn nichtjes in Berlijn in het Duits en ik zocht zelfs tegenspelers in het Italiaans.

Maar er was deze week een ander soort vooruitgang. Eentje zonder dubbele woordwaarde. Eentje die je bij leven altijd wint. Na twaalf vol gesnoten rollen toiletpapier stond ik nu te proesten in een enorme luierdoek (dus daarom moesten die steeds meeverhuizen). Eenmaal uitgeniesd wreef ik gedachteloos over mijn voorhoofd. Waar zich opnieuw een zeurende hoofdpijn aandiende.


En daar zaten ze!

Twee echte,
niet erg diepe,
maar hele pure!

Vierenveertig jaar heb ik er dagelijks op geoefend. Door te lachen, te huilen, te schreeuwen, puistjes uit te knijpen, baardharen uit te trekken, tegen de zon in te turen, te fronsen en te verbazen. 
Mijn hoogstpersoonlijke plooien van vlees en bloed! Ook wel oneerbiedig als 'rimpels' aangeduid. 

Met smart is het nu wachten op de dag dat mijn eerste grijze haren gaan verschijnen. Wellicht zal ik dan eindelijk volwassen wijsheid uitstralen en kan ik het imago van jong blondje voorgoed achter me laten.

Leve de leeftijd!



vrijdag 5 december 2014

Schroom, riem, vis, zwijg

Daar stond ik dan. Te wachten op mijn lekkerbek. Terwijl de visboer schichtig keek of geen van zijn klanten had gezien dat hij een visje vol beslag uit zijn handen had laten vallen, sjokte aan de overkant van de straat een in elkaar gedoken meisje voorbij. Of eigenlijk meer een jonge vrouw. Haar flodderige trainingsbroek bedekte haar voeten. Tien meter voor haar liep een man. Een opgefokte man. Met een hond aan zijn riem. Maar het leek alsof hij liever het meisje had aangelijnd. Hij schreeuwde naar haar, dat ze moest komen.
Nu.
Onmiddellijk.

Daar kan ik slecht tegen, tegen mensen die schreeuwen. In één richting. Hoewel ik het zelf ook wel eens doe. Naar mijn kinderen. 'Onmacht' heet dat geloof ik. Of 'controleverlies'. Waar je zelf niet uitkomt. Waar buitenstaanders gewenst zijn. Die iets doen. Of iets zeggen.

Er werd ook wel eens naar mij geschreeuwd. Vaak zelfs. Maar nooit in het openbaar. Pas als deuren gesloten waren en buitenstaanders uit beeld. Wat weer nieuw licht werpt op het fenomeen 'controleverlies'. Soms zijn priemende ogen van omstanders kennelijk net genoeg om een zeker gene te voelen, om een restje geweten te laten spreken. Nu niet. Of was dit slechts voorspel?

Ogen, blikken. Dat is het enige antwoord dat ik gaf. Dat ik kon geven. De schreeuwende man keek terug. Ik deed niets, ik zei niets. Wel wisselde ik een paar woorden met de andere visklanten. 'Dat is niet goed, hè', waren mijn wijze woorden van vanavond. Eén van hen was een keer verhuisd vanwege ruziënde buren. Elke avond was het raak. En hun kind kreeg er ook van langs. Ik popelde om hem te vragen of hij zijn buren wel eens had gevraagd of hij iets voor ze kon betekenen. Maar ik vroeg niets.

We keken op deze pakjesavond samen het meisje na in het donker.
Ze sjokte achter de schreeuwende man met de hond aan.

Thuis pakte ik mijn visje uit.

vrijdag 24 juni 2011

Handtekening van Ernie

Ik: "Jij was toch zo'n fan van Ron flon flon en Wilhelmina Kuttje?"
J: "Ja."
Ik: "Dat werd toch gedaan door Wim Schippers?"
J: "Wim Schippers"
Ik: "Ja, die ja, Wim Schippers"
J: "Ja, hij, hoezo?"
Ik: "Nou die staat hier. Ik ben in Amsterdam bij de opening van een expositie van Theo van den Boogaard en hij is er ook. Zal ik een handtekening voor je vragen?"
J: "Ja, moet je doen!"
Ik: "Ik durf niet."
J: "Waarom niet, vraag het gewoon."
Ik: "Ok dan, dan ga ik eerst een pen zien te ritselen en wat moed verzamelen."

Bij de balie van de museumwinkel van het gemeentearchief, vraag ik een pen te leen. Ondertussen is duidelijk dat de 'mistery guest' van vanavond, Theo van den Boogaard zelf is. Hij blijkt ook te zingen. En nerveus dat ie is. Maar vanavond gaat het over zijn tekeningen. En over Amsterdam.

Op één van zijn tekeningen, die hij twintig jaar geleden op verzoek van het ministerie van VROM maakte, staat met minutieuze precisie een jongetje dat bananen hengelt, een duivenmelker met een konijn, een Marokkaanse man in djellaba, een vegetariër met uitgemergelde hond die reikhalzend uitkijkt naar de BBQ op het balkon onder hem, een Surinaamse, het gebouw van Milli Gurus en meer.

Minstens zo mooi als Theo's tekeningen zelf, zijn al die witte mensen die naar de strips staan te turen. Ik denk dat geen van hen in het soort huizen woont dat op de tekening staat. Of het moet de gehoofddoekte vrouw zijn die hier, met blote voeten in leren slippers, aan de andere kant van de foyer, achter haar schoonmaakkar aan slentert. Ze wacht tot de Amsterdamse jetset klaar is met wijn drinken en netwerken. Dan kan ze de vloer doen. Ze gaat er bij zitten en pakt haar mobiel. Zou ze ook een handtekening willen van de Jacques Plafond, van Ron flon flon, van Wilhelmina Kuttje (ook al met een extra T.), of, als dat meer tot de verbeelding spreekt, de man die de stem doet van Ernie uit Sesamstraat?

Als loslopend wild zonder gesprekspartner val ik uit de toon. Ik voel me opeens weer jong tussen al deze vijftigplussers. Mijn gelakte hakjes tikken over het mozaïek van het voormalig AMRO-kantoor. Nadat ik vier keer de hal op en neer ben geweest, alle ansichten heb bekeken en mijn biertje op is, heb ik genoeg moed verzameld.

Ik stel me aan hem voor (of vergat ik dat?). Hij stelt mij voor aan zijn twee gespreksgenoten. (Behoor je je eigenlijk nog voor te stellen, als iedereen dat al weet? Hoe werkt zoiets?). Of vriendin J. zelf niet om een krabbel kon vragen. Nee, zeg ik, die is hier niet. Die is in Groningen. Aan het werk.

Ernie en ik gaan kletsen aan een van de receptietafeltjes (Je weet wel, zo'n grote witte diabolo, die van al die gemorste wijn al lang niet meer wit is). Hij vraagt of hij mijn lachende ogen niet eerder ergens heeft gezien? Ik onthul mijn woonplaats en daar blijkt hij ook te hebben gewoond, in de korrewegwijk, in de oorlog (Goh, is Ernie al zo oud?). Hij komt nog regelmatig in Groningen. Op de universiteit bijvoorbeeld. Voor lezingen. De anders zo babbelgrage Lehti in mij, lijkt even niet thuis. Jammer.

Ja, hij wil best wat schrijven voor J., maar wat?. Ze is fan van u, zeg ik. Het maakt niet uit, een handtekening is prima. Dan krabbelt hij:

Dag J!
Veel liefs van Wim Schippers (staat er nu wel of geen 'T' tussen Wim en Schippers?) en Ernie

Maak er wat van

Reeds


Als ik thuis kom blijkt dat hij het heeft geschreven op de uitnodiging waarop ook de persoonlijke tekst van Theo van den Boogaard staat. Juist ja. Die moet natuurlijk ook bewaard. Hoe moet dat nu?. Moeten de bedenker en de tekenaar van Sjef van Oekel nu strijden om wie er wint, zonder dat ze dit weten? Want het hele kaartje aan J. geven, waarop ook de beschreven tekening staat, wil ik niet. En doormidden scheuren is ook zo wat.

Hoe zou Ernie dit oplossen? Als Bert ook iets van hem wil? Met een fles melk misschien!