woensdag 28 maart 2012

Radio zoekt etaleur


"Zal ik je eens helpen om de vliering wat op te ruimen?", vroeg mijn zus.
"Ja, maar dan wil ik er niet bij zijn. Ik wil niet weten wat je allemaal wegdoet, anders wil ik het houden.", was mijn antwoord. 

"Heb je misschien nog belang bij...?", begon mijn vader, voordat ik hem onderbrak. "Nee, nee", zei ik, "wàt het ook is, ik heb er vast geen belang bij.  Zolang ik niet weet wat er weggaat, is het ook niet zonde."

Maar soms is het onheil al geschied. En is de zinloze troep mijn huis al binnen geslopen.
Want dat is het vaak.
Troep.
Waren het waardevolle spullen, dan had ik het nog kunnen weggeven of verkopen. Maar wat moet ik nu met de oude radio van mijn opa? Ooit luisterde ik ernaar. Naar radio Subasio en een krakerige Wereldomroep. Toen ik in Italië woonde. Als kersverse moeder tussen de koeien. Hoe ik daar verzeild raakte weet ik zelf ook niet meer zo goed maar die radio heb ik te danken aan mijn ouders. Die me twintig jaar eerder ook al eens vroegen of ik daar belang bij had. "Ja", zei ik toen nog gretig, "Ja, túúrlijk wil ik die hebben, niet wegdoen hoor, niet wegdoen!"

Het mechaniek van het ding heeft mijn vele verhuizingen niet overleefd. Zelfs een radiomuseum kan er niks meer mee. Kan zo naar de stort. Maar ja, om dat bakbeest eerst vijfduizend kilometer door Europa te slepen en het dan rücksichtslos op de stort te gooien, is ook zo wat. 

Dus staat ie er nog.

En toen opeens. Zag ik z'n grote broer. Of zus, zo je wilt. Een maand geleden. Toen het nog venijnig koud was. En ik een beetje doelloos door de stad fietste. Die grotere versie, ook van de familie Grundig, stond daar zomaar te pronken tussen een paar pasbenen. In een etalage.

Dan mag een plaatje van mijn opa-radio vast ook wel op het net. Achter dat deurtje zit een pick-up. Je weet wel. Voor van die hele grote zwarte cd's.
Is ook weer errug 'in'. Of, zoal mijn oma dan zei: "Dat hebben ze tegenwoordig zo".  Iemand nog belang bij?

(Mag ook naar de stort hoor. Als ik het maar niet weet)

vrijdag 23 maart 2012

Utrecht


Utrecht. Iedereen kent het, iedereen komt er langs. Als er seinen weigeren of bovenleidingen bevriezen, zitten in Utrecht als eerste de sporthallen vol gestrande reizigers. De dichtheid van snelwegen is er fabelachtig en de enorme fietsenzee trekt zelfs aandacht over de grens. Zie hier wat de Belgische bentenge er over blogt. En over bloggen gesproken, je schijnt er op zondagen ook BB-ers (bekende bloggers als Sanneke en Susy) tegen te kunnen komen. In Utrecht.

Maar ik verdwaalde er in verlaten onderdoorgangen, genoot er van de eerste lentezon en schoot plaatjes van de buitensporige bouwwoede die daar heerst. Zelfs op zondag. Ook de stations van Arnhem, Zwolle, Rotterdam en Den Haag zijn getransformeerd in bouwputten. Ook daar trof ik een kruip- en sluip- door van tunnels, bruggen, rammelende noodliften of 'door de NS ingezette bussen'.

Maar ik was in Utrecht. Waar ik keek hoe de trein naar Groningen werd aangekoppeld. En ik hoefde in Assen gelukkig niet met de NS-bus. Zoals twee weken eerder. Toen ik vreesde daar lang op te moeten wachten. Op zo'n bus. En daarom het laatste stukje meeliftte met een bevriende rapper die werd opgehaald door z'n vriendin. Een relaxte jongen die net was teruggekeerd van een tournee door Oostenrijk. Hij was in Wien, zo bleef hij stug volhouden. Van Wenen had hij vast nog nooit gehoord. Ach, ìk ken zijn muziek niet. Moet ik toch maar 's gaan kijken dan. Bij dope d.o.d.

Tja, poe, nou, wat zal ik zeggen. Niet ècht my cup of tea. 

Maar het boek dat Novy me leende dan weer wel. 
En dat is toch wel het fijnste wat er is:
trein - boek - zon.
Zonder 'gedeng gedeng', want het spoor is nu voegloos, aan elkaar gelast.
Lekker rustig.
  
Welk boek?
'De naam van de vader'. Van Nelleke Noordervliet.
Moet je lezen. Is gewoon goed. Echt goed.
Luister maar. 









zondag 18 maart 2012

Alleen thuis

Het moet zo'n zes jaar geleden zijn geweest. Leo droeg toen nog blauwe klompjes, waarmee hij bijna leek vergroeid. Duim in zijn mond en zijn andere hand friemelend aan zijn oor. Nog zwijgzamer dan hij nu vaak is. We stonden op het balkon van de trein. Naast ons stond een man. Hij gaf een knikje in de richting van Leo en zei mij lachend: 'Home alone'. Niet begrijpend keek ik de man aan, keek toen naar mijn duimende zoon en weer terug naar de man. 'Dat zult u vast vaker horen', vervolgde hij ter verduidelijking.

We moesten slechts één station verder, een ritje van zo'n drie minuten. De man had net genoeg tijd mij uit te leggen dat Leo de dubbelganger was van Kevin, het jongetje uit de kaskraker 'Home alone'. Waar ik tot dan toe nog nooit van had gehoord.

Eenmaal thuis vond ik de trailer op het net en korte tijd later zag ik de film op de buis. De treinman had gelijk. Sprekend. Leo wilde er toen, en de jaren die volgden, niks van horen. Maar toen hij acht jaar was, ging het roer om. Hij wil niet alleen de film zien, het liefst vaker, maar wilde nu ook persé de hoofdrol spelen in het volgende deel. Mijn gemompel over Engels praten en dat het geen pretje is acteur te zijn, mochten niet baten. Leo was zeker van zijn zaak.

En ja, je neemt je kind toch serieus, hè? Dus deed ik een halfslachtige poging iets te weten te komen over regisseurs en castingbureaus in de VS. Ik kwam er achter dat 'Home alone' inmiddels al vier delen had. Dat het eerste, toch wel aardige idee van 'vergeten' jongetje enorm was uitgemolken. En ook ontdekte ik dat de Kevin die zo sprekend op mijn Leo leek, inmiddels was vervangen door een dikkopje waar meer Amerikaanse kinderen zich wellicht in wisten te herkennen. En ging mijn rol als moeder van een celebrity in rook op.

Nou ja, zoals verwacht kampte Macaulay Culkin, die de rol van Kevin vertolkt, met de weinig benijdenswaardige positie van miljonair. Maakten zijn ouders ruzie om het geld en er zouden ook drugs in het spel zijn. Ik zei het toch.

Wat bleef is dat Leo af en toe home alone 'doet'. Zoals zaterdag, toen de broertjes samen in bad zaten en daar soep aten. 'Een heel lux hotel' vond Leo, want, zo zei hij, ze kregen zelfs de handdoek op hun wenken aangereikt om te voorkomen dat de kroepoek zompig werd. Moest ie alleen wel even voor Kevin spelen.


donderdag 8 maart 2012

De opkoper

Vorige week schreef ik over de opkomende wereldmacht Afrika. Of nou ja, dat we ons voor een redding uit de crisis niet blind hoeven te staren op het miljardje schuiven van banken en overheden. Dat Europa haar horizon weleens mag verbreden. Door ook eens naar het zuiden het kijken.
Ik ben een trendsetter eh...trendhopper, ik bedoel trendwatcher. Want gister zei Rop Trip op het nieuws dat er steeds meer ondernemers te vinden zijn in bijvoorbeeld Kenya of Angola. Bloemen, brommers, fietsen.... De hele markt ligt nog open.

Wat fijn om te zien dat er mensen zijn die hier komen lezen. Wàt zeg ik? Dat mijn adviezen over waar kansen liggen in goede aarde vallen. Binnen een week! En dat zònder twitter, facebook of één of andere hippe app. Toch jammer dat Economisch Adviesbureau Lehti niks oplevert. En om eigenhandig naar Afrika's bodemschatten te gaan graven gaat me wat ver. Tijd dus voor handel.

In koper bijvoorbeeld. Je weet wel. Dat rode goedje dat wordt weggeroofd bij de NS maar ook uit bijvoorbeeld het voormalig Shell hoofdkantoor. De aanhouding van koperdieven door de meestal vrij onbeschofte collega's van Rutger kreeg nog een staartje. Maar daar ga ik het dus níet over hebben, die mediageile gasten krijgen al genoeg publiciteit.

Nee, de vraag van vandaag was waar ik mijn eigen buitgemaakte metaal kon gaan verzilveren. De klant bij wie ik het spul had weggesloopt had geen flauw idee waar hij dit heen kon brengen. Ik eerlijk gezegd ook niet. Dus lagen de oude gasleidingen na een maand nog steeds in mijn auto. Tijd voor actie. Lang leve internet.

Via steeds kleiner wordende en aftandser uitziende straten, kom ik op de plek waar ik wezen moet. 'Bestemming bereikt'.
Een loods, een hek, geen mens te zien.
'Verboden te parkeren', staat er in grote letters op een oud bord.

Ik blijf toch maar staan. Met knipperlicht. In mijn spiegel zie ik een speedy slungel met een rotgang de open loods in fietsen. Hij is van het type 'vriendelijke-dorpsgek-die-op-zaterdag-wordt-gedoogd-bij-het-afbreken-van-de-markt'. Ik stap uit. Betreed weifelend het terrein. De lachende slungel heeft de buit van die dag: een paar pannen, wat snoer en blik, in een hoek van de loods gesmeten. Het vallend ijzer geeft veel herrie in de kale hal.

Ik ontwaar een afgeschermd hoekje dat voor 'kantoor' moet doorgaan. Zodra ik de deur open, springen twee vechthonden gretig tegen de balie op. Ik ben niet gauw bang maar deins terug. De pogingen van de kantoorvrouw de beesten terug in hun plastic mand te commanderen, hebben geen effect. Vriendelijk legt ze me uit hoe het werkt. Ik hoor de helft niet. Mijn blik is gefixeerd op de grommende honden.

Als ik met mijn koper onder de arm, terug de loods in loop, zegt de dame dat ik het op de berg met ijzer mag gooien. Wat een weegbrug blijkt te zijn. tweeentwintig kilo leest ze af. Minus het al aanwezige spul maakt vijf kilo koper. Ben benieuwd wat dat schuift.

Ik moet naam en adres opgeven. Vast ingegeven door een poging van de overheid de louche herkomst van het roofgoed te kunnen achterhalen. Argeloos duwt ze me dertig euro in de hand. Dertig! Da's vijf euro per kilo! Twee keer zo veel als ik via internet aan adviesprijs tegenkwam! De honden slaan onmiddellijk aan als ik een visitekaartje meegris van de balie. Wegwezen hier. De slungel houdt grijnzend de deur voor me open: 'Vrouwen gaan voor'.

Tevreden manoeuvreer ik mijn auto het terrein af. Slinger tussen vreemde wagens door, scheef geparkeerd voor terreinen vol verroeste containers. Loodsen die bij mij de associatie oproepen aan de ontvoering van Freddie Heineken. Een man met een andere, aangelijnde vechthond draait zich dreigend naar me om. Of verbeeld ik me dat maar?

Ik gebruikte vandaag mijn laatste restje olijfolie.
Zou Griekenland vanavond failliet zijn?
Dan kunnen ze nog overwegen om de schepen die in de havens van Thessaloniki wegroesten als schroot te verkopen. Of kijken of ze er als bootvluchteling mee naar Afrika kunnen varen.
Of naar Turkije. Dat kent een economische groei van zes procent.

Voor verder advies kunt u zich wenden tot Lehti Paul. Geen voorrijkosten.


zaterdag 25 februari 2012

Once you go black....

.....krijgt binnenkort een heel andere lading, een niet voorziene wending.

Welke 'black' kennen zij die ervan proefden? Surinamers? Ghanezen? Politiek correct Nederland denkt uiteraard niet in 'arme achterlijke zwartjes'. Zij omarmt haar goed geïntegreerde, gekleurde nieuwkomers. Met als kroon op deze acceptatie een gemengd huwelijk en mooie chocoladekindertjes. Maar was dit tot voor kort een uitzondering die de regel bevestigde, binnen afzienbare tijd zit iedereen aan de zwarte man...of vrouw. Of eigenlijk: aan de zwarte baas. Iets van die strekking las ik ergens. Onlangs. Maar waar?

Het doorbladeren van NRC, Volkskrant en de Groene van de afgelopen week, leverde mij niet de bron op die over de witte braindrain berichtte waarover ik wilde schrijven. Er werd niet over gerept in het journaal en ook een snelle zoekactie via google leverde niks op. Kuitenbrouwer waarschuwde voor een lawine aan non-nieuws, maar ook hij had beter kunnen scoren door wat verder te kijken. Zoals Anil Ramdas als correspondent deed. Die niet naar de plek des onheils ging om een ramp te verslaan, maar juist de andere kant op. Zelfs naar zijn overlijden moest ik speuren. Helaas gaat hij deze 'wende' niet meer meemaken. Zijn kinderen wel.

De krant staat bol van Griekenland. Dat Jan-Kees de Jager een gematigder toon moet aanslaan, dat zijn historisch besef tekortschiet. Weet hij dan niks van de herstelbetalingen van het Duitsland van na WO I? De sentimenten die dit had gevoed? Er was zelfs een paginagrote advertentie met de strekking: 'Wij arme Grieken zijn hardwerkende belastingbetalers, heb piëteit!'.

Ja, ik hèb piëteit, net zoals ik dat heb met de Italianen. Je loon gehalveerd (!) te zien is, àls je al een baan hebt, bijzonder zuur. De eerste mens die daarvoor in Nederland níet de straat opgaat moet ik nog tegenkomen. Maar met de benaming van 'belastingbetaler' heb ik moeite. Als moeder van kinderen door wiens aderen Italiaans en Grieks bloed stroomt, meen ik enig recht van spreken te hebben. De overheid is aan de mediterrannée tegelijkertijd iets begeerlijks (om er te werken, je wordt immers betaald om niets te doen) en afstotelijks (om er iets aan af te staan ten dienste van die nietsnut). Een overheid doet niks voor je. Behalve als je 'een mannetje' kent. Die natuurlijk niets met die overheid heeft. Of dat 'mannetje' vult zijn overheidssalaris (zwart) aan. Zo gaat dat daar. Zo wèrkt dat daar.

Maar Grieken hóeven helemaal niet op hun knieën voor Evropa. Hun redding kòmt niet van de kant waar zij (en wij) die verwachten. Een overzeese blik, over hun schouder, naar donker Afrika, biedt hen meer mogelijkheden. De Portugezen effenen alvast het pad. Laat De Jager maar meekijken. Want Nederland staat er niet best voor. Elf miljard hebben we met z'n allen geleend. Ook wij bezitten spullen die niet van ons zijn. Daar hoef je geen Griek voor te zijn.

Portugal kent, net als Griekenland, een historie van dictatuur en heeft een vrij jonge democratie. De overeenkomst die zij met Nederland hebben is hun handelsdrift. En bijbehorende koloniën. Met zwarten. Die werden verscheept. Nederlanders deden het met Ghanezen naar Suriname, Portugal deed hetzelfde van Angola naar Brazilië. En ze exporteerden hun taal. Hetgeen een hoop gezeik scheelt met die verplichte inburgering en zo. Hoogopgeleid Europa zoekt werk. De koloniën zijn booming.

Daar waar tot voor kort en gedurende dertig (!) jaar, een bloedige oorlog woedde, waar mijnen lagen, waar oorlogswezen en kindsoldaten het straatbeeld van Luanda bepaalden, bruist de Angolese hoofdstad nu van het leven. (Leer die naam maar vast uit je hoofd. Komt vast nog van pas: Lu-an-da). Bij de ambassades is het niet meer dringen voor 'fort Europa'. Het zijn nu de Portugezen die visa en werkvergunningen aanvragen om een graantje mee te pikken van opkomend Angola. De braindrain naar Brazilië is al langer aan de gang. De lonen daar zouden die van vergelijkbaar werk in Portugal voorbij streven. Zelfs Portugals voormalige kolonie Oost-Timor schijnt een rol te gaan spelen.

En voor de cynicus die dit alles als 'tijdelijke arbeidsmigratie' afdoet, Angola heeft al flinke aandelen bij één en straks drie Portugese banken en lonkt naar noodlijdende telecom en energiebedrijven. Portugal houdt uitverkoop. Angola heeft vele bodemschatten en is achtste olie exporterende land ter wereld. Olie, die in handen van de staat is. Wat nou privatisering? Hun eerste man, de Santos ('Heilige') koopt gewoon privebezit in Europa.

Gesputter over overlast veroorzakende immigranten en razzia's op zwarte schoonmaaksters in het Gooi? Het is een achterhoedegevecht. Ik ga mijn bakens verzetten. En zet om te beginnen de Braziliaanse hit van Michel Telo op. Kan ik mooi Portugees leren. Best handig. O, maar dat is een blànke? Misschien kan ik beter Capoeira leren. De door de Angolese slaven naar Brazilië gebrachte dans-vecht sport. Waarbij de beoefenaars elkaar niet mogen aanraken. Dat was een voorwaarde van de blanke kolonisator. Klinkt het je te exotisch? Ach, wen er maar vast aan (vanaf 55 sec. wordt het echt spannend).

En nu nog even opzoeken waar de Ghanese ambassade is gevestigd.

Toch wel spijtig voor de Grieken dat er elders op de wereld zo weinig Grieks wordt gesproken.







dinsdag 21 februari 2012

De handschoenboom en lenteboter

Vroeg eten. En daarna naar buiten. Stukje lopen. Dat zouden we zondag weer eens doen. Maar Kees kon zijn ene handschoen niet vinden en we hadden geen dóel. Dat was stom. Vreselijk stom. Ik mompelde iets over het gebouw naast de Martinikerk dat werd afgebroken. Daar konden we misschien wel heen wandelen. 'Bedoel je daar bij die kadobonnensupermarkt', zei Leo.
Kadobonnensupermarkt????

En toen, even later, prees ik hem de hemel in. Ik vond het zo mooi gevonden! 'Ik weet niet waarom, maar ik ben best trots op mezelf', mompelde Leo om zoveel lof. Hij straalde. Ben nu eenmaal dol op originele, zelfbedachte woorden. Het ging om het VVV-kantoor op de Groninger Grote Markt. Waar zo veel over te doen is. Vlakbij de gesloopte Oostwand. Is me volledig ontgaan dat dat zo groots gevierd werd. Inmiddels is de boel plat.
Kadobonnensupermarkt. Briljant. Wie snapt 'm?

We gingen gedrieën naar buiten. Maar wisten niet waarheen. Stilletjes vond ik de Grote Markt toch wat ver. Ik bedacht een toneelstukje. Over een jongetje dat in paniek raakt omdat hij zijn handschoen niet kan vinden, niet in zijn jaszak, niet in de mand en dat dan, ten einde raad, half gillend, met het overgebleven exemplaar gaat gooien. Het gevolg van mijn imitatieact was wel dat Kees' boze bui acuut over was: 'Je doet míj na, haha', maar óók dat mijn handschoen aan een vier meter hoge tak bleef hangen. Ik kon er met geen mogelijkheid bij. Handig.

Nu was het de beurt aan zijn broer. Die vond het echt superstom dat ik mijn handschoen niet meteen uit de boom haalde! Hij wilde mijn sjaal, daarmee zou hij hem er wel even uithalen. Hij weigerde verder te wandelen. Tja. Dan maar met z'n tweetjes. Leo zou later wel komen. Dacht ik.

We sloegen eens rechtsaf en toen linksaf. 'Goh, hier ben ik eigenlijk nog niet vaak geweest', zei Kees verheugd. Voer een gekke act op, ga een paar keer een hoek om en al die geparkeerde auto's doen de rest.

Leo kwam niet. Ook thuis was hij niet. Gauw gaan zoeken. Kees plantte ik intussen in bad. Die daar zachtjes zingend van genoot. Ik vond Leo onder de boom. 'Ik ben ook nog naar de stad geweest, hoor', zei hij. Hij weigerde thuis te komen. Ook niet toen er een beetje poedersuiker uit de lucht kwam. Kon ie mooi met sneeuwballen proberen mijn handschoen uit de boom te gooien. Tevergeefs.

Een dag later was de sneeuw gesmolten en had hij training. Met zo'n grote oranje bal. Na afloop liet hij me trots een suède handschoen zien. Die hij met één voltreffer uit de boom had geschoten. Helaas ben ik die andere nog kwijt. En mijn sjaal nu ook. Maar dat geeft niet, want de winter is voorbij.
Kijk maar. De boter smelt in de voorjaarszon op de ontbijttafel.


O, en mocht iemand nog een paarse handschoen kwijt zijn. Die kwam per ongeluk ook mee naar huis.

donderdag 16 februari 2012

Mama groet 's morgens de dingen

Dag ventje zonder muts op de slee in de sneeuw eeuw eeuw
dag ijs op het meer
dag snert zonder worst en
dag jongetjelief op de schaats
dag jongetjelief op het touw bij de boot
touw en boot
van het jongetje
goeiendag
Daa-ag ijs
dag mooie winter
dag korte maar fijne winter.













































Lees hier het echte gedicht van ongeveer een eeuw geleden. Van Paul van Ostaijen. Die, zo zie ik nu, slechts tweeëndertig jaar werd: Marc groet 's morgens de dingen.
Over tweeëndertig dagen begint de lente. Zei Olijf.
Voor wie nog wat sfeer wil opsnuiven of graag wil onthouden hoe de winter klinkt, hier drie miniopnames:

Van zondag 5 februari op het Zuidlaardermeer,
van de drukke Groninger grachten en
van het stille Reitdiep, de zondag erna.
En toen was de winter alweer voorbij.
Daaaa-ag!

maandag 13 februari 2012

Beste Aaf en Sylvia,

.....en Arthur en Nelleke natuurlijk niet te vergeten,

Ja, dit is weer 's wat anders dan dat ik júllie bespiegelingen lees over kerstdiners, zwervers of het eindeloze ikke-getwitter. Of over serveersters die schrijver in spé blijken te zijn. Maar dat was dacht ik Giphart die daarover schreef, om geen hoge verwachtingen te hebben, compleet met waarschuwende ramsj-scenario's. Die zich wellicht weer had laten inspireren door Will Self. Maar ik deed het lekker toch: mezelf uitnodigen voor het boekenbal. Middels een aanhef-loze email. Waar Renske op haar beurt weer over schreef: wat voor boodschap geeft de briefschrijver over zichzelf mee bij de keuze hierin. Ik liet hem maar helemaal weg, die aanhef. En zet 'm bij wijze van nagekomen bericht boven dit logje. Als een teckel die nog wat nakeft: 'Sorry, dit hoort er ook nog bij.'

Maar vanwaar die mail? (nu volgt enige uitleg voor lezers die niet Noordervliet, Japin, Brandt Cortius of Witteman van achteren heten). Wel, jullie hadden daartoe opgeroepen. Om een kort verhaal in te sturen. Van maximaal vijfhonderd woorden. Over 'foute vrienden'. Of nou ja, oproep. Meer het tegendeel. Zo van: waarom zou een gevestigd schrijver concurrentie aanmoedigen? 'Bedreigend' en zelfs 'Paranoïde horror' las ik, toen het over het effect ging dat het leger aan getalenteerde, nooit gepubliceerde schrijvers kon hebben op het gevestigde soort. Zulke termen fungeren als lokaas om dat leger uit hun tent te lokken. Als toefje slagroom werd de winnaar uit 2011 ten tonele gevoerd. Want zíjn roman verschijnt binnenkort bij Prometheus. Laat dat nu nèt één van de uitgevers zijn die mijn manuscript retour zond. Zonder verdere uitleg, want, zo schreef mevrouw de la Rive Box, ze ontvingen bij Prometheus tientallen manuscripten per dag. Vermenigvuldig dat met zo'n vijftig uitgeverijen -grove schatting- en je zit al gauw op een kwart miljoen per jaar. Da's best een heus leger. Arme jury. Arme jullie.

O, wacht, nu bijt ik mezelf in de billen. Want niets ontsiert zo, als iemand die zich zichzelf afschildert als 'talent'. Zelfkennis, bescheidenheid, dàt is wat scoort. Wat best krom is. Want degene die, net als ik, een stukje instuurt, wil natuurlijk gewoon winnen. Dus laat ik die calvinistische soberheid vandaag gewoon lekker voor wat ie is en blaas mooi hoog van de toren.

Want ik ben niet alleen goed. Ik ben ook nog 's erg braaf. Vier tips gaf je, Sylvia. De dromen, heidelandschappen en dat verdwaalde paard heb ik dit keer dus niet gebruikt. En van je suggesties 'pluizig diertje' en 'seks', koos ik voor die tweede. Dat ligt me nu eenmaal beter. Ook gebeurt er 'iets ergs' (tip 3) en sloeg ik de tekst zelfs op (4). Sterker nog, dat had ik al gedaan. Het verhaal wàs er namelijk al. Ik had het hier alleen verwijderd. Vanwege de seks, hè. Want ik ben braaf. En dit is een kuis blog.

Maar er is toch een probleem. Want ik hield me niet aan het onderwerp. Heb ik wel vaker last van. Ooit zei mijn leraar Nederlands van het Haags Lyceum: 'Mooi verhaal, maar dat vróeg ik niet.' Ook hier en nu viert de verwarring hoogtij. Ik vind muizen waar ik moet loodgieten, verwar eten met politiek of zoek een verband tussen hangtieten en ayatollah's. En ik laat jou, Sylvia, zelfs oppeuzelen door mijn bijtgrage liefdesvogel. Zo, genoeg reclame gemaakt. Maar ik heb me dus niet gehouden aan de opdracht. Ben niet zo goed in 'foute vrienden'. Of het moet deze eikel zijn. Maar die ken ik verder niet. Dus werd het een verhaal over een ziekenhuis. En over seks. Niet over een paard. Zonder foute vriend. Maar wel met bloed. En dat stuurde ik gister bij die mail.

Vanmorgen las ik het nog eens over. En ontdekte een woord te zijn vergéten. Van slechts drie letters, maar toch. Het oogt slordig. Of is onvergeeflijk, zo merkte ik eens als lid van een sollicitatiecommissie. Gedrieën voerden we een discussie. Moesten we de briefschrijver die een dt-fout maakte nu wel of niet uitnodigen? Wat het werd, ben ik vergeten. Wel weet ik dat uiteindelijk niemand de baan kreeg. Ze waren allen ongeschikt. Om mijn baas te worden.

Maar ik vergat dus, ondanks het nalezen in uitgeprinte vorm van de ruim vierhonderd woorden (ja, aan het kwantitatieve criterium had ik wel gedacht), een heel wóórd.
Gooi ik dat nu dan maar op het net.
Nasturen is ook zo wat.
Moet mezelf niet àl te serieus nemen.
Hier komt ie:
'wat'

Tweede alinea, één na laatste zin.
Tussen 'hoort' en 'hè'.
Even cutten en pasten.
Sorry voor het ongemak, Aaf en Sylvia.

Zo, dat heb ik dan ook weer rechtgezet op deze miezerige maandag.
En nu ga ik een speurtocht uitzetten.
Voor Leo
Die vandaag elf jaar wordt.
Hoera!

Met vriendelijke groet,

Lehti Paul (nee, dìt is niet mijn echte naam)

P.S. Op internet staat dat jullie ook leeftijd en geslacht van de inzender willen weten. Had dat er in de krant van 1 februari dan gelijk bij gezet, beste mensen.
Ik ben een man van 83 en draag een hoofddoek. Zo goed?

woensdag 8 februari 2012

Werk: lekkage, luisteren, muizen

Gebrek aan variatie kan me bij mijn werk niet ontzegd worden. En dat betreft dan niet alleen het werk zèlf, ook de diversiteit binnen mijn klantenkring is onbeperkt. Vrij logisch ook. Ik werk met huizen. En veel mensen bezitten daar één van. Dat ze er vervolgens heden ten dage niet meer van af komen, is weer een heel ander verhaal.

Jonge mensen zitten in oude huizen, gepensioneerden in appartementen. Er zijn kleinbehuisden maar ook nette villa's waar de kerstballen en de blikjes tomatensaus op aparte planken op dienblaadjes, voorzien van etiket en op datum gerangschikt in het gelid staan en waar ik, als ik met mijn veiligheidsschoenen binnenbanjer, verschrikt rondkijk en me afvraag waar ik in vredesnaam gereedschap kan neerzetten zonder dat er een kruimeltje van 't een of 't ander op het smetteloze parket belandt. Ik kom in volgestouwde trappenhuizen, graaf aan het zicht onttrokken (en dus onbestaanbaar gewaande) kruipluiken uit en tref vooroorlogse meterkasten aan die in een museum niet misstaan. Soms heeft de klant in kwestie het lumineuze plan opgevat om een dergelijk vol huis door mij van een frisse verflaag te laten voorzien. Intussen heb ik geleerd dat het dan slim is afspraken te maken over wie de zooi gaat verplaatsen en, niet onbelangrijk, waarhéén.

Dan is er natuurlijk nog het verschil in kennis en belangstelling van mijn opdrachtgevers. Het ene echtpaar doet mijn vragen omtrent de keuze (en prijs) aan materiaal steevast af met 'Doet u maar wat u thuis zou doen' en verschanst zich vervolgens in een ander vertrek of gaat gewoon weg (wat in het geval van een niet te traceren gaskraan, die vervolgens in het huis van de -eveneens afwezige- buren blijkt te zitten, niet echt handig is). Een ander zit met zijn neus zó dicht op het werk dat diens haren door de hitte van de bouwlamp dreigen te verschroeien of om de tien minuten vraagt of ik al aan mijn tweede, derde of zesde kop koffie toe ben. Ook maakte ik mee dat onderburen -al dagen met teiltjes in de weer om het door het plafond heen sijpelende water op te vangen- mij vastklampten als ware ik de messias zelve. Vermomd als loodgieter. Of men maakt van de gelegenheid gebruik om al het ongenoegen over de buren (waar ik bezig ben) ongegeneerd over mij uit te storten. Tot en met handgeschreven brieven met 'Lieve Lehti' aan toe.

Afijn, vier jaar klussen heeft me een rijk palet aan huizen en klanten opgeleverd. En het prettige daarbij is, ik hoor hen aan, verwonder me, maar ik hóef er niks mee. Althans, niet met die mensen. Dat is één van de voordelen boven het vak dat ik hiervoor uitoefende. 'Hulpverlener' mocht ik me jarenlang noemen. Ik werd betaald door gemeente, provincie of rijk. Maar het idee achter dat werk was natuurlijk altijd: 'Jij hebt een probleem en ìk ga jou daarbij helpen'. Steeds meer bekroop mij het idee dat niet die mensen zèlf een probleem hadden, maar hun omgeving. Logisch ook. Dus ging ik mensen 'helpen' die ramen ingooiden, drugs gebruikten, van school waren getrapt, mishandelden of mishandeld waren (vaak beide) of de buurt, buren of eigen familie het leven zuur maakten. Nee, ik ben blij dat ik dat niet meer hoef te verkopen. Dat ik geen bezigheidstherapie aan zwarte schapen meer hoef te geven. Dat kunnen anderen beter, overtuigender dan ik.

Maar misschien is er van al dat 'gehulpverleen' toch iets bij mij blijven hangen. Ik bedoel, naast de schijnbaar totaal ongeïnteresseerde klant, kom ik ook mensen tegen bij wie de de lekkende goot/kraan/wasmachine slechts een alibi vormt. En waar, als ik eenmaal ter plaatse ben, de nood aan een praatje, aan een beetje gezelschap een veel nijpender probleem lijkt dan die lekkage of scheve deur. Het verschil met voorheen is alleen, zíj bezorgen hun omgeving geen last.

Onlangs, bij een klus waar geen mensen in huis waren, had ik een primeur van een heel andere orde. Bij het demonteren van een keuken -die daar minstens veertig jaar onveranderd zat- viel mij een half verteerd muizengezin tegemoet. Zes lijkjes, in variabele staat van ontbinding. Best smerig. Even wist ik niet wat met deze mini mummies aan te vangen. In de gauwigheid legde ik ze buiten, waar het vroor. Als klusser mag ik af en toe dan als praatpaal fungeren, ik heb geen dringende behoefte om me in het vak van ongediertebestrijder te verdiepen.

De dag erna zag ik dat dit ook niet nodig was. Er was nog steeds niemand thuis. Maar de kat des huizes wachtte me trots op. Een dampend muizenlijfje lag als een offer op een stukje papier (pincode?) voor haar. Ik deed alsof ik niks zag, trok gauw het luik in de keuken open om verder te gaan met mijn klus. Maar de kat had behoefte aan meer. Aan gezelschap. Een luisterend oor. Ze keek me na toen ik onder de ijskoude vloer kroop. De muizenfamilie van de dag ervoor, was buiten inmiddels bedolven onder een dikke laag sneeuw.

Afwisselend werk. Dat wel.








zondag 29 januari 2012

350 Z

Kleine Kees is autofreak. Ik niet. Heb weinig met auto's. Maar Kees laat het er niet bij zitten. Hij praat me graag bij over spoilers, velgen, series van Audi en BMW. Over mini-coopers cabrio. En, met een beetje inspanning, lukt het me steeds beter om me te verplaatsen in zijn aanbidding van rijdend blik.

"Ken jij de Nissan 350 Z?" vroeg hij, toen we, met een stuk of dertig bezwete shirtjes in een enorme sporttas achterop de fiets, terugkeerden van zijn basketbaltoernooi. Nee, de 350Z kende ik niet. Hij zou hem wel even laten zien. Er stond er namelijk één verderop in de straat, helemaal aan het eind. Het was zaterdag, dus we hadden alle tijd. En Kees nàm de tijd. Om foto's te maken van de auto, het nummerbord, de bekleding, het merk, het serienummer en tenslotte liet ik hem natuurlijk poseren voor die supercoole bak.

Dit keer ging hij míj bevragen (als moeder moet je de tijd waarin je nog kunt door gaan voor de almachtige allesweter koesteren)
"Is er ook een merk van Limousine?"
"Volgens mij is dat een koeienras. Vroeger, toen er nog bijna geen auto's waren, gaven ze namen van koeienrassen aan auto's. Limousine, Chevrolet..."
Kees: "Wat is een ras?"
Ik: "Een koeienmerk"
"En die koeien zijn naar een streek genoemd. Kun je lekker met een limousine naar de Limousin, in Frankrijk." (Hoewel wikipedia het heeft over De schapenherders aldaar hadden lange mantels... hm, ik geloof het niet zo. Kip en ei. Herder en streek).

Thuisgekomen wachtte mij de schone -en dagelijkse terugkerende- taak om Kees er toe te bewegen te gaan dutten. Hij heeft namelijk de slaperitis. En een goed dagritme, met één à twee dutten per dag, is eigenlijk het enige wat soelaas biedt. Maar als je zeven jaar bent, heb je daar niet altijd trek in. Want er zijn natuurlijk vriendjes, lego, er moet getekend en gesport en wat al niet meer. En wat het nog ingewikkelder maakt, door die slaperitis wordt hij prikkelbaar. Als hij moe is nog meer. Of nee, hij ìs helemaal niet moe, alleen vallen zijn ogen soms dicht. Als hij stilzit, gaat liggen, in de auto zit of achterop de fiets. 'Ik haat mijn ogen, mag ik lopen?', zei hij, toen dit acht maanden geleden voor het eerst gebeurde. In hartje Amsterdam.

Vrijdag was het weer mis. Ik leverde hem redelijk goedgemutst af bij een vriendje. En zei tegen de moeder dat een dutje wel fijn zou zijn, maar niet absoluut noodzakelijk. (ik zadel medemoeders niet graag op met een kind dat moet en niet wil slapen). Tegen vijven werd Kees opgehaald door zijn vader (die een deurtje naast het mijne woont, zodat me weinig van de kinderen ontgaat en zij bij beide ouders naar binnen kunnen lopen) en ik hoorde ze, met Kees brullend (en later vader ook) voorop, de straat in fietsen. Kees gooide zijn schoenen in een hoek (zodat ze vanmorgen onvindbaar waren en we te laat kwamen bij het toernooi), stampte naar boven, smeet de deur van de televisiekamer dicht om daar vervolgens, na twee tellen, op de bank in slaap te vallen.

Hij was na een uur moeilijk wakker te krijgen. Hij praatte, ontkende te hebben geslapen en toen hij eindelijk goed wakker was, was het alweer etenstijd. Hoe eerder de dut, hoe korter de dut, hoe beter zijn hum. Andersom geldt ook.

Hij smulde van de rijst en zalm. Frans, die langskwam om een was te draaien, at mee. Kees tipte zijn twaalf jaar oudere broer over chocoladesigaretten. Dat zou misschien kunnen helpen bij Frans' poging om te stoppen met roken. Kijk, daar hou ik van. Daar smelt ik van.

Nu ging het soepel. Terug van basketbal en de auto-fotosessie zei Kees: "Ik eet een broodje, dan yoghurt en dan ga ik slapen." Geen rondvliegende schoenen, geen knallende deuren. Alleen een stukje gedroogd crueslifruit, dat half uit zijn mond hing en dat ik er uithaalde, omdat hij, wederom met een snelheid van 380 km per uur, op de bank achter de buis in slaap viel. Met de laatste hap yoghurt nog in zijn mond.

Toen hij -uit zichzelf- wakker werd lachte het leven hem weer toe. Zelfs de rij rode sportshirtjes die her en der door het huis hingen, vond hij mooi. Ik vouwde ze later op, op dezelfde bank als waar Kees zijn dutjes doet. Deed gelijk die van Frans er bij. Die, in één was, vijftien eenlingen had zitten! Overal hetzelfde liedje.

Er schijnt een appje te bestaan. Die een wekker heeft die 'aanvoelt' wanneer je in je 'lichte slaap' bent. Zodat je je makkelijker laat wekken. Door die wekker. Of door je moeder.

In februari ga ik, met Kees, drie mensen ontmoeten. Twee kinderen en één volwassene die ook de slaperitis hebben. De term is door één van hen bedacht. Klinkt leuker en vriendelijker dan narcolepsie. De meeste medici weten er nog weinig van. Van het hoe en wat en waarom.

Maar ik intussen wel. Zo'n Nissan 350 Z lijkt me een prima middel. Blijft ie vast van wakker. Dan zet ik hem zelf achter het stuur. En dan maar hopen dat ie de pizzeria van Frans niet binnenrijdt. Zoals een jongen van vijftien zaterdag deed. Maar het beste medicijn, voor kinderen die 's nachts ook lijden aan wakkeritis, is om één of vier uur 's nachts bij je moeder in bed kruipen. Doen andere kinderen met wakkeritis ook. En de dokter vond het een goed plan.

Het is inmiddels zondagavond. Kwart voor tien. Ik hoor de wc doorspoelen. Even later staat Kees met een grote grijns in de deuropening.
Hij geeft me een kus.
en wacht verwachtingsvol
Ik: 'Jij wou zeker bij mij slapen?'
Kees: 'Ja' (nog grotere grijns)
'Kruip er dan maar gauw in'
Buiten sneeuwt het.
Ik hoor een sleutel in het slot
Frans haalt zijn was op.
We eten samen restjes rijst.

woensdag 18 januari 2012

Over een koffer en Netanyahu in Nederland

Ooit zag ik de film 'Left luggage'. Over een Orthodox joods gezin. Speelde geloof ik in Antwerpen. Geen vrolijk verhaal. Over oorlog die in hoofden van mensen zit. Over extreem geloof. Waar ik niet zo van ben. Over een jongetje met pijpekrullen dat niet praat en in zijn broek plast. En over een koffer.

Ik heb ook een koffer. Op zolder. Die niet uit de oorlog komt. Of toch? Ik klim het steile trappetje op. Zie hem liggen en klik hem open. Er liggen knipsels in over Israël. Het land waar ik in 1977 mijn zevende verjaardag vierde, samen met mijn ouders. Ik kreeg van hen een keppeltje kado. Korte tijd later danste ik in Nederland Israëlische dansen, samen met grote meiden die later gingen werken in een kibboets.

Nog weer wat later, in 1985, haalde ik de voorpagina van een landelijk dagblad. Met een zogenaamde Arafat-sjaal om mijn nek. Ook die krant ligt in de koffer. Het wilde meisje van net vijftien dat ik op de foto zie, slaat op een trommel. Ik droeg een nepbontjas, die nu in de verkleedkist van mijn kinderen ligt en dienst doet als berenjas. Ik ben zo te zien één van de 'rond de zesduizend scholieren, die vanaf het Malieveld naar het binnenhof waren getrokken en daar luidruchtig lucht gaven aan hun protest tegen de kuisraketten.' Diezelfde avond besloot Lubbers dat er Amerikaanse raketten naar Nederland mochten komen. Het NRC van 3 februari 1986 kopt met Sharons woorden 'Wij hadden Arafat moeten elimineren'.

Het was de tijd van Russen in Afghanistan, van protesten in Woensdrecht, van de DDR en van het Britse staatshoofd waar net de film 'Iron Lady' over is gemaakt, met Streep in de hoofdrol. Ik lees over Hans van den Broek die als minister van buitenlandse zaken ging praten met collega Wu. Hij bood aan om Chinese havens uit te baggeren, en legde een onderzeeërruzie bij. Nu, ruim een kwart eeuw later, roert dezelfde van den Broek zich in de discussie over Israël ('Stop het gedoog- en beloonbeleid jegens Israel'). Samen met een andere oude rot in het vak, Frits Bolkestein ('De EU moet zich niet afkeren van Israël'). Beide betogen overstijgen niet de gemiddelde 'hij begon' discussie die mijn jongens hier voeren. De slachtoffers die bij het conflict vallen helaas wel. Eén van de eerste moorden, naar verluid zelfs de eerste politieke moord, was die op de Nederlandse schrijver Jacob Israël de Haan. Hij werd in Jeruzalem vermoord, in 1924. Toen hij terugkeerde van het avondgebed in de synagoge. Het ondenkbare was toch gebeurd, een Jood was gedood door een andere Jood. De moordenaar zou nooit spijt hebben gehad. Die overleed in 1990. Het jaar waarin, ook in Jeruzalem, met scherp werd geschoten op de Tempelberg. Bij de koepel van de Rots, islamitisch heiligdom, vlak naast de klaagmuur, heiligdom van de Joden. Er zijn te veel belangen in dat kleine land, in die kleine, maar gestaag groeiende stad. Ik vouw de oude krantenknipsels weer op. De koffer gaat weer dicht.

In Jeruzalem zouden andere Israeli's wonen dan in Haifa of Tel Aviv. In de eerste stad zouden orthodoxe vrouwen hun haren niet aan de buitenwereld mogen laten zien en daarom een pruik dragen (dat zal Wilders vast meer bekoren dan de hoofddoek van Trix bij haar recente bezoek aan Oman) Mannen houden zich bezig met het bestuderen, bespreken, analyseren van de Thora. Ze krijgen veel kinderen. Meer dan er in de rest van Israël worden geboren. Deze kinderen, die op hun beurt weer voor veel nakomelingen zorgen, moeten worden gehuisvest. Daar moeten huizen voor komen. En in zo'n krankzinnig klein land (in vergelijking met bijvoorbeeld de buurreuzen Jordanië en Syrië) maken deze mensen ook numeriek een steeds groter deel van de bevolking en dus van het electoraat uit. Met hun stem dient Israël, dat tot nog toe één van de weinige democratieën in de regio was en is, rekening te houden. Door wie worden hun huizen gebouwd? en die op de bezette Jordaanoever? Door Palestijnse arbeiders? Zorgen de bekritiseerde illegale nederzettingen paradoxaal genoeg zo niet voor werkgelegenheid voor hen die er zelf eerst woonden. In de bouw, de schoonmaak, om op kinderen te passen? Lees je nooit wat over.

"Ook de Israëlische vredesorganisatie Peace Now luidt de noodklok. In een recent rapport met de veelzeggende titel Torpedoing the Two State Solution meldt zij dat de regering Netanyahu juist daar bouwplannen bevordert, waar de uitvoering ervan maximale schade toebrengt aan de mogelijkheden een levensvatbare Palestijnse staat te stichten. Een voorbeeld zijn de plannen voor de nieuwe nederzetting Givat Hamatos, die de nederzettingenring rond Oost-Jeruzalem zou sluiten.", aldus van den Broek in de VK van 18 januari 2012, pag. 28

Ik denk aan mijn oude koffer. Aan 'left luggage'. Aan de oorlog in de hoofden van overlevenden. Aan extremisme. En aan een conflict dat zovele generaties voortduurt. Wat zou ik doen? Als vrouw. Als ik daar was geboren. Aan welke kant dan ook. Misschien zou ik 'Let it be morning' lezen, van Sayed Kashua. Of mijn kinderen naar de 'hand in hand school' sturen. Een gemengde school waar in het Hebreeuws en Arabisch wordt les gegeven.

Daar dacht ik allemaal aan. Nu Netanyahu een tweedaags bezoek aan Nederland brengt.

woensdag 11 januari 2012

Stroopspoor

Er wordt aardig wat afgezocht op zoeksites.
Maar met welke zoektermen belanden mensen nu híer?
Want dat kan ik dus gewoon zíen, hè.
Gelinkte sites, Ip-adressen,.... you name it.
Wat nou privacy!

Ja, beste lezer, angstig achterom over de schouder kijken heeft weinig zin. Het gevaar zit in uw eigen vingers. U creëert het zelf. Door de unieke volgorde waarmee u het toetsenbord beroert, trekt u een spoor van dikke stroop achter u aan. Stroop waarmee u als kind zo mooi uw naam op de pannenkoek (toentertijd nog pannekoek geheten) schreef en die dan toch uitliep, over uw handen, op broek, stoel, vloer. Waarna twee über-kleverige handjes hulpeloos in de lucht werden gestoken. En ik weet waar ik het over heb. Ik bakte dit jaar, dat slechts een week aan de gang is, al twee maal pannenkoeken voor mijn koters...dus!
Maar weet je, tegen dat stroopspoor op het wereldwijde net, daar helpt echt geen lieve moeder meer aan. Dat blijft kleven als superlijm.

Doch laten wij het hier luchtig houden.
Want wat zóu dat nu helemaal?
Het ganse internet één grote hoop stroperige mierzoete draadjes....
Ik heb beeld.

Neemt niet weg dat het van deze kant bezien best grappig is.
Te kijken wat voor zoektermen de hier belande (be)zoeker heeft ingetypt.

De huidige top tien:

  • beestjes in de badkamer luizen
  • heilige irene
  • hundertwasser
  • justitianus
  • kangoeroe amstelpark
  • man auto in de prak
  • spongebobs
  • titten
  • totenstreifen
  • wat betekent gutte rutch

Maar de mooiste vond ik toch wel deze:

  • dromen over een kind met koude voetjes
Kan me niet heugen daar ooit over te hebben geschreven.
Zou ik natuurlijk kunnen overwegen.

Dag beste bezoeker,
nog bedankt voor de tip.
Zo is de cirkel weer rond
Eet smakelijk
Surfse en
Droom zacht.



































































































































































vrijdag 6 januari 2012

Dag oma, welterusten

Op een maandag in februari, nu bijna drie jaar geleden, at ik samen met mijn oma makreel en speelden we domino. Ze won steeds. Een paar dagen later overleed ze. Dit verhaal heeft mijn zus geschreven en voorgelezen op de begrafenis van onze oma. In maart 2009.

De naam Paul die ik hier gebruik, heb ik van haar. Het is de naam die mijn opa heeft meegekregen uit Wenen.

Dankjewel, zus.
---------------------

Oma, Oma Beppe, mijn lieve Omaatje, nou ben je dood. Zo snel, zo plotseling. Al jaren dacht ik elke keer als ik bij je was: goed kijken en voelen en ruiken en ervaren, want dit is misschien de laatste keer. Het afscheid, elke keer weer schrikken hoe dun ze is, vel over been, maar toch zo eigen, zo thuis, zo familie. Haar perkamenten huid, haar zachte haren. Dag Oma, we gaan nu, tot de volgende keer. Niet huilen, zeg ik tegen mezelf, je zei: tot de volgende keer, dus er komt nog een volgende keer. Kom kinderen, we gaan.

De laatste jaren zakte ze steeds verder weg in haar eigen wereldje, en werd steeds minder duidelijk of ze nou wel of niet begreep waar je het over had. Of ze het echt niet snapte of dat ze eigenlijk dondersgoed wist waar het over ging, maar het wel goed vond en er gewoon niet meer op in ging. Zo doof als een kwartel, maar als je haar aan de telefoon vertelde dat je de volgende dag langs zou komen, deden haar oren het plotseling wonderwel.

Daar zat ze dan, alleen in haar huisje. Weliswaar omringd door zorgers en helpers en huishouders, maar toch alleen. Geen bezigheden meer, niks omhanden. Het Staphorster stipwerk, zingen in het koor, volksdansen, schilderen en natuurlijk altijd weer breien, haken, naaien, handwerken, dat ging allemaal niet meer. Haar huisje vol met zelfgemaakte knuffelbeesten en een grote verscheidenheid aan zelfgeschilderde landschapjes, bloemen, vulkanen, veelkleurige vogeltjes, een Homerusportret en een hongerend kindje, een Javaanse dessa en een dame in badpak. En foto’s van de kinderen, de kleinkinderen, de achterkleinkinderen.

’s Avonds kwam het telefoontje, Oma is gevallen, ze heeft haar heup gebroken en wordt vanavond nog geopereerd. De schrik, mijn aanvankelijke reactie om er meteen heen te willen, dan het relativeren, het zal allemaal wel loslopen. En bovendien, wat zou ik daar nou moeten? De ziekenhuismensen in de weg lopen? Aan haar bed zitten terwijl ze nog onder narcose is? Ik ga die avond uit en vermaak me, maar ik ben er met mijn hoofd niet helemaal bij. Midden in de nacht kom ik thuis, er zijn twee berichtjes op mijn telefoon – van mijn moeder en van mijn zusje – dat de operatie geslaagd is. Ik ga gerustgesteld slapen.

Zondagochtend om half 10 wordt ik door de telefoon gewekt. Het is Lehti, mijn zusje. De operatie is inderdaad geslaagd, maar Oma is toch wel erg zwak. Er moet gerevalideerd worden, en wie gaat dat begeleiden? En wat zal Oma daar van vinden? Mijn zusje en ik praten erover en komen tot de slotsom dat het allemaal wel niet zo’n vaart zal lopen. Oma heeft ons wel vaker versteld doen staan. Ze is weliswaar oud en broos, maar ze is taai. Ik besluit in Berlijn te blijven en reken er op dat ik deze week nog naar Nederland moet om Oma te helpen.

Om twee uur ‘s middags weer een telefoontje, het is mijn vader. Het is toch erger dan het aanvankelijk leek. Oma heeft het moeilijk, en het zou kunnen dat ze niet lang meer leeft. Mijn hart staat stil, ik wil daar zijn, niet hier aan de telefoon, ik wil dáár zijn, bij Oma, aan haar bed, met de anderen. Maar ik ben er niet. Papa, ik stap over een uur op de trein, dan ben ik middernacht in Leeuwarden. “Het zou kunnen dat je dan al te laat bent…”

Ik schakel over op de automatische piloot. Telefoontjes plegen, briefjes schrijven, afscheid nemen van de kinderen, die zo lang bij hun vader in Berlijn blijven. Ik pak snel wat kleren in een tas en ren de deur uit naar de metro, naar het station.

In de trein, met de trein, ergens heen, de treinreis, het reizen.
Opa in de trein. Een paar verre treinreizen heeft hij gemaakt. Die ieder voor zich zijn leven volkomen veranderd hebben. Op zijn veertiende, de grote reis van Wenen naar Friesland, van zijn geboortestad naar een onbekende toekomst, van de plek van honger en alleen zijn op zoek naar een nieuwe familie en een nieuw thuis. Ook hij reed van Duitstalig gebied naar het Friese Land, net als ik nu. Duits was zijn moedertaal, de taal die hij twintig jaar later slechts nog met accent kon spreken. Nederlands is mijn moedertaal, die ik – nu ik al bijna twintig jaar in Duitsland woon – niet meer perfect beheers, waar gaten in vallen, zonder dat ik er een andere moedertaal voor in de plaats krijg. Duits en Nederlands zijn de moedertalen van mijn kinderen. Hoe zou Opa het gevonden hebben om met zijn achterkleinkinderen, die nog lang niet geboren waren toen hij overleed, te praten in de taal die zijn moeder in een ver verleden met hem sprak. Naar Friesland kwam hij, waar Fries gesproken werd, een taal die ik niet versta.

Hij vond wat hij zocht, een nieuw thuis en een nieuwe familie. En, een paar jaar later, toen hij geen kind meer was, maar een jongeman, ook een meisje, het zusje van een schoolvriend van hem. Oma was een boerendochter en had een paar jaar tijd om na te denken of ze deze man, de buitenlander, tot man wilde. Na zijn opleiding tot machinist op de Grote Vaart, reisde hij op stoomschepen de wereld rond als baas van de machinekamer, en zij wachtte op hem.
Oma zei ja toen ze 21 was en samen verhuisden ze naar de Grote Hoogstraat, van waaruit hij de grote ovens van de bakkers in Friesland ontwierp en bouwde en waar zij in de winkel bakplaten, pannenschrapers en amandelbroodblikken verkocht.

Oma, mijn lieve Omaatje. Jij werd daar moeder van twee dochters, de tweede drie jaar jonger dan de eerste. En mijn moeder, jouw jongste dochter, werd moeder van twee dochters, de tweede ruim drie jaar jonger dan de eerste. En wat dacht je dat ik deed? Ik werd moeder van twee dochters, de tweede drie jaar jonger dan de eerste.

De ovenbouwer, de kleine Oostenrijker, mijn Opa, had samen met de Friese boerendochter, mijn Oma, nu zelf een gezin gesticht. In Nederland, zijn nieuwe thuisland. Maar zijn paspoort was nog Oostenrijks. Iets wat in de jaren daarna voor het jonge gezin bijna fatale gevolgen had. Hij moest, na talloze pogingen er onderuit te komen, in militaire dienst, onder de wapenen, voor de Führer.

Toen kwam die andere grote, levensgevaarlijke reis, ook van Duits gebied naar Friesland, ruim twintig jaar na zijn eerste grote treinreis. Geen jongen meer nu, maar een man, een echtgenoot en vader van twee kinderen. Terug naar huis wilde hij, en niet, niet, niet vechten voor nazi-Duitsland. Dus vervalste hij papieren en vluchtte hij weg van het oorlogsgeweld. Als deserteur uit het Duitse leger, van Stettin naar Leeuwarden, terug naar huis. Zou hij over Berlijn gereisd zijn? De trein waar ik nu in zit, komt uit Stettin. Zou hij precies dezelfde weg afgelegd hebben als die ik nu afleg? Langs Berlijn, Hannover, Bremen, Oldenburg, Groningen? Ik weet het niet, niemand zal het meer weten. Maar zijn einddoel en het mijne zijn exact hetzelfde: hij wilde terug naar vrouw en kinderen en dat zijn precies dezelfde mensen die ik straks ook zal aantreffen aan het einde van mijn treinreis, die 65 jaar na zijn reis plaatsvindt. Het zijn mijn Oma, mijn moeder en mijn tante.

Het is half 7. Mijn mobiel gaat. Ik neem op, ik hoor de gesmoorde stem van mijn moeder. Het is voorbij, het is gebeurd. Is ze dood? vraag ik. Ja, ze is dood.
Ik zak in elkaar.
Ze is dood.
En ik ben juist naar haar op weg. Om haar te zien en haar hand vast te houden en over haar hoofd te aaien en om zachtjes met haar te praten. Maar het is te laat. Ik wil uitstappen en de eerste de beste trein terug nemen. Waarom ben ik verdorie niet een paar uur eerder in de trein gestapt? Vanochtend had ik ook al kunnen vertrekken, maar dat heb ik niet gedaan. En nu is het te laat. Mijn treintijdenschema dwingt me om mijn spulletjes bij elkaar te pakken, me in de rij voor de deur te voegen, en over te stappen op de volgende trein. Verder naar het westen, niet terug naar het oosten.

Oma, mijn Oma, die toen nog geen Oma was, maar een jonge moeder, zat 65 jaar geleden, midden in de oorlog, op hem te wachten, niet wetend waar hij was, of hij nog leefde, of ze hem ooit levend terug zou zien. Maar hij kwam. Na zijn terugkomst moest hij onmiddellijk onderduiken, want bij ontdekking zou hij ter plekke terechtgesteld worden. En omdat de echtgenote van de deserteur geacht werd te weten waar hij was, moest ook mijn oma met haar kinderen onderduiken. Niet weten waar je man is, of hij nog leeft, of je kinderen hun vader ooit terug zullen zien, niet weten of je morgen opgepakt wordt, zien dat je eigen kinderen oneerlijk behandeld worden, maar er niets aan kunnen doen, omdat je dankbaar moet zijn dat je hier een onderkomen gevonden hebt. Haar dagelijkse angst dat de kinderen, jong en onbevangen als ze zijn, per ongeluk hun echte, Duits klinkende naam zullen zeggen en dat ze vergeten dat ze niet Paul maar De Vries moeten antwoorden op de vraag hoe hun achternaam is.
Het gaat goed, het einde van de oorlog is in zicht, de bevrijding, het gezin is weer herenigd.

De kinderen worden groter. Het gezin beklimt de treetjes van de sociale ladder. Er wordt gereisd, naar Amerika, met de Holland-Amerika-lijn. Ruim dertig jaar na Opa’s vertrek uit zijn geboortestad, reizen Oma en de dochters mee naar Wenen. Hij was er al die jaren niet weer terug geweest.

De dochters vliegen uit en stichten gezinnen. De kleindochters, mijn zusje en ik, komen graag bij Opa en Oma in Leeuwarden. Als ik tien ben en mijn zusje bijna zeven – net zo oud als mijn dochters nu zijn - gaat Opa dood. Eerst is het vreemd, Oma zonder Opa. Ze voelt zich onthand, moet veel dingen eerst leren. Maar ze maakt er het beste van en ontdekt op haar oude dag nog allerlei interessante bezigheden. Ze handwerkt als de beste, breit truien en vesten voor de kleinkinderen, naait knuffelbeesten, die door ons van namen worden voorzien. Ze volksdanst, zingt in een koor, speelt piano en begint zelfs te schilderen. Wij knutselen er koffers vol sinterklaaskadootjes; geborduurde kussens, gebreide popjes, genaaide raamversieringen.
De vegetariërsbond, de vereniging tegen vivisectie, Esperanto-wereldcongressen, haar correspondentie in verschillende talen met mensen over de hele wereld; het woord “verveling” komt niet in haar woordenschat voor. Ze is zuinig, laat ons de kapotte wasknijpers repareren, spoelt plastic zakjes en yoghurtbekertjes af en gebruikt die weer ergens anders voor. En als het niet meer gebruikt kan worden, maken wij er mooie dingen van. Recycling avant la lettre.

Ze is onze Oma, niet onze moeder. We mogen haar mooie, lange, grijze haar kammen en vlechten, doen gek met een panty en hebben lol met elkaar. Als dan plotseling de bel gaat en ze eigenlijk naar de deur moet, durft ze niet. Zo kan ze zich toch niet aan de buren vertonen?
Wij kleine, spichtige bleekscheetjes moeten vooral ook goed eten als we bij haar zijn. ’s Middags warm, zilvervliesrijst met vis en groente, of rijstpannenkoekjes, of kaaskroketjes. Zelf brood bakken en havermoutkoekjes en lekkere vette tulband met rozijnen. En oranjekoek van de banketbakker en Friese dumkes en roggebrood en kwark met bieslook en groentesoep en vla met bessensap. Als we een week later dan weer op de trein naar het westen stapten, terug naar onze ouders, zei ze tevreden dat we van dat weekje bij haar een lekkere kleur op onze wangen gekregen hadden.

Ook de kleindochters vliegen uit en stichten gezinnen. Ze zetten de traditie voort, zoeken buitenlandse of half-buitenlandse mannen en baren allochtone kindertjes. Haar tweede achterkleinkind, mijn oudste dochter, wordt tien jaar geleden geboren. Ik wil graag de Friese traditie van het doorgeven van de namen voortzetten, en zoek in de stamboom naar een geschikte naam. “Oma, ben jij ook naar je Oma genoemd?” “Nee, mijn Oma Njiske vond haar naam niet mooi en zei dat mijn ouders het pasgeboren meisje, mij dus, maar een andere naam moesten geven. Zo ben ik naar mijn vader genoemd". Ik, die de naam van mijn Oma draag, geef mijn oudste dochter de naam die mijn Oma eigenlijk had zullen krijgen, de naam van haar Oma.

De vorige keer dat ik bij haar was, de laatste keer, bij mijn lieve, oude, broze Omaatje, hebben we spelletjes gedaan. Halma. Oma met haar stijve reumavingers, mijn dochter met haar friemelige kindervingertjes. Negentig jaar leeftijdsverschil, maar dat mocht de pret niet drukken. Nee, Oma, dat kan niet, die moet daarheen, niet daar. Oja, ik zie het.



Na het middageten met een lekker visje, ging Oma op de bank liggen. Ik had bij het eten al aangekondigd dat we dan weer weg zouden gaan. Er kwam niet veel reactie, de bank riep. Maar toen ze daar vredig lag bij te trekken, en ik haar over haar hoofd aaide en zei dat we nu zouden gaan, prevelde ze iets. Wat zeg je, Oma? Centjes, centjes uit de beurs. Wat zeg je? Moet ik centjes uit je beurs halen? Centjes, een centje voor de spaarpot, uit de beurs. Oh, moet ik een centje uit de beurs halen voor de spaarpot van de kinderen? Ja, ik had het goed begrepen, beduidde ze. Nauwelijks beseffend dat de twee blonde meisjes met wie ze net halma gespeeld had, haar achterkleindochters en niet haar kleindochters waren, had ze er in haar halfslaap toch maar mooi aan gedacht om de kinderen even wat toe te stoppen.

Oma, mijn lieve Omaatje,
de reis is afgelopen.
Je was de allerliefste en allerbeste lievelingsoma van de hele wereld.
Welterusten.

------------------

Ik bedenk me nu pas dat ik oma ook echt 'in slaap' zong. Met 'do byst myn femke'. (Jij bent mijn meisje). Dat ze dertig jaar eerder voor ons zong. Weet niet of ze het hoorde. Wel aaide ik haar grijze haar. Ook namens jou, zus.