woensdag 31 mei 2017

Dat kun je niet weigeren

Dit logje stond al een tijdje in de steigers maar er kwam steeds van alles tussen. Iets met schuren en kwasten en zo. Schrijven laat zich nog altijd lastig combineren met schilderen. Al zullen mensen die met schrijven hun brood verdienen het omgekeerde zeggen. Die komen vast niet aan klussen toe.

Maar ik snapte het eigenlijk ook niet zo goed. Het onderwerp waar ik over wilde schrijven. Over die 'verfmaker'. Zo noemde Annechien Steenhuizen Akzo gister op de buis. Op de radio had ik Akzo al eerder langs horen komen. Radionieuws is nóg beknopter dan het NOS journaal dus veel duidelijker was dat niet. Maar het zinnetje over dat men 'iets niet kon weigeren' bleef wel in mijn hoofd hangen.

Akzo zou misschien verkocht worden. Ach, big deal, er worden zo vaak bedrijven verkocht. Er komt een bedrag met heul veul nullen langs en dan is iets in handen van een Chinees, Saoedi of Amerikaan. Vallen er even later ontslagen of valt het hele bedrijf om, roept iedereen 'oh' en 'ah' en na een paar interviews met zielige gedupeerden -bij de NOS hebben ze 'gewone mensen' ontdekt-, hoort men er vervolgens niks meer van.

Maar wát kon men eigenlijk niet weigeren? Of wie? En vooral waaróm niet? Aan tafel bij mijn ex bracht ik het Akzo vraagstuk ter sprake. En zo hadden we het tussen de rösti en tzaziki over geldzaken. Zoon Leo riep na een korte uitleg van zijn vader over de werking van de financiële markt: 'Maar dat mág toch zo maar niet. Dat is crimineel! Waarom dóet niemand daar wat aan!'  Tja, hem staat de ondergang van V&D vast nog vers in het geheugen. Daar wordt je in Groningen dagelijks aan herinnerd als je door de stad fietst. De holle flat van Vroom en Dreesman pronkt er aan de rand van de Grote Markt.

Maar nu terug naar die verfmaker. Als beursgenoteerd bedrijf, zo begrijp ook ik intussen, hebben aandeelhouders het voor het zeggen. De onmogelijkheid iets te weigeren kwam van hen. PPG had een een bod uitgebracht op Akzo. En toen nog één. Met als begeleidende tekst dat Akzo daar beter van zou worden. Maar de verfvoorzittercommissaris sprak over banen die daarmee verloren zouden gaan en zei nee. Een paar aandeelhouders wilden toen de voorzitter kwijt en toen dat niks uithaalde daagden ze Akzo voor de rechter: 'U mag dit niet weigeren want wij willen meer geld' (of zoiets).

De rechter stelde Akzo gister in het gelijk. Ze kwamen er van af met een reprimande. Akzo moest 'de verstandhouding met haar aandeelhouders goed houden'. Economie blijft bijzonder. Alsof iemand ongevraagd aanbelt om iets te kopen wat ik niet kwijt wil, en ik moet vervolgens uitleggen waarom. Maar kennelijk valt er zelfs in de wereld van heul veul nullen soms iets te weigeren. Deed ik bij monopoly ook wel eens. Als men mijn stations wilde kopen. Van vijandelijke overnames had ik toen nog nooit gehoord.

Moet ik me nu schuldig voelen dat ik morgen ga schilderen met Sigmalak van PPG in plaats van Sikkens van Akzo? Het aandeel is al met 1,8 procent gezakt. Ik heb mijn vaderlandse plicht verzaakt. Laat Leo het maar niet horen.





woensdag 3 mei 2017

Vergeet Parijs (2)




In de koude aprilzon doorkruisten we per fiets en te voet het prachtige Rijsel. Van de voorspelde hagel en onweer geen spoor. We lachten om de groene berg boontjes die Kees kreeg nadat de Vietnamese serveerster hem nadrukkelijk vroeg of hij écht 'haricot verts' in plaats van 'pommes frites' bij de kip wilde. We juichten 'defence' dat rijmt op Frans als echte supporters Lilloises in het Centre sportif van San Saveur en Leo en Kees verzamelde na de wedstrijd handtekeningen. We aten wild zwijn uit een potje en meters baguette. Zochten veldjes om te basketballen, alwaar werd kennisgemaakt met het fenomeen 'straatschoffies' -Non, tu ne peux pas faire du wheely op my bicicle!!'- Maar ze zagen elders ook dat een vrouw met hoofddoek prima kan dribbelen.

We bezochten alsnog een voorstelling door jongeren in 'Le grand Bleu' waarbij ik het weinige dat ik er zelf van verstond simultaan vertaalde voor beide jongens en bezochten de Chambre de Commerce uit 1715 waar Kees de ultieme foto wilde maken van het glas in lood plafond van zestien meter doorsnee. Tussendoor werd af en toe de aftandse hotelkamer bezocht voor de verzorging van Kees' teen of het doen van een dutje.
In deze stad troffen we geen hordes Engelsen, Hollanders of kuddes Chinezen met selfiesticks. Ook uren wachten voor de Tour Eiffel of het Louvre om een glimp van de Mona Lisa op te vangen was niet nodig. Het toerisme in Lille bestond slechts uit schoolklassen die met handen vol papieren met opdrachten over de pleinen liepen. Op de dag van vertrek liet Leo zich bij de coiffeur tussen de kebabzaak Istanbul en de Unversité du Droit et Santé knippen.

Na twee dagen laadden we de fietsen weer in de bus, leidde mijn smartphone me via Breskens en Goes om de file in Antwerpen heen en waren we 's avonds weer in Groningen. Er werd zelfs nog een bezoekje aan Bergen op Zoom ingelast, waar Leo's vakantieliefde woont die hij vorig jaar leerde kennen in de Ardennen.

Voor mensen bij wie Parijs als mythische bestemming op hun bucketlist prijkt zou ik willen zeggen: Kom lekker tot rust in het prachtige Lille. Ook voor shopliefhebbers is het er een paradijs. Hoewel we dat laatste niet hebben kunnen verifiëren want toen Leo met het plan kwam om kleren te kopen, vond ik het welletjes en zetten we koers naar het Noorden.

Mocht u niet zelf in gelegenheid zijn om fietsen mee te nemen is dat geen punt. Want net als in Wenen en Sevilla zijn er talloze plekken waar je fietsen kunt huren die op straat al voor u klaarstaan. En een metro is er ook.




















dinsdag 2 mei 2017

Vergeet Parijs (1)



De meivakantie van mijn kinderen kwam voor mij als complete verrassing. Het stond keurig in mijn agenda maar opeens waren ze vrij. Wellicht speelt mijn leeftijd hierbij een rol, Douwe Draaisma schreef daar eens een mooi boek over: "Waarom de tijd sneller gaat als je ouder wordt".  Dat de mei-vakantie volledig in april viel, hielp natuurlijk ook niet mee.

Leo wilde gaan kamperen of naar Parijs of waarom geen lastminute naar Mallorca of Malta? Ook ik hou van reizen maar tegen de voorbereiding zie ik vaak op. Dus zette ik Leo zelf aan het werk en hij pakte het serieus aan. Waar was het mooi, waar waren huisjes, welke vliegtickets betaalbaar? Helaas moest ik zijn euforie vaak temperen omdat de schreeuwerige lokkertjes met dumpprijzen verwezen naar vertrekdata buiten de vakantie. Tot zijn teleurstelling zag hij dat de prijzen meer dan halveerden zodra ze weer naar school moesten. Zelf had ik hun halve vakantie al werk gepland. Hij stelde zijn eisen bij en opperde toen Rijsel, wél in Frankrijk, wat hij graag wilde, maar toch niet ver. 'Och nee, niet naar Lille', wierp ik tegen, 'dat is een vieze, vervallen stinkstad waar het altijd regent'.

Nadat ze in bed lagen zocht ik zelf verder. Vanwege weersvoorspellingen met hagel, natte sneeuw en onweer lieten ik het kampeerplan varen. Maar Lille leek na enig speurwerk toch meer te bieden te hebben dan ik dacht. Een hotel in hartje stad was voor 70 euro per nacht voor drie man gauw gevonden. En een dure Thalys was goed vervangbaar door een drie keer goedkopere Flixbus. Maar  daarmee zouden we twee van de drie geplande vakantiedagen in een touringcar zitten. Ik besloot met mijn eigen klusbus te gaan, daar zat per slot een nieuwe motor in. Als we op tijd vertrokken, konden we aan het begin van de middag in 'la douce France' zijn.

De dag erna zat de stemming er goed in. De jongens gingen in de miezerregen met steeksleutels in de weer. Op twee keukentrapjes demonteerden ze het imperiaal van mijn bus, dat zou toch weer een tientje aan brandstof schelen. Ook zou het de toegang tot een eventuele parkeergarage  vergemakkelijken (ik bleef al eens steken in die van de Oosterpoort. Geen feest om in hartje stad achteruit te moeten als er drie auto's achter je staan). En het scheelt ook een hoop herrie bij het scheuren over snelweg.

We zetten de fietsen achterin, Kees smeerde broodjes, Leo bracht zelfs nog oud papier weg (om één of andere reden zijn klusjes die de hele week blijven liggen vlak voor vertrek opeens urgent) en kocht steriele gaasjes om de net geopereerde teennagel van Kees mee te kunnen verzorgen. Ik probeerde intussen kaartjes te regelen voor een toneelstuk maar de voicemail van het theater meldde iets met 'complet' en 'liste d'attendre'. Toevallig bleek er tijdens ons verblijf wel een belangrijke basketbalwedstrijd tussen Lille en Boulogne-sur-Mer te zijn. Op nog geen kilometer van het hotel. Wat wilden mijn twee dribbelaars nog meer?

Na viereneenhalf uur rijden waren we in Lille, zochten we een gratis parkeerplek, plantten onze rolkoffertjes achterop de fietsen en vervolgden onze weg. Net als in Nederlandse steden zijn bijna alle one-way-wegen aan beide zijden toegankelijk voor fietsers. Kees, die steevast onvoldoendes op school haalt voor Frans, vergeet het woordje 'sauf' nu nooit meer. Via de 'Rue de Jeanne d'Arc' (hoe Frans wil je het hebben?) reden we naar ons aftandse hotel waarvan de naam 'Mister Bed' weinig goeds beloofde. Op een misgelopen reservering, ramen die niet open konden, een restje wiet op de dekens, een lekkende kraan en beschimmelde kit na, was het voor twee nachten prima te doen.

Het vervolg....










vrijdag 14 april 2017

Het groene doekje

Onderweg naar huis met een fiets vol boodschappen, spookt er een groen doekje door mijn hoofd. Dat nam ik vorig jaar per ongeluk mee uit een huis waar ik een deurdorpel verving. Er bleek veel meer hout verrot dan verwacht. Na negen jaar klussen zou ik beter moeten weten. Maar het was geen straf en tevreden klanten zijn me lief. Geen idee hoe hun doekje tussen mijn gereedschap belandde.

Ze behoren tot de weinige mensen die een papieren factuur willen en altijd met cash geld betalen. Ook toen ik eerder hun stortbak verving en een buitenkraan aanlegde telden ze, tot op de cent nauwkeurig, het aan mij verschuldigde bedrag uit op hun keukentafel. Dat had wel wat. Zichtbaar werk voor tastbaar geld. Het is een ouder stel. Of eigenlijk is 'stel' niet het goede woord. Hij was bij haar ingetrokken toen hij met gezondheidsproblemen kampte. Iets met een motorongeluk. Aan dezelfde keukentafel kreeg ik daarover alles in geuren en kleuren te horen.

Jaren later was zij aan de beurt. Haar hart, vlekjes op haar huid, maar ze hield zich groot en lachte met haar rauwe rokersstem de problemen weg. Bij elke klus werd ik nadrukkelijk gevraagd om eerst te komen koffie drinken. Met speculaas en stroopwafels erbij. En natuurlijk shag. Hij vertelde dan graag over zijn vissen, zij over haar familie. Maar beiden praatten ze vooral over elkaar. In de derde persoon, tegen mij, terwijl de ander ernaast zat.

Dat doekje is eigenlijk te onbenullig om terug te brengen, het heeft vast nog geen vijftig cent gekost. Anderzijds, het is een mooi excuus om nog eens langs te gaan. Als ik thuis de boodschappen heb gedropt, kan ik het wel even brengen, er staan voor vandaag toch geen urgente klussen op stapel.

Hoewel de man al op leeftijd was, had hij nog een vader. Die bleek een ervaren timmerman te zijn en was belangstellend komen kijken, toen ik op mijn knieën op het stoepje voor de deur met beitels en klemmen de boel op maat maakte. Als een timmerman van bijna honderd je lof toezwaait is dat, vooral voor een eeuwige twijfelaar als ik, extra waardevol. Zijn schoondochter, de vrouw des huizes, had me gevraagd om dit jaar een offerte uit te brengen voor het opknappen van de bovenverdieping. Ook daar vertoonde het schilderwerk kale plekken. Daar konden we het straks bij de koffie wel over hebben.

Er fietst mij een man tegemoet. Ik herken hem en we groeten elkaar. Alsof we een teken krijgen, draaien we beiden onze sturen naar links, maken midden op de weg een synchrone draai en staan dan weer precies even ver bij elkaar vandaan. We lachen er om en hij komt naar me toe. Nog voordat ik kan zeggen dat ik net aan hen dacht, zegt hij me dat ze drie weken geleden is overleden.

Hij had nog bij me langs willen gaan, maar er was van alles met de notaris, een zoon, de vissen, de erfenis, zijn suikerziekte en wat niet al. Mijn meegepikte groene doekje verliest terstond nog meer waarde dan het had. Ik hoor haar stem, zie haar op de bank liggen. Overleggen hoe laat ik verder zou gaan met mijn herrie. Ze sliep vaak slecht en was nooit vroeg op. Ik voeg me graag naar het dagritme van klanten. Zelf ben ik per slot ook geen vroege vogel.

Thuis zet ik koffie voor mij alleen. Gedachteloos schenk ik meer water op het filter dan nodig. Het kopje stroomt over. Met het groene doekje veeg ik het aanrecht schoon.
Aan dode mensen kun je ze niks meer teruggeven.

dinsdag 11 april 2017

Nieuw Rotterdam door oude ogen


Ik vrat de afgelopen dagen honderden kilometers. Plekken passerend waar ontelbare herinneringen lagen. Langs de A13 prijkt nog steeds de reclame voor 'Van Leeuwen buizen' op een flat langs de snelweg. Jarenlang was dit de aankondiging dat we bijna terug waren van vakantie uit het zuiden. Bijna thuis. Mijn zus en ik liggend op bedjes achterin. Eerst in een wit en later een oranje Renaultje. Heden ten dage zou je voor dergelijk roekeloos gedrag waarschijnlijk je rijbewijs verliezen. Maar ik heb het overleefd. Net als mijn zus. Die nu verder oorden bezoekt en appjes stuurt uit China en Nieuw-Zeeland. Verderop schitterde de skyline van Delft in de late avondzon, de volle maan al hoog aan de hemel. Daar trouwden mijn ouders en werd ik geboren.

Ik leerde hier praten, lopen, fietsen, schrijven en zoende er voor het eerst, maar de herinneringen zitten in mijn hoofd, niet in straten of huizen. Er is weinig wat me nog aan deze plek bindt. Met de klasgenoten die hier bleven, heb ik geen contact meer. Met hen die uitwaaierden nog wel. Een paar belandden er net als ik in Groningen. Anderen vonden hun heil in IJmuiden, Utrecht of Arnhem. Eén van hen woont al sinds jaar en dag in Venezuela. Een enkeling raakte aan de drugs, sommigen zijn overleden, al dan niet zelf gekozen. Mijn zus verkaste naar Berlijn en mijn ouders wonen nu al langer in Amsterdam dan ze ooit in Pijnacker woonden.

Op de radio komt muziek voorbij waar ik toen voor het eerst mee kennismaakte. Sade Adu, David Bowie, Joe Jackson en Bruce Springsteen. Misschien hebben mijn medeweggebruikers ook herinneringen aan deze muziek, anders werd het vast niet meer gedraaid. Van de weinige concerten die ik bijwoonde, waren er twee in Ahoy in Rotterdam. Vanaf een hoog balkon -kaartjes waren vroeger ook al duur- zag ik stipjes van UB-40 en later Sting. Ik kocht foto's bij de uitgang. Wat een wereld van verschil met de miljarden plaatjes die nu in real time over de wereld gaan.

Bij de Hofstad adverteert een mij bekende doe-het-zelf-zaak met 'Er komp iets heel grauts naah De Haag'. Profilering door maximale inzet van de eigen taal. Wat ooit plat was wordt nu met trots geëtaleerd. Rowen Heze brult door de ether: 'Het is een kwestie van geduld, tot heel Holland Limburgs lult' en Guus Meeuwes wenst dat men op Brabant trots zou zijn als een Fries. Na Radio Rijnmond en Stadsradio Delft volgt uren later Omrop Fryslân en Radio Drenthe. Angst voor het vreemde, omarming van wat nabij en bekend is.

Als fysieke plekken geen emoties meer oproepen, of dusdanig rigoureus zijn verbouwd dat ik weinig meer herken van de straten uit mijn jeugd, is er des te meer ruimte voor nieuwe dingen. In Rotterdam is na de oorlog al verschrikkelijk veel gebouwd, maar ook nu wordt er nog volop aan de weg getimmerd. Twee goede vrienden leidden me er rond. Hij maakte zelf het bombardement van 1940 mee. Zijn vader werd geboren in 1890. Zij is degene die tien jaar terug het logo voor mijn klusbedrijf ontwierp. Ze toonden me de enorme Maas, waar boten de schittering van de zon op het water braken. We liepen over de plek waar bijna 77 jaar geleden de eerste bom neerkwam, door de gezellige winkelstraat de Meent en dwars door de kleurrijke Markthal, waar het wemelde van de Chinese toeristen.

Als ik weer thuis ben in het Hoge Noorden, zie ik pas hoe het kwam dat ik een half uur langer dan voorspeld over deze rit deed. Onbedoeld reed ik een rondje om de plek waar ik de eerste zestien jaar van mijn leven woonde. In plaats van direct Oostwaarts de A20 te nemen, maakte ik een onnodige lus via het Prins Clausplein. Dat nog in aanbouw was toen ik er midden jaren tachtig langsfietste op weg naar school. Wellicht stuur ik ongewild toch vaker de kant op van wat bekend is.



















maandag 3 april 2017

Wat men vindt

Wie in Nederland een eigen zaak begint, schrijft zich in bij de Kamer van Koophandel. Dan mag je aan het werk, dan ben je vindbaar. En dan bedoel ik niet meteen voor klanten, maar wel voor verkopers die zeggen gespecialiseerd te zijn in het laten doen vinden van je bedrijf, met aanbiedingen en unieke kansen voor vermeldingen en verbeterde zoekfuncties via weet ik wat voor fantastische sites. Maar zou het niet door de KvK-vermelding zélf komen dat ik met naam en toenaam, inclusief een foto van mijn eigen voordeur te vinden ben?

Ik gaf bij mijn weten nooit toestemming om een foto van mijn huis op internet te zetten. Vroeger, in tijden van de papieren telefoon- en gouden gids, moest je voor een extra lijntje of vetgedrukte bedrijfsnaam nog betalen, maar nu kom je zonder bijbetaling ongevraagd in kleur op de voorpagina van het wereldwijde web. Tijden veranderen.

Malafide mensen kunnen zo een handige route maken waar eventueel gereedschap voor het grijpen ligt. Maar laat ik nu niet weer beginnen over de dag dat ik mijn bus opengebroken voor mijn huis vond. Er zijn gelukkig nog altijd veel meer bonafide mensen op de wereld dan mensen die ons schade willen berokkenen. Zo bleek dit weekend weer toen een oplettende voorbijganger zich de moeite getroostte om de eigenaar van een gevonden OV-kaart op te sporen. Ook al moest de vinder in kwestie daarvoor speuren naar mijn naamgenoot die in de buurt van de plek woonde waar de kaart op straat lag. En zo kreeg mijn vader in Amsterdam een telefoontje uit Haarlem van de vinder van mijn OV-kaart. Het toeval wilde dat diezelfde middag zoon Leo een wedstrijd speelde in Haarlem en zo konden we na het ophalen van Leo, een bloemetje brengen aan de vinder.

Terug naar mijn werk. Waarmee ik soms op idyllische plekken kom. Zo mag ik deze week mijn koffiepauze houden met twee konijntjes en heb ik als achtergrondmuziek het gehamer van een specht. Verder zie ik de hele dag geen mens. Ik schep kilo's dennennaalden uit de goot, breek de kitscherige lambrisering weg die plaats moet maken voor modernere wandbekleding. Verwijder houtrot en vul het gat met een giftig goedje dat voelt als vloeken op deze paradijselijke plek. Honger en oorlog in de rest van de wereld lijken ver weg. Maar zelf richt ik dagelijks een massaslachting aan. Spinnen rennen voor hun leven, mieren die een hele schutting tot pulp kauwden zoeken een veilig heenkomen en pissebedden blijven als versteend zitten als ik hun paradijsje wreed verstoor met binnenvallend zonlicht.

Maar helemaal afgesloten van de buitenwereld ben ik niet. Zo belde er vandaag een klant die vroeg of ik al terug was van mijn sabbatical. Ach ja, hoe dom was het van me om aan mijn vaste klanten te zeggen dat ik het klussen een tijdje in de wacht zou zetten om me aan het schrijven te wijden. Dat heb ik weliswaar gedaan, maar het duurde niet lang. Een jaar rustig werken aan mijn nieuwe boek zit er voorlopig niet in. Gelukkig wist de klant me nog te vinden. Ze had werk voor me.

Soms belt er ook een nieuwe klant. Ik herkende het vaste nummer op mijn display niet. Vreesde een eerder genoemd verkooppraatje. Uit voorzorg zei ik alleen mijn voornaam. De vrouw aan de andere kant van de lijn meende een verkeerd nummer te hebben gebeld, ze zocht namelijk een klusbedrijf. Toen ik zei dat ze daarmee sprak, was ze zo verbaasd een vrouw aan de lijn te hebben dat ze naast het gebruikelijke 'Dat hoor je niet vaak' ook zei dat ze er zelfs even van moest bijkomen. Ze had nog deze week iemand nodig en ik verwees haar door naar een collega. Uit nieuwsgierigheid vroeg ik haar nog wel even waar ze mijn naam vandaan had.
'Uit de gouden gids', zei ze.
Kijk, dat vind ik dan weer bijzonder.


donderdag 16 maart 2017

In ziekenhuis slapen?

Ik fiets in het donker langs het fel verlichte ziekenhuis. De riem van de tas vol PvdA folders drukt zwaar op mijn schouder. Bij een verlaten bushalte staat een vrouw. Ze wenkt me. Ik stap van mijn fiets en kijk op de tabel met vertrektijden die ze aanwijst. Zou ze die niet kunnen lezen?

De laatste bus naar Veendam is een half uur geleden vertrokken. En het is pas half acht! Arm mens. Ze praat gebrekkig Nederlands en draagt een doek die het midden houdt tussen een sarong en een hoofddoek. Ik kan haar afkomst niet plaatsen en opper: 'English?' Ze schudt van nee. Lijn 171 blijkt ook naar Veendam te gaan, maar reed al om zeven uur voor het laatst. Zou ze begrijpen dat er nu geen bus meer gaat? Ze maakt geen aanstalten om weg te gaan. Om mijn eigen ongemak wat te verhullen -gelijk zwaaiend wegfietsen is ook zo wat- vraag ik of ze wellicht net uit het ziekenhuis kwam. Ter verduidelijking gebaar ik in de richting van de megalomane ingang van het UMCG.  Ze lacht timide terug en vraagt verbaasd: 'Slapen in ziekenhuis?' Nee, o god nee! Hoe snel kunnen misverstanden ontstaan?!  

'Moet u vanavond nog naar huis, naar Veendam?' vraag ik. 'Amici', is haar antwoord. Aha, ze gaat vrienden bezoeken! Met 'Amici' kan ik wel wat, ik schakel over op Italiaans. Ook dit tilt onze conversatie niet naar een hoger plan. Maar wellicht woont ze dus gewoon in Groningen en kan ik me zonder schuldgevoelens uit de voeten maken. Je voor iemand verantwoordelijk voelen kan kennelijk al binnen een minuut.

Op een andere dag had ik de PvdA propaganda gewoon in mijn fietstas gedaan, maar ik heb nu geen fietstassen. Ik heb zelfs mijn eigen fiets niet. Daarmee is Leo vanmorgen naar school vertrokken, terwijl ik zijn band stond te plakken. Helaas blijkt nu dat ook de versnelling kuren heeft. Dus fiets ik in de eerste versnelling naar huis. Mijn schouder doet zeer en mijn knieën maken overuren. Maar ik ben tenminste geen analfabete vrouw die vanavond nog naar Veendam wil. En gelukkig ben ik ook niet Asscher of Spekman, die nu, een week later, een verlies van negenentwintig zetels voor de PvdA moeten incasseren.
Dat scheelt toch. 

dinsdag 28 februari 2017

Het feest dat aan half Nederland voorbij gaat

Indianen, zwervers, zebra's, muizen, vliegeniers, clowns, presidenten, giraffen, BFI agenten, Robin Hoods, Rastafari's, bijen, bakkers, militairen, bejaarden met rollators, generaals, dracula's, supermannen en zelfs een wortel. Die liep ik dit weekend allemaal tegen het lijf. Ze groetten en zongen en maakten muziek. Toen het ging stortregenen trokken ze vrolijk een regenpak over hun kostuums aan en gaven geen krimp. Ze bleven gewoon doorfeesten en zingen en lachen.
    
Ik wist het niet meer. Was totaal vergeten dat het bestond. Wat zeg ik? 'Bestaan' is toch echt wat zacht uitgedrukt voor dit jaarlijks terugkerende feest, waar elke peuter en grootouder bezuiden de rivieren aan lijkt mee te doen. Waar geen ontsnappen aan is, niet in de trein, niet in de bus, niet op de scooter en zelfs niet als je gaat fietsen van Nijmegen naar het Duitse Zyfflich. Alwaar je je koffie slechts kunt nuttigen tussen de cowboys, monniken en prinsessen. Het is wel even wennen, maar zo'n onderdompeling in een onbekende cultuur vol vrolijke mensen maakt wel dat ik me meteen minder druk maakte om de spaken van mijn fiets. Waarvan er één, oh nee twee, eh... zes braken.

Achteraf bedacht ik ook hoe fijn het was dat ik zonder identiteitscheck de grens over kon steken. Net als prins carnaval. Ik merkte zelf nauwelijks dat ik in een ander land was. Niemand maakte zich daar druk om. Geen volksmenner zal het lukken om mensen bang te maken met 'Wees op uw hoede voor de caranavalsvierders die de Nederlandse cultuur bedreigen'. Ook niet nu er, van Australië tot de VS, en zelfs in ons eigen Almere 'horrorclowns' opduiken die met messen zwaaien en erger. Maar misschien komt er ook nog eens een politicus die daarom de Cliniclowns op een lijst van terroristische organisaties wil plaatsen.  

Toen onze koningin, toen ze nog verkleed was als prinses, tien jaar geleden zei dat 'dé' Nederlandse cultuur' niet bestond, was het land te klein. Maar wie een beetje nieuwsgierig om zich heen kijkt, zal aangenaam verrast zijn. Nederland kent veel kleurrijke feesten. Naast Carnaval hebben we ook nog het offerfeest en het suikerfeest. Daarbij kleden de mensen zich niet alleen op hun paasbest, ze serveren ook nog eens heerlijke gerechten. Met de voorbereidingen is men net zo lang zoet als de Limburger met zijn outfit.

Verkleed je eens als indiaan, prinses of hijs je eens in een toga. Zodat je een dagje voor rechter kunt spelen. Maar hou het dan liever wel bij spelen. En ga vooral niet denken dat je een land kunt besturen door mensen bang te maken voor iedereen die 'anders' is. Daar bouw je geen feestje mee. 
En zeker geen land.








(Zou Wilders dit jaar nog verkleed de straat op gaan in zijn eigen Venlo? Een boerka-outfit zou ik hem toch ontraden. Zou sneu zijn als hij zich moet beveiligen tegen zijn eigen aanhangers.)

maandag 20 februari 2017

De liegende vluchteling

Er was eens een meisje van zes. Ze heette Gerda de Vries en woonde aan de Rijnkade vijftien in Arnhem. Maar gek genoeg had deze Gerda geen flauw idee hoe het er daar op de Rijnkade uitzag. Of ooit had uitgezien. Ze was in heel Arnhem zelfs nog nooit geweest. Ze heette eigenlijk ook geen Gerda. En 'de Vries' was niet de achternaam die ze van haar vader had meegekregen. Maar hoewel er niks klopte aan haar papieren, was ze er wel. Het was een meisje van vlees en bloed met bruine ogen en een grote strik in het haar. Dat knikkerde en leerde schrijven en schaatsen. Ze bestond echt. Sterker nog, ze bestaat nog steeds.

Het enige dat correct op de papieren stond, was haar geboortedatum, 1 april. Maar aan alle verzinsels rond de rest van haar identiteit, was verder weinig grappigs. De Rijnkade vijftien was namelijk gebombardeerd. Een vergissingsaanval, geallieerden hadden de stad aangezien voor het Duitse Kleef. Er vielen zestig doden. Ook dat had Gerda weliswaar niet meegemaakt, maar het was wel de reden om juist dit adres te verzinnen. Want wie wil zich nou niet ontfermen over een 'evacueetje' uit 'geteisterd gebied'? Daar is weinig verdachts aan. Wat dat betreft is er niets veranderd. Ook anno 2017 willen we eigenlijk alleen 'echte' vluchtelingen helpen. Mensen wiens huis is platgegooid spreekt tot ieders verbeelding. Maar wie liegt over zijn of haar identiteit, kan op weinig compassie rekenen.

Maar laat nu juist de afkomst van dit meisje de reden zijn geweest om te liegen. Het maakte dat zelfs haar geboortehuis in Friesland niet meer veilig was en ze moest onderduiken, samen met haar moeder en zus. Waar vader was wisten ze niet. Naar later bleek probeerde hij, vermomd als vrouw, de controles te omzeilen.

De vader van het meisje was zelf twintig jaar voor Gerda's valse papieren ook vluchteling geweest. Of mag je een jongen van twaalf, die zich zonder ouders verstopt in een volle trein, op zoek naar een beter bestaan in een ander land, zo niet noemen? Feit was wel dat toen hij inmiddels was getrouwd met een Friese boerendochter, zij twee dochters hadden en een bloeiende eigen zaak runden, hij nog niet was genaturaliseerd als Nederlander. Het wrede toeval wilde dat Nazi-Duitsland zijn geboorteland toen annexeerde en zo werd hij, als Duitser, opgeroepen voor militaire dienst. Hij wist het lang te ontduiken maar moest uiteindelijk toch het nazi-leger in. Gerda's oudere zus werd geacht naar de Duitse school te gaan. Hoe te laveren tussen wat verplicht was in oorlogstijd, de blikken van de buren en je eigen geweten?

Vader wist te ontsnappen uit het medisch, militair kantoor van de nazi's waar hij werkte in het toen nog Duitse Stettin (het huidige Szczecin, wat nu in Polen ligt. 'Landsgrenzen' blijven een vreemd fenomeen). En zo werd het meisje met de strik de dochter van een gedeserteerde Duitser en daardoor noodgedwongen Gerda. Vader dook onder en zijn gezin hield zich elders schuil. Soms waren dat fijne plekken, die toch niet veilig bleken, soms was het eten vies (maar daar mogen vluchtelingen niet over klagen). Soms waren het plekken waar het meisje en haar zus de straat op werden geschopt -kinderen maken het huis maar vies- of waar je koffer stiekem werd nageplozen door de gastvrouw. In een oorlog is het overleven. Maar het echte overleven begon voor Gerda pas na de oorlog.

Op de dag dat Friesland werd bevrijd, een maand voor 5 mei 1945, stak het inmiddels zevenjarige meisje zonder uitkijken de weg over, en werd ze aangereden door een Canadese jeep. Wekenlang lag ze doodstil in de bedstee van het onderduikadres. Men wist niet of ze het zou redden. Maar ze overleefde de klap.

Vijfenzestig jaar later maakte ik met dit meisje een driedaagse fietstocht. Van Arnhem naar Zwolle. De tocht begon daar waar ze volgens haar vluchtelingenverklaring zou hebben gewoond. Lachend poseerde ze voor de deur van de inmiddels herbouwde Rijnkade vijftien.

Het is mijn eigen moeder.







zondag 12 februari 2017

De merel zingt weer, maar het schrijfseizoen is nooit voorbij.

Onderweg naar een schilderklus zag ik vorige week de opkomende zon als een grote oranje bal boven de nog benevelde velden hangen. 's Avonds was ik tot na zonsondergang bezig met het afhangen van een zelfgemaakt tuinhek aan twee solide duimhengen (wat een mooi woord is dat toch: hengen). Er wachtten verder nog een verstopte keukenafvoer, het afkitten van een badkamer en in het weekend was ik in de weer met het op maat schaven van klemmende deuren en ramen. Een heel leger therapeuten zat tijdens hun sessies namelijk op de tocht. Sommige psychologen hadden het ergste leed proberen te verhelpen met wat plakband en een opgerolde theedoek.

Het verhelpen van tocht en verstoppingen blijft soms wat ondankbaar of in elk geval onzichtbaar werk. Er kunnen geen mooie plaatjes van op mijn website worden gezet. Het enige dat kan aantonen of ik mijn vak versta, is het uitdoven van klachten over de kou.

Als de dagen lengen stroomt mijn agenda weer vol. Mensen lijken te ontwaken uit hun winterslaap, willen iets veranderen aan hun woonst, aan hun nestje. Er moet opeens iets worden verbouwd of hersteld waar men in de winter minder last van scheen te hebben. Ze bellen mij en ik rij er heen. Voor het negende jaar op rij. De lente is voelbaar, zichtbaar en zelfs hoorbaar. Merels zingen als de avond valt.

Ik mag niet klagen maar eigenlijk wil ik schrijven. Elke dag, elk uur, altijd. Ik sta op met verhalen en val ermee in slaap. Daar krijg ik geen kramp van in mijn handen zoals bij het schilderen vaak gebeurt. Op mijn mobiel staan vele interviews en er liggen vol gekrabbelde schriftjes naast de laptop te wachten om te worden getransformeerd tot een roman. Aantekeningen met beelden, met geuren en ontroering.

Het is een verhaal dat verteld moet worden. Dat van alle tijden is. En er altijd zal zijn. Het is een verhaal over Ierse, Baskische en Franse voorouders. Maar ook dat van mijn Weense opa die als wees zijn heil zocht in Friesland. En ook van Syriers en Marokkanen van nu. Het gaat over gelukszoekers, avonturiers, over mensen die een beter leven willen. En voor wie het verminderen van kou en tocht niet meer volstaat. Die er altijd al zijn geweest. Maar zo lang er ook mensen zijn die de verbetering van hun leefomstandigheden zoeken in kleinere veranderingen. Zo lang er tuinhekken omwaaien, keukens verstoppen en ramen kieren, zal het nog minstens een jaar gaan duren voordat er een lezenswaardige roman is.

Het is fijn dat er weer werk is en dat mijn inmiddels trouwe klantenkring daar ook keurig voor betaalt. Maar hoe mooi zou het zijn als die erkenning er ook kwam voor mijn geploeter met woorden, met zinnen, met verhalen die er ik zo graag vertel. Jammer genoeg levert dat niet alleen geen beleg op, maar zelfs geen boterham.

Wie weet. Wie weet zal er, als de merels over een jaar opnieuw gaan zingen, iemand zijn die me vraagt om te schrijven. Een boek, een verhaal, een column. Het maakt me niet uit. Als ik maar mag schrijven.

Inmiddels is het een week later. Er trekt een nieuw koudefront over ons land. Misschien moest ik me vandaag maar richten op het verbeteren van mijn eigen leefwereld. Mijn tuinhek klemt en er is nog een bed dat gemonteerd moet worden. Maar voorlopig verschans ik me bij de kachel achter mijn toetsenbord. Waar ik woorden laat stromen, zinnen verzin, zinnen verzet en geniet.

Buiten fluiten de vogels en schijnt de zon.

zaterdag 28 januari 2017

Over het herinneren van heldinnen

De vuurwerkresten zijn opgeveegd. Voor de gretige inkopers onder ons rest de vraag wat met de overgebleven knallers te doen. Ergens wegstoppen. Maar mag dat wel? Weggooien is ook zo wat. Zodra je het hebt opgeborgen op een plek waar je de komende 364 dagen niet zult kijken, weet je vrij zeker dat je het op 31 december van dit jaar niet meer zult vinden. Maar dat is van later zorg.

De doden van 2016 zijn betreurd. Bowie, Prince en Leonard Cohen. George Michael, Toots Tielemans en onze eigen Peter van Straaten. Zomaar een greep uit een lijstje namen van mensen die het afgelopen jaar het leven lieten. Wat me in zulke rijtjes steeds opvalt, is de oververtegenwoordiging van mannen. Ok, toegegeven, mannen sterven eerder dan vrouwen. Maar dan zou statistisch gezien alleen de leeftijd waarop is gestorven afwijken. Houden vrouwen soms minder van schijnwerpers? Of ligt de oorzaak bij degenen die de idolen maken, bij ons? Wat Cruijff betreft kan ik de reden wel bedenken. Mannenvoetbal trekt nu eenmaal meer kijkers en dus sponsoren. Is de overaanbidding van mannelijke helden dan alleen een kwestie van geld?

Sinds kort pronkt op de sweater van mijn puber de strenge kop van Muhammad Ali. Dat vindt vast niemand raar. Een idool op je shirt mag. Ook als ie nog onder ons is. Michael Jordan of LeBron James. Niks mis mee. Tot het tegendeel is bewezen. Zo zou ik met OJ Simson meer moeite hebben. Maar waarom zijn het allemaal kerels? Je zult niet gauw een vijftienjarige met Amy Winehouse zien rondlopen. Of, waarom het ook bij de dames niet zoeken onder de nog levende sporthelden, wat dacht u bijvoorbeeld van Lucia Rijker? Voor het geval er geen lichtje gaat branden, help ik u even op weg. Deze nationale sportheld speelde een hoofdrol in de met een Oscar bekroonde 'Million dollar baby' van Clint Eastwood. Een film die goed was voor vier Oscars en twee Golden Globes. Rijker zelf behaalde maar liefst zes wereldtitels in het boksen en het kickboksen. Ze nam ook deel aan de documentaire met de veelzeggende titel 'Shadow boxers'.

Hoe groter de roem, hoe vaker een bijnaam. Zo draagt Badr Hari de naam 'Golden boy'. Lucia Rijker moet zich tevreden stellen met 'Lady Tyson'. Een naam die is afgeleid van een -uiteraard mannelijke- bokskampioen. Die net als Hari weliswaar in aanzien is gedaald, maar toch tot ieders verbeelding spreekt. Overigens zei Rijker in december 2016 dat ze Hari maar 'slappe hap' vindt. Kickboksen van nu heeft volgens Lucia alleen nog maar met het 'grote geld' te maken. Tja.

Of kent u Mariele Kruse? Ook zij won meerdere wereldtitels in het kickboksen. Hoger kun je niet komen. Dat deed de eerder genoemde Hari ook, maar hij moest enkele titels weer inleveren vanwege onsportief gedrag. Over Mike Tyson zullen we het maar niet hebben. Overigens heeft Google wat moeite met de juiste spelling van Mariela.

Nu heeft boksen me nooit zo beziggehouden. Veel verder dan het wassen van de trui met Ali er op, reikt mijn band met deze sport niet. Maar het blijft natuurlijk vreemd dat het horen van de naam Hari meer herkenning oproept dan Kruse of Rijker. Zou het dan echt alleen een kwestie van geld zijn?


Mijn goede voornemen is om de vrouwen die ons ook dit jaar ongetwijfeld zullen ontvallen, meer in de schijnwerpers te zetten. En dan mik ik niet op 'shadowwomen' als Nancy Reagan. -hoe triest is het dat wij en masse haar meisjes- en artiestennaam vergaten- maar meer op beroemdheden als Zsa Zsa Gabor of de fantastische schrijfster Helga Ruebsamen. Als we de vrouwen die komend jaar de pijp aan Martina geven, wat meer aandacht geven, kunnen we hun kijk-, lees- en verkoopcijfers wellicht alsnog een boost geven. Niks draagt meer bij aan je succes dan doodgaan.

Ik zal een paar sterretjes voor ze branden. Of, als ik die nog kan vinden, een keukenmeid voor hen door de straat laten gillen. En om er voor te zorgen dat heldinnen ook op toekomstige lijstjes prijken, kunnen we nu vast beginnen met de nog levende legendes beter voor het voetlicht te brengen.

Doet u mee?

woensdag 18 januari 2017

Bevend in Italië

De wandeling over de Via Appia, waar naast mij vooral cruisende Romeinen rondwandelden, had ik overleefd. Ook de ontmoeting met de Siciliaanse studente en die met meneer 'Robin Hood' op het station van Casabianca (Witte huis) leverden verhalen op die mooi waren om naar te luisteren.

In Rome was het 's middags warm geweest. In Terontola, mijn laatste overstapstation, vluchtte ik vanwege de snijdende kou café Sport binnen. Ik klapte mijn laptop open op het minuscule tafeltje maar het scherm bleef zwart. Of dat aan de accu lag, of dat het kasseienhobbelen het ding fataal was geworden, kon ik niet nagaan omdat het stopcontact niet paste op de computerstekker. Of zeg je zulks andersom?

Ach ja, stroom. Ik hoor nu dat er in de naastgelegen regio Abruzzen, vierhonderdduizend mensen zonder elektriciteit zitten. Ik hoop maar dat zij wel reserveaccu's hebben. Daken dreigen te bezwijken onder het gewicht van de sneeuw, die op sommige plekken meer dan een meter hoog ligt. En dan gaat de aarde ook nog beven.

Na de tweede beving, die ik voelde omdat de palletkachel waar ik tegenaan leunde bewoog, ben ik maar inkopen gaan doen. Daar was veel winkelpersoneel aan het bellen en moeilijk aanspreekbaar. Zelfs bij de kassa werd ik met één hand bediend, terwijl er vrolijk werd doorgepraat. Beleefd wachten tot ze klaar was met bellen was niet nodig, zo gebaarde ze.

De reden van dat fanatieke bellen was nu eens niet om overdreven interessant te doen, maar omdat alle kinderen in Midden-Italië op straat waren gezet. Eerst moesten ze onder de tafels kruipen, maar daarna werden ze toch maar naar huis gestuurd. Best lastig, als je ouders in een winkel staan en ze je niet kunnen ophalen.

Maar men kan in dit land de klant kennelijk ook bellend bedienen, want ik keerde terug met de juiste inktcardtridges (mijn vliegticket moet nog geprint), een doucheslang die niet in de knoop kan (ik kan er het klussen niet laten) en zes kilo pasta die ze in Holland niet hebben. Althans, niet voor veertig cent per pak. De bavette (slijmpjes) en linguine (tongetjes) kunnen het gat dat in mijn koffer achterbleef van de
Groninger koek mooi opvullen.

En het is hier koud. Niet dat de temperatuur hier gauw onder nul daalt, maar de Tramontana, de wind die uit de bergen komt, snijdt dwars door drie broeken heen. En die hou ik hier binnen, net als mijn bergschoenen, nu toch maar aan. Nu om half drie net de vierde, of was het de vijfde beving de lampen deed slingeren. Overigens schijnt er hier sinds augustus 2016 elke vier minuten een aardbeving te zijn.

Uit mijn Italiëtijd weet ik me nog te herinneren dat mijn vingers er bijna afvroren als de Tramontana blies. Vooral als ik een poging deed de was buiten op te hangen. Nu lijken mijn vingers te verkrampen als ik het thuisfront per Whattsapp schrijf dat het hier met de schade vooralsnog meevalt.

Tot zover de berichtgeving uit bevend Italië.