Posts tonen met het label winkel. Alle posts tonen
Posts tonen met het label winkel. Alle posts tonen

woensdag 7 maart 2018

Een verdwaalde loodgieter in hip Haarlem

Het is koud en het waait en ik loop door een straat waar geen auto's mogen komen. Winkelpuien met namen als 'Subliem', 'Polkadot' en 'Lots of Leuks' moeten de wandelaar verleiden. 'Bink' vind ik een rare naam voor een winkel waar ze fournituren verkopen. En 'Foof' past ook niet echt bij schoenen. Deze stad was meen ik eens 'de meest aantrekkelijke woonplek van Nederland'. Maar de mensen voor wie ik hier een badkamer aan het verbouwen ben, zeggen dat er naar Haarlem tegenwoordig vooral mensen komen die geen betaalbare woonruimte meer kunnen vinden in Amsterdam. Een gezette man trekt met gebogen rug kisten vol boeken terug zijn antiquiteitenwinkel in. Er bungelt een peukje uit zijn mond. Aan hem durf ik wel te vragen waar men een nicotinedealer kan vinden. Hij wijst me de weg naar een avondwinkel.

Het blijkt een felverlichte snackbar te zijn, waar zowel de koopwaar, de felle neonverlichting maar ook de allochtone uitbater een beetje uit de toon vallen in de verder überwitte Kleine Houtstaat. Vóór mij is een klant die geld wil wisselen. Al wapperend met een briefje van vijftig, dicteert hij de snackman in welke coupeures hij dat wil, tot op de euro nauwkeurig. (Misschien zocht hij sterkere genotmiddelen dan ik). Als hij de pijpenla is uitgebeend begint de snackman een praatje. Alsof hij de man die hem zojuist toeblafte wil wegpraten. Ik kan zijn verhaal over pinnen, contant geld en Londen maar moeilijk volgen en frons mijn wenkbrauwen als hij over 'Bos 300' begint. Hij herhaalt nog een paar keer 'bos, bos driehonderd'. Dan begrijp ik dat hij het niet over zijn Engelse werkgever heeft, maar over de betaalmogelijkheden in een Londense bus. Met contant geld. Of met de pin. Dat ben ik vergeten. Na mijn contactloze betaling vervolg ik mijn dwaaltocht.  

Hoewel de meeste kledingzaken al dicht zijn, brandt er bij 'Baby Plus' nog licht. Aan het gedempte geroezemoes maak ik op dat er mensen binnen zijn, maar ik kan ze niet zien door de beslagen ramen. Alsof men de klandizie ter plekke aan het verwekken is. Misschien noemen ze de baby dan wel 'Bink' of  'Foof'. 

Voor me doemt de enorme Sint Bavo kathedraal op. Ik had hem van een afstand al gezien, maar hij ging daarna weer schuil tussen de opeengepakte huizen waar het in de tijd van Frans Hals vast naar vis en paardenstront zal hebben geroken. Er is horeca genoeg hier, maar ik durf op dit uur niet zomaar een espresso te bestellen in een druk restaurant. Ze zien me al aankomen in mijn eentje. En dan ben ik ook nog van plan op het terras te gaan paffen. Voel ik me helemaal een eenzame junk. Of nee, dat is het niet, het zou vast klanten afstoten zo bij de ingang. En ik ben mede-ondernemers goed gezind. Ik wil gewoon even de benen strekken, iets dat na drie dagen op mijn knieën te hebben gewerkt, best een plausibel alibi is. 'Moed inlopen' is vast gezonder dan het indrinken ervan.

Net als het gevoel van eenzame zwerver me dreigt in te halen -eettenten zijn steeds dunner gezaaid, mezelf voorwenden dat ik koffie zoek, wordt al lastiger- zie ik, tegenover De Toneelschuur, een leeg café met de robuuste naam 'Bierlokaal de Uiver'. Er staan binnen geen stoelen en er zijn, op twee mensen na, die beiden aan één kant van de imposante toog staan, geen mensen. De bardame en klant kijken mijn kant uit. Nederig wijs ik naar de koffiemachine en merk iets op over dat die schoon is. 'O, die is alleen voor het personeel', zegt de barvrouw met een glimlach. Haarlemse humor. Toen ik vanmiddag bij de groothandel, te midden van vijf bouwvakkers, om hennep en kittersfit vroeg, voelde ik me zekerder dan nu. 'Je wil een kopje espresso?', vraagt ze dan, 'Ik kom het zo wel even buiten brengen en doe de terrasverwarming voor je aan.'  'Dat is niet nodig hoor', zeg ik. Door mijn bescheidenheid voel ik me als het meisje van zestien dat voor het eerst -alleen- gaat stappen. Maar of ik veel voldoening uit dat jong-voelen put, is nog de vraag. Dan nestel ik me buiten onder de broedlamp bij de Uiver met zicht op de theaterbezoekers achter het glas aan de overkant. We roeren synchroon in onze kopjes koffie. Ben ik toch niet alleen. 

Na de koffie laat ik binnen mijn blik langs tientallen koperen kranen met bieren met al even exotische namen als de winkels gaan en vraag of ze een blond biertje voor me heeft. 'Ik zoek wel wat lekkers voor je uit', zegt ze lachend. Even later zet ze een mooi schuimend glas gerstenat voor me neer: 'Het is gebrouwen in Utrecht en heet 'De gouden kraan'. Ik voel me op slag weer loodgieter en veeg het schuim met mijn mouw van mijn lippen.

zondag 29 november 2015

Plastic soep van IS





Wat eten we vanavond?
Plastic soep!




En als toetje?
Een heerlijke plastic fruitsalade natuurlijk.



Je zou bijna denken dat de olie waar IS de heilige oorlog mee voert, zo goedkoop op de wereldmarkt komt, dat we van gekkigheid niet meer weten wat we er mee moeten.

Intussen laten we ons fijn inpakken met krachtige oorlogstaal.
Net als die rare vogels die met plastic soep hun honger stillen.

Met 5 december voor de deur heeft het ook wel weer wat fijns.
Al dat uitpakken.

woensdag 11 maart 2015

Bij een huwelijk horen veters

Ik ben dol op tweedehands. Zit en loop graag daar waar andere mensen op zaten of liepen. Kijk naar wat anderen hebben bewonderd en hebben aangeraakt. Op jacht naar dingen die ik niet zoek of nodig heb maar wel fijn zijn. Zoals in een consumptiemaatschappij gebruikelijk is.

Dat de crisis toeslaat is te merken aan de inbreng. Ook in de kleding. Waar voorheen twintig procent van de afdankertjes kon worden hergebruikt, is dat nu nog maar tien procent. Wat dan de vraag met zich meebrengt: als de criteria aan de achterdeur naar beneden worden bijgesteld ("Deze broek kan nog best een jaartje mee"), zou dat aan de voordeur dan ook gelden? Is voorheen onverkoopbare kleding nu opeens weer acceptabel? Einsteins relativiteitstheorie kan ik niet navertellen, maar als het om kleding gaat, snap ik 'm best. En voor geld geldt de theorie ook. En smartphones. Eigenlijk alles.

Mannen zouden hun kleding afdragen, vrouwen zijn eerder -heel eufemistisch- 'aan iets nieuws toe'. Vorm ik de uitzondering op die regel? Onder mijn oude vesten draag ik weliswaar een heuse werkbroek met knielappen, maar tweede Hans merkte onlangs terecht op dat die zwarte broek er na een witte schilderklus, niet bijster professioneel meer uitziet. Wellicht is het iets met tering en nering. Zocht ik werk dat een alibi verleent aan mijn voorliefde voor afdankertjes. Maar aan dat alibi zit kennelijk ook een limiet.

Een schoenenfetisj is me ook vreemd. Wat meestal aan mijn voeten prijkt, kreeg ik in handen doordat de buurvrouw zo enorm geilde op mijn nieuwe tajine, dat ze voorstelde haar schoenen te ruilen voor deze Afrikaanse pan. Intussen stooft zij hierin al jaren mals lamsvees en banjer ik gelukkig door de dagen op haar onverwoestbare bergschoenen.

Onlangs nam ik bij een wandeling zelfs even mijn jongens op mijn rug ter voorkoming van natte pootjes. Toen ik een week later hetzelfde rondje met mijn ouders maakte, liepen zij met opgerolde broekspijpen om de plassen heen. Al wachtend friemelde ik behaaglijk met mijn warme, droge tenen. Zo lekker, zo als gegoten.

De strakheid van de veters is wel essentieel. Als die te strak zitten, voelen mijn enkels na verloop van tijd koud aan. Maar te slap is ook niet goed. De wrijving die dat geeft leidt weer tot ander ongemak. De veter, bedacht ik, terwijl ik bij tweede Hans, met zijn tweedehands schoensmeer mijn bijna tot op de draad versleten schoenen poetste, dat is een geniale, tijdloze uitvinding. Zoiets zou men moeten bedenken voor relaties. Die soms ook knellen, of juist zwabberen. De boel loshalen en opnieuw rijgen is dan het devies. Zo dacht ik, terwijl ik twee nietjes aan de uiteindes van het schoensnoer deed. Want anders kreeg ik de veters niet meer door de koperen lusjes.

Maar ja, dacht ik ook.
Een veterdiploma heb ik niet.


zaterdag 20 december 2014

De haakjes en de Acas

Foto's aan haakjes, theedoeken aan haakjes, jassenhaakjes, ja, zelfs mijn tuingereedschap ga ik aan haakjes hangen. De muren worden dan wel één grote gatenkaas en de medeflatbewoners worden ook wel eens gek van mijn herrie. Maar, zo zei mijn bejaarde buurvrouw sussend in de supermarkt (Nadat ze vroeg: 'Wanneer is het nu eens afgelopen met dat geboor?) 'Het moet toch gebeuren'.

Efficiëntie is -hoe zeg ik dat een beetje diplomatiek- 'niet mijn meest in het oog springende kwaliteit'. Sterker nog, iemand zei me eens dat ik vast lid was van de ACAS; de Asociatie ter Complicatie van Affari Semplici, oftewel, de club die simpele zaken bemoeilijkt. Wat daar verder ook van zij. Ik sla hier dus alles aan de haak. Zelfs koffiekopjes. En waar kun je die haakjes beter vinden dan in het warenhuis dat van haar tot in de puntjes doorgevoerde efficiëntie een handelsmerk maakt. Precies, bij Ikea.

Aldus toog ik door de decemberstorm (nee, niet zielig, je kunt er overdekt parkeren, zelfs met een pakjedrager op het dak van je bus). Je wordt dan lekker droog naar de spullen geloodst waarvan je niet wist dat je ze nodig had maar die zo goedkoop zijn dat je ze niet kunt laten liggen. En ergens tussen de verlichting en de slaapkamers kun je je zelfs vol eten met Zweedse ballen en hotdogs. Er schijnen zelfs mensen speciaal naar Ikea te gaan om er te eten.
Maar het ging hier niet over kleffe hete honden, maar over haakjes. Waar ik mijn koffiekopjes aan ging hangen. Daar had ik al haakjes voor, maar niet genoeg (waarom een huishouden met één koffiedrinkend wezen twintig kopjes heeft, is ook een raadsel). Zelfs niet nadat ik, in een van te voren mislukte poging me vast te klampen aan iets dat voorbij is, met betraande ogen, alle planken, lampen en haakjes had losgeschroefd en had meegenomen uit mijn oude huis.

Ik zag mijn haakjes al hangen. Keurig aan de wand, met pollepels en bestekbakjes er aan. Maar, anders dan je zou verwachten bij een efficiënt warenhuis, er lagen geen haakjes voor het grijpen in het schap er onder. De gele man die ik om raad vroeg verwees me via de kantoormeubels terug naar de keukeninrichtingafdeling. Ik snap dat goed. Losse dingen die aan vaste dingen hangen, zijn moeilijk te definiëren producten. Lastig in de bedrijfsvoering.

En jawel, ook daar wanden vol stangen met haakjes. Van zeven en van elf centimeter. Hier wel een schap. Met opschrift. Van de grote waren er veel, het schap van de kleintjes, die ik wilde, was leeg. Een tweede gele man zag 'in het systeem' dat er  nog vijfhonderd moesten zijn. Toch niet een aantal dat je zomaar achteloos in je jaszak stopt, zei ik jolig. Hij liep terug naar de plekken waar ik al had gezocht. Tevergeefs.

Maar deze Lehti is niet alleen lid van de Acas (wie gaat er nu naar een warenhuis van duizenden vierkante meter voor een paar lullige haakjes?), ze is ook bekend bij de 'Organisatie der Obstinaten' (wie me wel eens heeft zien klussen, 'Buurman en Buurman' zijn er niks bij). Dus niks geen 'Laat maar meneer, ik kom wel een andere keer'. Nee, ik probeerde de beste man zelfs te verleiden tot het weghalen van showexemplaren. Voor mij. En toen, toen ging hij voor me op de knieën. 

Vastberaden haalde hij allerlei dozen uit de onderste schappen, zette ze op het looppad en verdween  toen zelf half in de kast. En zowaar, ergens op de grond achterin, vond hij twee begeerlijke zakjes met haakjes. De gelijkenis met mijn eigen huishouden is onthutsend.


Ik bedankte hem vriendelijk voor de moeite en de knieval en wenste hem veel succes met het vinden van de andere vierhonderdachtennegentig exemplaren.

Kopje koffie?

zaterdag 22 november 2014

Kleurig bedelen in november

De Oost-Europese straatkrantverkoopster naast de schuifdeuren lacht me nog breder toe dan de man op de cover in haar handen. Ze draagt een paarse muts, sjaal en dikke wanten. De uitheemsen die in het winkelcentrum rondhopsen dragen mutsjes van dezelfde kleur. Na mijn nederige 'Dat is zeker alleen voor kleine kinderen?', krijg ik van hen een paar pepernoten in mijn opgehouden hand. In de Hema zijn nog meer Pieten. Niet in het schap, maar pardoes in het gangpad, voor mijn neus. Het is er niet druk.

Hoe anders is het bij de Action. Rijen dik graaien mensen in schappen met schoenen, schroeven, schoonmaakmiddelen en chips. Het is de week waarin de kinder-, huur-, zorg- en andere soorten toeslag worden uitgekeerd. Wie er straks op één december de huur en zorgverzekering betaalt weet niemand. Via de intercom wordt gevraagd een vierde kassa te openen. Een jonge vrouw zegt verveeld tegen haar gekleurde vriendin in haar kielzog: "Ik vinnut hier niet meer zo leuk, heb nooit geld op mijn rekening".

Schuldbewust koop ik een rol kaftpapier voor mijn zuinige zoon Leo. Leo is erg van de hergebruik, tweedehands, zonne-energie, bio. Eten mag nog minder weggegooid dan ik nu doe, zijn huiswerk doet hij bij voorkeur op de achterkant van gebruikte A-4tjes en zijn wekelijkse promotie over zonnepanelen roep ik een halt toe door te zeggen dat daarmee ook de huur stijgt. De documentaire waarin wordt gepleit voor een duurzaamheidsoffensief vanuit Europa zal ik hem maar niet laten zien. (Kan het ook niet meer vinden op het net. Dit dossier economie wel). Te meer omdat ik een jas en broek voor hem koop die gezien de prijs onmogelijk een eerlijk loon aan de naaister gunnen. Hij heeft het niet van een vreemde. Ook ik stond op die leeftijd in een tweedehands jas te trommelen op het Binnenhof voor een betere wereld. Maar mijn idealisme is onderweg een beetje verdwaald.

In de documentaire hoorde ik voor het eerst over 'koopblogs'. Filmpjes van dames die online hun aankopen tonen. Genre: "Had eigenlijk niks nodig maar deze kaarsjes stonden zo mooi bij mijn kussens (of andersom) dus toch vier van gekocht". De koopmeisjes in kwestie zouden volgens de econoom (man) hun eigen graf graven. Juist zij zijn degenen die in de maakindustrie of boetiekjes werken die de concurrentie met 'Made in China' niet meer aankunnen. Die gaan dan failliet en zetten dezelfde dames aan de kant. We zouden in Europa, ook als consument, het tij moeten keren en vaker voor kwaliteit moeten kiezen. De koopblogs worden medegefinancierd door de prijsvechters zelf.  

Wachtend bij de derde kassa raak ik beklemd tussen twee 'Goh-lang-niet-gezien-hoe-istie?' dames. De vrouw achter me vertelt over haar plotselinge ontslag, net nadat ze terug was van vakantie. Ze was boos geweest, verdrietig. Had een tijdje in de flexpool gezeten maar deed nu werk op een buitenschoolse opvang, niet meer met die hele kleintjes. Ze vindt het leuk werk.

Het gaat weliswaar niet over aambeien, maar ik piep toch maar tussen hen uit naar kassa vier, ga achter een jong stel staan dat kinderchocolaatjes koopt. Echte en nep. Misschien stoppen ze de neppe wel in het 'echte' doosje als dat leeg is. Om hun kinders te foppen. Het is ten slotte bijna vijf december. 

De gekleurde bewaker maakt een praatje met de blanke bakker. Het gaat over ingangen die goed dicht moeten. Bij de ingang van de Aldi -na twee overvallen voorzien van dubbele schuifdeuren- ontmoet ik de kleuterjuf van mijn jongens. Ze heeft een mooi kleurtje. Nadat ze bijna veertig jaar voor de klas heeft gestaan, geniet ze nu van haar pensioen. Ze trekken veel rond en hebben het, op hun manier, best druk. Ze komen net terug van twee maanden Spanje. 

Huppelende Pieten passeren de plaatselijke Antilliaanse hangouderen. Aan tegemoet komende chocaladekindjes wordt gevraagd of ze 'niks lekkers lussen'. Braaf openen de peuters hun knuistjes. Zo lijken ze een beetje op Pakistaanse jongetjes in een madrassa.

Toch een beetje hypocriet. Vertellen we onze kindjes het hele jaar om vooral geen snoep aan te nemen van vreemde mannen, moeten ze in december juist wel hun hand ophouden!
En na ontvangst van het lekkers ook nog dankjewel zeggen tegen die meneer met pruik en pofbroek. 
Maar het is dan ook een zwarte meneer.
Met schoorsteenvegersoorbellen.
Dat scheelt.

zaterdag 14 juni 2014

Een groen WK

Wat te doen zonder tv bij het WK? Gekweekte stekjes uitzetten natuurlijk! Probleem hierbij is echter dat in de bestaande perkjes de tomaat landjepik doet met de aardbei en de kool de radijs wil imponeren. Hoog tijd om opnieuw wat tegels uit de tuin te wrikken ten behoeve van nieuw groen. Geen sinecure met een gesneuvelde spade. Iedereen die wel eens tegels heeft verwijderd uit een strak bestrate tuin, weet waar ik het over heb. Kutklus.

Maar met behulp van wat wilskracht en flink vloeken krijg je ze wel klein. Da's trouwens ook een optie, de boel gewoon stukslaan. Net als ik gister met een muis deed, die me met bloeddoorlopen oogjes smekend aankeek terwijl mijn schattige huisleeuw hem terroriseerde. Hij kroop weg achter de munt en 'pets' daar kreeg het weer zo'n klauw. Piepend hopste het halve beest weg. Ik had mijn kat Isis moeten noemen. Een crimi op de buis is prima, maar als ik buiten in de zon geniet van thee met koekjes, hoef ik niet op de eerste rang te kijken hoe een muis wordt afgetuigd. Ik gaf hem dus de genadeslag. Niet met de schep, die was immers stuk, maar met een paal.

Na het versjouwen van de tegels en het verwijderen van het zand, (waar laat ik in vredesnaam al dat zand dat onder de tegels vandaan komt? Op een bult? Neuh, mijn kinders zijn de zandbak ontgroeid. Met een beetje pech wordt het dan een kattenbak) heb ik nu een mooie kuil. Waar nieuwe aarde in moet. Die er niet is. Naar het tuincentrum mag niet meer want ik heb te veel op om nog achter het stuur te kruipen. (Wie dacht dat bierdrinken is voorbehouden aan bankhangende oranjefans heeft het mis. Ha!)

Maar het is hier koopavond en de buurtsuper heeft sinds kort aarde in zakjes te koop. (nooit gedacht dat ik me daar nog eens schuldig aan zou maken: aarde in plastic!). Op straat is het uitgestorven, ik fiets midden op de weg en verheug me op het gebroederlijk met andere voetbalhaters langs de schappen zwalken. Zulks schept een band. Wat een simpele blik al niet kan zeggen: 'He makker, jij ook op de vlucht voor het oranjegeweld? Ja, dat zeggen we natuurlijk niet hardop, uit angst voor verkettering, maar wij begrijpen elkaar, jij ook sterkte thuis.' Maar ook in de Coop is men niet veilig: oranje kassières, oranje mandjes. Dat doen ze trouwens het hele jaar door! 

Met de nodige stuurkunst wandel ik met honderd liter tuinaarde op mijn bagagedrager weer huiswaarts. Even later staat de rucola, de radijsjes, komkommer, courgette en basilicum met hun malse steeltjes in de volle grond. Af en toe wordt ik opgeschrikt door een oorlogsschreeuw uit één van de omringende huizen. Verderop in de straat gaan een paar dronken jongens balletje trappen in de rust. Het klinkt zo opgetogen dat ik bijna denk dat Nederland voorstaat.
Mijn vriend appt: 4-1!
Toch niet voor Nederland?! sms ik terug.

Tja, daar kan de zelfs de grootste oranjeontkenner niet voor wegblijven. Ik fiets naar hem toe, plof op de bank, trek nog een blikje open en ik moet toegeven, dat vijfde doelpunt was wel mooi.

De volgende wedstrijd zitten we met mijn aardbeien achter de tv. Moet ie alleen wel nog even worden aangesloten.






zaterdag 29 september 2012

Unbeschreiblich weiblich*

Vrijdag is een prima dag om de vrouw uit te hangen. Door bijvoorbeeld te gaan koffiedrinken met soortgenoten. Maar dit eerste plan maakte bij mij plaats voor de aandrang om iets leuks te kopen. Voor mezelf. Welke gelegenheid ik gelijk te baat nam, want zoiets is een zeldzaamheid. Ik heb geen last van een tassenfetisj of schoenverslaving en eigenlijk heb ik ook een broertje dood aan passen. Altijd al gehad.

Als puber was ik wel eens jaloers op meiden die elk half jaar met hun moeder de stad in gingen om voor een paar honderd gulden hun garderobe te vernieuwen. Anderzijds leek het me een crime. Want nieuwe kleren betekende passen. En de enkele keer dat ik met mijn moeder gezellig ging winkelen in Delft of Den Haag, verliep ongeveer zo:

Moederlief zag vanuit haar ooghoek dat ik langer dan twee seconden bleef hangen bij een kledingrek (het liefst één dat pontificaal buiten op de stoep stond, zodat het overgaan van een drempel nadrukkelijk werd vermeden). Met een beetje mazzel reikte mijn hand dan, ja betástte ik met mijn vingertoppen zelfs, een kledingstuk. Als ze me dan voorzichtig attendeerde op de aanwezigheid van een paskamer, creëerde het uitspreken van dit woord een plotselinge afstand tussen mij en het mogelijk nieuwe t-shirt, sweater of broek: "Nee hoor, mam, ik vìnd dat niet mooi, hoe kom je dáár nou bij?" En als ik dan, bij hoge uitzondering, toch in mijn ondergoed in zo'n hokje stond (het is mij een raadsel hoe ze mij zo ver kreeg), constateerde ze vol ongeloof dat ik voor de gelegenheid mijn meest aftandse hemd droeg en waarschijnlijk ook niet de moeite had genomen me van te voren even op te frissen.

Fijn. Zo'n dochter.

Met vriendinnen 'stadten', is ook nooit wat geworden. Want ik ging met zestien jaar al het huis uit en liep even later, -vraag me niet waarom-, in nog aftandser kleren achter een kudde schapen (en een foute vent) aan. In een land waar men de onnavolgbare gewoonte heeft om zich minstens drie maal daags om te kleden. Quel horreur!

De kledingoorlog begon al als peuter. Een befaamde familieanekdote is die van mijn oma die op haar kleindochters zou passen om mijn moeder, die ziek was, te komen helpen. Oma was dol op ons en kwam graag. Ze naaide, wandelde, bakte brood en havermoutkoekjes maar ze stelde wel één voorwaarde, alvorens van Friesland naar Holland af te reizen: als ze míj maar niet hoefde aan te kleden. Mijn moeder is toen zelf maar uit bed gekomen om de strijd met monster Lehti te leveren.

Er waren meer 'meisjesdingen' die niet aan mij besteed waren. Zo weigerde de kapper me te knippen toen ik als kleuter wild om me heen sloeg. Hij wendde zich tot mijn moeder en zei: "Neemt u dat varken maar weer mee." Als ik nú kind was geweest, zat ik al lang onder de ritalin.

En ook nu ik -een soort van- volwassen ben, blijft het behelpen. Op mijn vorige klerenjacht, nam ik mijn minnaar mee. Hij is dòl op mooie kleertjes, geurtjes, schoenen. Híj wel. Toen ik me met drie te dure broeken terugtrok in een peeskamertje (haakjes! haakjes!, waarom zijn er toch overal zo weinig háákjes?) nam hij plaats op een krukje (Nee, beste lezer, het beeld van zo'n ongelukkige vent die om zijn vrouw heendraalt klopt hier niet. Deze man genóót) en hield hij een verplichte babbel met de winkeljongen: "Ze houdt niet van passen, meneer, haha", "Nou, precies, wat u zegt, dat hoor je niet vaak, ha ha." (Ja, halló, neem ik iemand mee om te voorkomen dat ik zelf in mijn slipje door de winkel moet voor een ander model, gaat ie me een beetje belachelijk maken! Oud wijf!) Na één broek had ik het wel gehad. Wat er verder in de schappen lag, gunde ik geen blik meer waardig. Boos beende ik de winkel uit. Mijn goed geklede begeleider kwam proestend van het lachen achter me aan.

Maar deze vrijdag zou ik de vrouw zijn! Vol goede moed fietste ik naar de kledingzaak. Die nog dicht was. De naastgelegen kinderkledingwinkel was gelukkig wèl open (uitstellen van pasgedrag?). En jawel, toeval bestáát, want daar stond de winkeljuffrouw van de zaak waar ik heen zou (we wonen hier eigenlijk in een dorp). Even later struinde ik alsnog onwennig tussen de tweedehands kleren.

'Wat is je maat?', vroeg ze (zou ze me al een tijdje hebben gadegeslagen?: 'Wat zou dat mens toch zoeken tussen de rekken met XXL?!'). Ik mompelde iets terug over 'mijn onderarm die in de taille moest passen'. Want ik wéét dat dus niet, hè, welke maat ik heb. De broek om je nek doen werkt ook prima, vooral om de paskamer te omzeilen.

Uiteindelijk heb ik me dan toch in een broek gehesen. Toen ik voorzichtig het gordijntje weer openschoof, klonk er eerst een veelbetekenend: "En?". Maar na bestudering van mijn bilpartij, zei ze dat ie me te wijd was. "Waar heb je die gepakt?... O, ja, dáár hangen de gróte maten." Om niet te snel toe te geven wierp ik eerst nog een blik in de spiegel. De broek was vies. "Nee," zei ze, "dat hóórt zo, dat doen ze expres (Ja duh, dat wist ik óók wel!), volgens haar had ik last van beroepsdeformatie. ("Dokter, ik zie schildersschimmen").

Ik weiger te betalen voor bevlekte kleren, dus dat ie te groot was kwam goed uit. Maar na het aan- en uittrekken van nog vijf broeken, kreeg ik zweterige associaties met mijn pubertijd. Voor de vorm bladerde ik nog even tussen de drollenvangers en pochte dat ik ècht wel wist dat die nu in de mode zijn. Weer mis! Zo'n zwemvlies tussen je benen is alweer passé. Zei ze. Vrouw zijn valt niet mee.

Tussen het bedienen van mij en de enkele andere klant, lepelde ze haar sla naar binnen. Zíj had vanmorgen wel eerst koffie gedronken met andere vrouwen. Drie cappuccino zelfs. Nu stond ze te stuiteren en had honger. Maar ze wist mijn minderwaardigheidscomplex wel te relativeren: "Ik heb er ook wel eens moeite mee hoor, met vrouw zijn." Verheugd vroeg ik wat haar zoal dwars zat: "Nou, ik schrijf in mijn agenda dat ik mijn benen moet ontharen, anders vergeet ik dat."

Dank je wel juffrouw Novy, broek en blouse passen perfect. Ik voel me weer helemaal vrouw!

(toen ik die avond ging douchen, zag ik dat ik alwéér was vergeten nieuwe scheermesjes te kopen.
Net als vorige week, en de maand daarvóór. Misschien moest ik ze eens op mijn lijstje zetten.)



De foto's zijn vijf jaar geleden gemaakt, bij een heuse sarto (kleermaker) Toscano. Daar schopten ze het tot bruidsjonkers. Gelukkig heb ik geen dochters.

*Voor de liefhebbers nog een link naar de bijbehorende en onverbeterlijke Nina Hagen. 
Naturträne, is ook mooi.

donderdag 17 november 2011

Lego versus Ikea

Hoe grijzer het weer wordt, hoe meer ik over de grens ga.
Of, om met Loesje te spreken: "Met mijn gedachten ergens anders, ben ik altijd overal."

Scandinavië wordt het dit keer. Nooit gewest. Wel aan gedacht, hoor. Meerdere malen. Maar het kwam er gewoon nooit van. Twintig jaar geleden vatte ik eens het plan op om met mijn moeder te paard langs Finse meren te rijden. Ik heb mijn moeder nooit op een paard zien zitten. En, wat mij betreft, ik vind natuur echt wel mooi, kan er intens van genieten, maar dat hoge Noorden lijkt me toch wat leeg. Ik ben intussen een echt stadsmens geworden.

Noorwegen dan. Ooit werkte ik in Italië voor een succesvolle Noorse bloemenkweekster. Ik stekte er gardenia's en deed wat vertaalwerk. Ze was haar land ontvlucht. Niet vanwege een vent, maar omdat het er zo snel donker werd en bleef. Dat was ze zat. Tja, als Noren hun eigen land al niet weten te waarderen, wat heb ik er dan te zoeken? Beter is het om Scandinavisch schoon naar hier te halen dus.

En dat gebeurt. En hoe. Je kan hier geen kamer betreden zonder over Lego te struikelen. Een meesterlijke uitvinding van een Deense timmerman. Onverwoestbaar ook (ooit 's morgens met je duffe kop zo'n blokje onder je blote voeten gehad? 'Au!'). Maar, onverwoestbare spullen hebben één nadeel. Ze zijn duur.

Dus wat doet een gerustgestelde moeder die zojuist met haar legofiele kind de spreekkamer van de vervanger van de vervanger van de huisarts heeft verlaten. Die gaat lekker naar Ikea! Om te sneupen. (Geen idee of dit woord bestaat. Ik vind het mooi).

En dan, dan gaat het kind een uur lang rondroeren in bakken met overtollige schroefjes, moertjes, scharnieren wat dies meer zij. Om er een papieren zak mee te vullen. Die dan €2,50 kost. En waar hij en zijn broer vervolgens een compleet kamp van aanleggen. Waar ze maar niet genoeg van krijgen. Lang leven de Zweden!

En toen werd ik gebeld. Om planken te monteren en of ik ook tijd had om een Ikea-kast, die in elkaar was gedonderd, te repareren. Schijnt vaker voor te komen. Niet tot ieders vreugde. Maar ik klaag niet. Fijn dat er spullen zijn die kapot gaan. Dat genereert mij weer wat inkomsten. Waar ik nog meer zakjes met beslag van kan kopen!




zaterdag 23 februari 2008

Snoep, wijn en meer

Wachten in de file irriteert velen maar hier, bij de kassa lijkt niemand veel last van stress te hebben. Er wordt gesmst, iemand leest op haar gemak de koppen van de middageditie en ook de commercie maakt graag gebruik van deze luttele, niet volgeplande seconden. Naast verrassingseieren op peuterhoogte en afgeprijsde douchegel staat een stelling met zogenaamd 'oud snoep'. Met vieze grijze kleuren, rare namen en vooral veel suiker. Geheel tegen de geboden van de gezondheidsmaffia in. Ik kocht eens een zakje met toffees in de vorm van een joint. Er op sabbelen betekende vastgelijmde kaken, kauwen kapotte.

Twee studentes becommentariëren de uitgestalde waar:
'Die peerdrups, die zijn lekker en o kijk, deze, die nam ik wel eens mee naar het zwembad'.
'Ken je dat, dat is eetpapier, echt smerig, joh, heb je dat wel eens gegeten?'
'Ja, da's hetzelfde als een hostie'
De stilte die volgt kan betekenen dat slechts één van hen van katholieke huize is maar wellicht zijn ze alleen maar verbaasd dat het lichaam van Christus hier is voorzien van een streepjescode.

Bij de kassa van de buurtsuper gunnen stadse mensen elkaar een kijkje in de keuken. Er is volop gelegenheid een blik op de boodschappen van je voorganger te werpen. Worden er pampers, gehakselde en gewassen sla of fairtrade koffie op de band gezet? De nieuwe kassa beschikt zelfs over een openbare display zodat men precies kan zien wat de tussen- en eindstand is van hetgeen wordt afgerekend. Hier is van een wachtstreep geen spoor, elke klant schuift zijn kar braaf tot op enkele centimeters van de volgende kont. Deze gluursessie is nog puur genieten. Alsof jij de enige bent met de link naar iemands koelkast. Vandaag staat er zelfs een tweede kamerlid in de rij achter me. Reden om extra op te letten, want: 'Wat eten politici zoal de hele dag?'. Ik zie een fles vla, witte wijn, en cola. Ik staar wellicht wat te gretig naar zijn spullen. Hij wijst me er vriendelijk op dat ik mijn pinpas verkeerd om door de scanner haal. 'O, ja bedankt', breng ik nog net uit met een rood hoofd -alsof ik dat niet weet-. Ik laad snel het maandverband en de condooms in mijn tas.