(wat er vooraf ging)
Uiteraard. Dom van me. Meneer Bashir was Groninger! Voor hem was wel duidelijk wat ik
vroeg, of waar ik heen wilde. Maar het kwam hem vast zijn neus uit.
Past in hetzelfde straatje als ‘Ik wist niet dat vrouwen dat ook konden’
of ‘Wat praat je goed Nederlands’ (tegen een als baby geadopteerde
Chinees). In een poging me te redden uit mijn miskleun, roemde ik zijn
geboorteland. Hoewel ik ook niet de ‘kijk-mij-eens-kosmopolitisch-zijn’
wilde uithangen en er snel aan toevoegde dat ik van Marokko weinig meer
zag dan de binnenkant van een sporthal.
Ik bood iets te
drinken aan. Niet vanwege mijn vrijgevigheid, -mijn inkomen geeft daar
niet veel aanleiding toe- maar meer omdat ik, bij gebrek aan broekzakken, alleen
briefgeld in het elastiek van mijn rokje stak (een handtas? Wat is
dat?). Bij één consumptie zou het wisselgeld, in losse euro’s, vast
verder mijn ondergoed in wandelen. En in één vijfje pasten precies twee
biertjes. Probleem opgelost. Maar de feestende Bas dronk een mix. Zodat
ik alsnog met muntgeld zat. Heerlijk hoe hij op zijn beurt mij weer in
een ander hokje plaatste: Terwijl ik mijn glas cola achterover goot,
nipte hij van iets vies met Wodka en excuseerde zich half met: “Normaal drink ik nooit”.
Maar
naast zijn (voor) oordeel: ‘Alle Hollanders zuipen’, en het mijne ‘Een
man die goed danst is geen Hollander’ dacht ik vast onterecht dat hij
dacht dat ik op jacht was en dacht hij dat ik dacht dat hij zijn poten
niet thuis kon houden of dat ik hem bij de minste aanraking zou aanklagen vanwege een vrouwonvriendelijke bejegening.
Om drie uur fietste ik zingend naar huis. Toen ik me uitkleedde vielen er twee losse euro’s uit mijn bh. Ik droomde van een ander bal. Vol boeken. Met Nasrdin Dchar en Simone van Saarloos. En mijn verhaal natuurlijk.
zondag 31 januari 2016
zaterdag 30 januari 2016
Groninger bal
Wintertijd. Weinig werk. Elk jaar hetzelfde liedje. Maar ondanks 'automatische afschrijving vanwege onvoldoende saldo mislukt’ heerst er nog geen paniek in huize Lehti. Want ik mag schrijven! Geen offertes, rekeningen of reclameteksten. Maar fictie!
Verhalen van vijfhonderd woorden. Of het viervoudige. Over erotiek, ‘Duitsland’, of met als thema ‘Verstrikt’. Schrijven voor anderhalve kip (hier bloggen) of met een poging het verhaal op de radio voorgelezen te krijgen door Nasrdin Dchar. Liever niet door Renate Dorrestein. Want hoewel ik haar boeken verslond, denk ik dat haar stem mijn verhaal niet kan dragen. Als het lúkt. Als ik tussen die honderden, duizenden andere schrijfgrage zielen bij de beste vijftig.... wat zeg ik? bij de laatste vijf eindig! Hoop doet leven. En dansen natuurlijk.
Dus gooide ik de voetjes van de vloer, dromend over het boekenbal, op de plek waar Giel Belen kort ervoor geen bier kopte, maar ballonnen liet neerdalen. Giel had er vast veel voor over gehad om bij de uitreiking van de popprijs, net zulk uitzinnig publiek te hebben als afgelopen zaterdag in de Oosterpoort.
De Vlaamse bezoekers hier, lazen al eerder dat alleen uitgaan voor mij geen ramp is. In 2015 had ik zelfs een poging gewaagd om zelf zo’n dansfeest op te zetten. Maar het liep al net als met mijn schrijfambities. Een vliegende start, om er vervolgens al gauw niet meer in te geloven. Een goed verhaal vereist een strenge redacteur en het neerzetten van een feest kun je ook niet alleen. De DJ’s deden hun best hoor. Maar na drie keer wist ik: dit ìs niks en gaat ook niks worden. Beter om aan te haken bij de ‘bejaardendisco’ in de Oosterpoort.
De hotpants liet ik bij deze 40-UP party voor gezien. Nee, vanavond droeg ik een braaf rokje en dito decolleté. Ik bleef veilig tussen de stelletjes dansen en ontweek gretige blikken. Vooral geen aanleiding geven. En toen zag ik ze. Twee dansende mannen. Samen met een dame. Dat beviel me. Niet dat ik aasde op één van hen. Verre van dat. Maar ze kwamen om te dansen. En dat zag je.
Het drietal stelde zich voor. Om de kans op herkenning te verkleinen, noem ik ze hier Bas en Al. (Waarschijnlijk Bashir en Ali). Het meisje noem ik Nicole. (Wat fijn om zo’n lekkere seventies naam te mogen bedenken). Kort er op vroeg ik waar Bas vandaan kwam.
“Groningen.”
Juist ja.
(morgen het vervolg)
Verhalen van vijfhonderd woorden. Of het viervoudige. Over erotiek, ‘Duitsland’, of met als thema ‘Verstrikt’. Schrijven voor anderhalve kip (hier bloggen) of met een poging het verhaal op de radio voorgelezen te krijgen door Nasrdin Dchar. Liever niet door Renate Dorrestein. Want hoewel ik haar boeken verslond, denk ik dat haar stem mijn verhaal niet kan dragen. Als het lúkt. Als ik tussen die honderden, duizenden andere schrijfgrage zielen bij de beste vijftig.... wat zeg ik? bij de laatste vijf eindig! Hoop doet leven. En dansen natuurlijk.
Dus gooide ik de voetjes van de vloer, dromend over het boekenbal, op de plek waar Giel Belen kort ervoor geen bier kopte, maar ballonnen liet neerdalen. Giel had er vast veel voor over gehad om bij de uitreiking van de popprijs, net zulk uitzinnig publiek te hebben als afgelopen zaterdag in de Oosterpoort.
De Vlaamse bezoekers hier, lazen al eerder dat alleen uitgaan voor mij geen ramp is. In 2015 had ik zelfs een poging gewaagd om zelf zo’n dansfeest op te zetten. Maar het liep al net als met mijn schrijfambities. Een vliegende start, om er vervolgens al gauw niet meer in te geloven. Een goed verhaal vereist een strenge redacteur en het neerzetten van een feest kun je ook niet alleen. De DJ’s deden hun best hoor. Maar na drie keer wist ik: dit ìs niks en gaat ook niks worden. Beter om aan te haken bij de ‘bejaardendisco’ in de Oosterpoort.
De hotpants liet ik bij deze 40-UP party voor gezien. Nee, vanavond droeg ik een braaf rokje en dito decolleté. Ik bleef veilig tussen de stelletjes dansen en ontweek gretige blikken. Vooral geen aanleiding geven. En toen zag ik ze. Twee dansende mannen. Samen met een dame. Dat beviel me. Niet dat ik aasde op één van hen. Verre van dat. Maar ze kwamen om te dansen. En dat zag je.
Het drietal stelde zich voor. Om de kans op herkenning te verkleinen, noem ik ze hier Bas en Al. (Waarschijnlijk Bashir en Ali). Het meisje noem ik Nicole. (Wat fijn om zo’n lekkere seventies naam te mogen bedenken). Kort er op vroeg ik waar Bas vandaan kwam.
“Groningen.”
Juist ja.
(morgen het vervolg)
Labels:
dansen,
Groningen,
Nasrdin Dchar,
NPO,
radio,
Renate Dorrestein,
schrijven,
wedstrijd
zondag 17 januari 2016
De dode mannen en de pornoactrice
Na een korte nacht glij ik met mijn bus in een witte wereld de helling van de Europabrug af. Het stoplicht springt op rood. Ik rem voorzichtig. Er staat een groepje van vier jongens op de stoep. Eén van hen loopt mijn kant op. Ik draait het raampje aan de bijrijderskant omlaag. 'Kunt u ons naar het centrum brengen', vraagt hij. Ik werp een blik op de achterbank. Die staat vol met een tegelsnijder, een accuboor en meer van zulks.
'Ja hoor', zeg ik.
'Uw auto is best vol', zegt hij.
Gelukkig hoeven er maar twee mee. De anderen worden uitgebreid omhelsd. Zoals ik al vermoedde zijn het bezoekers van Eurosonic, Noorderslag. Artiesten zelfs. Hun band heet iets met 'Death' en dan nog wat. Ik kan het al net zo moeilijk onthouden als de bands die mijn zoons noemen als er iets leuks op de radio klinkt. Maar zij waarschijnlijk ook. Zou de fles wijn die ze bij zich hebben rechtop blijven?
Waar ze vandaan komen en waar ze heen moeten is ingewikkeld. Daar waar hun auto staat. Of hun hotel. 'Bornholmstraat', weet één van hen zich te herinneren. Ik vertel ze dat dit een straat is die bekend staat om zijn 'afwerkplekken'. Maar er schijnt ook een overnachtplek te zijn. 'Da' s niet in het centrum en ik kom er ook niet langs', zeg ik. Een taxistandplaats is ook goed.
Als het hoofdstation in zicht is, blijkt één van de death artiesten opeens ook pornoacteur te zijn. Zegt hij. Maar dan wel een werkloze. Wellicht mag ik op mijn leeftijd blij zijn met zo'n verkapte versierpoging op zaterdagmorgen in besneeuwd Groningen. Maar mij lijkt het gewoon een vorm van smaltalk. Net zo normaal als de andere informatie:
Hotel tussen de straathoeren
Dronken, dode artiesten aan de voet van een brug.
Werkloze pornoacteurs.
De coach in mij ontwaakt: 'Dan moet je zorgen dat je wat reclame maakt' (Ik lijk verdomme wel tegen mijzelf te preken. Want het is hartje winter en zoals elk jaar rond deze tijd, houdt het werk niet over) Als we aankomen bij het station merkt de man naast me op dat mijn busje het perfecte decor voor een film zou zijn. De man achterin hangt met zijn bil boven een tegelsnijder. Er schiet me weinig erotisch te binnen bij die combinatie.
Vlak voordat de acteur uitstapt, wil hij me nog even geruststellen: "Is nie waar hoor".
Ik: "Wie weet ben ik wel een pornoactrice"
'Ja hoor', zeg ik.
'Uw auto is best vol', zegt hij.
Gelukkig hoeven er maar twee mee. De anderen worden uitgebreid omhelsd. Zoals ik al vermoedde zijn het bezoekers van Eurosonic, Noorderslag. Artiesten zelfs. Hun band heet iets met 'Death' en dan nog wat. Ik kan het al net zo moeilijk onthouden als de bands die mijn zoons noemen als er iets leuks op de radio klinkt. Maar zij waarschijnlijk ook. Zou de fles wijn die ze bij zich hebben rechtop blijven?
Waar ze vandaan komen en waar ze heen moeten is ingewikkeld. Daar waar hun auto staat. Of hun hotel. 'Bornholmstraat', weet één van hen zich te herinneren. Ik vertel ze dat dit een straat is die bekend staat om zijn 'afwerkplekken'. Maar er schijnt ook een overnachtplek te zijn. 'Da' s niet in het centrum en ik kom er ook niet langs', zeg ik. Een taxistandplaats is ook goed.
Als het hoofdstation in zicht is, blijkt één van de death artiesten opeens ook pornoacteur te zijn. Zegt hij. Maar dan wel een werkloze. Wellicht mag ik op mijn leeftijd blij zijn met zo'n verkapte versierpoging op zaterdagmorgen in besneeuwd Groningen. Maar mij lijkt het gewoon een vorm van smaltalk. Net zo normaal als de andere informatie:
Hotel tussen de straathoeren
Dronken, dode artiesten aan de voet van een brug.
Werkloze pornoacteurs.
De coach in mij ontwaakt: 'Dan moet je zorgen dat je wat reclame maakt' (Ik lijk verdomme wel tegen mijzelf te preken. Want het is hartje winter en zoals elk jaar rond deze tijd, houdt het werk niet over) Als we aankomen bij het station merkt de man naast me op dat mijn busje het perfecte decor voor een film zou zijn. De man achterin hangt met zijn bil boven een tegelsnijder. Er schiet me weinig erotisch te binnen bij die combinatie.
Vlak voordat de acteur uitstapt, wil hij me nog even geruststellen: "Is nie waar hoor".
Ik: "Wie weet ben ik wel een pornoactrice"
woensdag 13 januari 2016
Een Syriër op schaatsen
Met glibberend je fiets manoeuvreren
Met het schaatsen over parkeerplaatsen
Met de kletsnatte gympen in de natte sneeuw
Het is voorbij
Met uitvallende bussen, afgelaste markten en dichte scholen
Met vrolijke kinderen die uitslapen, logeren en buiten spelen.
Met het inlopen met huiswerk, want op school zelf schiet zulks niet op.
Over is het
Met de lege straten waar wandelaars het tempo bepalen,
Met buren die spontaan boodschappen voor elkaar doen
Met de gezamenlijke gezelligheid op straat.
Hoewel. . .
Hoewel. . .
Het schaatsvirus heeft zich nu zelfs verspreid onder Syriërs.
"I'm sorry, I only speak Arabic", zei hij.
"No problem", zei ik, nam de man bij zijn hand en loodste hem over de bomvolle kunstijsbaan.
Toen hij viel zij hij sorry.
Het was de eerste keer dat hij schaatsen onder had. 

vrijdag 8 januari 2016
Vieze praatjes en loze potjes (2)
Als ik thuis aan het heisteren ben, staat de radio vaak aan. Zo wordt ik elk uur op 'nieuws' gefêteerd. Tussen aanhalingstekens. Want welke rampspoed bleek maandag uitzendingswaardig? Het feit dat ene Kamal zich even miljonair waande.
Maar het toen, in tegenstelling tot zijn naaste buren, toch niet bleek te zijn. Omdat zijn automatische incasso was geweigerd.
Wegens te weinig saldo. Stom hè? De postcodeloterij gaf hem als
troost een bloemetje.
Maar sorry mensen, is het feit dat Kamal ondanks nul euro op zijn rekening (of weet ik hoe veel kredietlimiet hij bij de bank heeft) deelneemt aan een loterij niet vele maler stommer? Of is het niet Kamal die stom is, maar zijn de spindoctors van de postcodeloterij gewoon gewiekst? Want hoe bizar goed getimed kwam al dit nieuws zo rond de jaarwisseling.
Want er was meer.
Op het jeugdjournaal nog wel. Dit prachtige programma, in mijn ogen een soort verlengstuk van het inmiddels van de buis verbannen Sesamstraat, presteerde het om van de postcodeloterij een nieuwsitem te maken. Ruim twee volle minuten (van het negen minuten durend programma). Compleet met twee allerschattigste blondjes wier ouders geld hadden gewonnen.
De meisjes fantaseerden over reizen naar een tropisch eiland. En zelfs het spotje met BN-ers (aan hun kleur te zien, lagen zij om de dag te zonnen op een strand) die verlekkerd hun rode vrachtauto met miljoenen aanprezen, werd er in gemonteerd. Uit pedagogisch oogpunt werd nog vermeld dat de kans om acht keer zes te dobbelen even groot was als winnen. Met saaie zwart-wit dobbelstenen.
Na die blondjes en de goud oplichtende miljoenen zijn die dobbelstenen net zoiets als over condooms beginnen na een penetratie: 'Als het misgaat, hebben we het er in elk geval over gehad.'
Eén januari is voor rokers een dag om te stoppen. Voor gokkers vast ook. Gewoon eens verstandig de balans opmaken en bedenken dat je die honderden euro's per jaar ook in eigen beheer kunt besteden. Of de helft ervan, als je, net als de postcodeloterij, iets aan je medemens wilt doneren. Maar ja, elke rook-, drank- en gok- verslaafde heeft een 'het-kan-toch-geen-kwaad-duiveltje' als eeuwige metgezel.
Als je dan net -via achtentwintig keer klikken- je lidmaatschap opzegt, komt er godbetert zo'n bijna-miljonair langs op je radio: "Oei, rond de jaarwisseling valt de hoofdprijs vast bij mij!" Verslavingshormonen worden opgestuwd tot ongekende hoogte -Wat is nu een tientje?-, het hemels orgasme is in zicht. Althans, de hoop op zo'n gelukzalige ontlading.
Hoop doet leven.
En gokken.
Bij de postcoderloterij begrijpenn ze tot slot de kracht van herhaling. Ze omzeilen met succes mijn NEE-sticker, verstoppen zich in kerstpakketen, zijn hinderlijk vaak aanwezig in reclameblokken en hebben het nu zelfs tot nieuws geschopt. Inclusief beteuterde allochtoon die nèt niet wint en lieve blondjes die natuurlijk wèl winnen. Sterk staaltje onafhankelijke journalistiek hoor.
Ik denk dat we in het jaar 2066 net zo terugkijken op deze infiltratie van gokspelen in de media al we nu verbolgen zijn over roken in de bioscoop in de jaren vijftig.
Wedden?
Maar sorry mensen, is het feit dat Kamal ondanks nul euro op zijn rekening (of weet ik hoe veel kredietlimiet hij bij de bank heeft) deelneemt aan een loterij niet vele maler stommer? Of is het niet Kamal die stom is, maar zijn de spindoctors van de postcodeloterij gewoon gewiekst? Want hoe bizar goed getimed kwam al dit nieuws zo rond de jaarwisseling.
Want er was meer.
Op het jeugdjournaal nog wel. Dit prachtige programma, in mijn ogen een soort verlengstuk van het inmiddels van de buis verbannen Sesamstraat, presteerde het om van de postcodeloterij een nieuwsitem te maken. Ruim twee volle minuten (van het negen minuten durend programma). Compleet met twee allerschattigste blondjes wier ouders geld hadden gewonnen.
De meisjes fantaseerden over reizen naar een tropisch eiland. En zelfs het spotje met BN-ers (aan hun kleur te zien, lagen zij om de dag te zonnen op een strand) die verlekkerd hun rode vrachtauto met miljoenen aanprezen, werd er in gemonteerd. Uit pedagogisch oogpunt werd nog vermeld dat de kans om acht keer zes te dobbelen even groot was als winnen. Met saaie zwart-wit dobbelstenen.
Na die blondjes en de goud oplichtende miljoenen zijn die dobbelstenen net zoiets als over condooms beginnen na een penetratie: 'Als het misgaat, hebben we het er in elk geval over gehad.'
Eén januari is voor rokers een dag om te stoppen. Voor gokkers vast ook. Gewoon eens verstandig de balans opmaken en bedenken dat je die honderden euro's per jaar ook in eigen beheer kunt besteden. Of de helft ervan, als je, net als de postcodeloterij, iets aan je medemens wilt doneren. Maar ja, elke rook-, drank- en gok- verslaafde heeft een 'het-kan-toch-geen-kwaad-duiveltje' als eeuwige metgezel.
Als je dan net -via achtentwintig keer klikken- je lidmaatschap opzegt, komt er godbetert zo'n bijna-miljonair langs op je radio: "Oei, rond de jaarwisseling valt de hoofdprijs vast bij mij!" Verslavingshormonen worden opgestuwd tot ongekende hoogte -Wat is nu een tientje?-, het hemels orgasme is in zicht. Althans, de hoop op zo'n gelukzalige ontlading.
Hoop doet leven.
En gokken.
Bij de postcoderloterij begrijpenn ze tot slot de kracht van herhaling. Ze omzeilen met succes mijn NEE-sticker, verstoppen zich in kerstpakketen, zijn hinderlijk vaak aanwezig in reclameblokken en hebben het nu zelfs tot nieuws geschopt. Inclusief beteuterde allochtoon die nèt niet wint en lieve blondjes die natuurlijk wèl winnen. Sterk staaltje onafhankelijke journalistiek hoor.
Ik denk dat we in het jaar 2066 net zo terugkijken op deze infiltratie van gokspelen in de media al we nu verbolgen zijn over roken in de bioscoop in de jaren vijftig.
Wedden?
dinsdag 5 januari 2016
Frozen
Als je na het douchen je haar in een knoet draait, er een strakke muts overheen trekt en dan op vijf januari 2016 in Groningen de straat op gaat, ziet je haar er bij thuiskomst uit als dat van de hoofdpersoon uit bovengenoemde film.
Die film zag ik niet. Maar ik kan me voorstellen dat die lijkt op het Groningen van vandaag, maar dan met iets meer verhaallijn er in. Dat verhaal moet de lezer er vandaag zelf maar bij bedenken, van mij krijgt u alleen de plaatjes. Die ik op advies van mijn nicht uit Hoorn maakte. Met wie ik eigenlijk naar Amsterdam zou.
Haar tweede tip: 'Ga chocomel drinken in de stad', had ik ook best willen opvolgen, maar de grote vraag is hoe daar te komen. In de stad. Nu er geen bussen rijden en fietsen schier onmogelijk is.
Straatschaatsen is mijn enige uitweg. Dan maak ik een zelfbedachte tocht: 'De F-rozen route'. Langs de monsterfiets, kattensneeuw, spookpegels, een sleestalling, ijsknijpers, een frozen strawberry, verstopte en vergeten groente en niet te vergeten een ijsroos.

Sprookjes bestaan.
Die film zag ik niet. Maar ik kan me voorstellen dat die lijkt op het Groningen van vandaag, maar dan met iets meer verhaallijn er in. Dat verhaal moet de lezer er vandaag zelf maar bij bedenken, van mij krijgt u alleen de plaatjes. Die ik op advies van mijn nicht uit Hoorn maakte. Met wie ik eigenlijk naar Amsterdam zou.
Haar tweede tip: 'Ga chocomel drinken in de stad', had ik ook best willen opvolgen, maar de grote vraag is hoe daar te komen. In de stad. Nu er geen bussen rijden en fietsen schier onmogelijk is.
Straatschaatsen is mijn enige uitweg. Dan maak ik een zelfbedachte tocht: 'De F-rozen route'. Langs de monsterfiets, kattensneeuw, spookpegels, een sleestalling, ijsknijpers, een frozen strawberry, verstopte en vergeten groente en niet te vergeten een ijsroos.

Sprookjes bestaan.
zondag 3 januari 2016
Vieze potjes en loze praatjes
Het restje oliebollenbeslag krult als een sliert droge witte snotjes over de rand van de glazen kom. Ook de smurrie aan de mixer is hard geworden. Zelfs de frituurpan (zo'n heule gevaarlijke zwarte uit het jaar nul) staat al twee dagen onaangeroerd op het fornuis. Zo vervult niet alleen de aanblik van het aanrecht, maar ook de lucht die in mijn woonst hangt, mij met schaamte.
Ter compensatie, ook voor dit rare, kinderloze begin van 2016, gaat het huis overhoop. Niet dat ik het beslag ga afbikken. Nee, de afwas blijft onaangeroerd. Maar ik ga eindelijk regelen dat de jongens een eigen kamer krijgen. Daarmee mijzelf verbannend naar de woonkamer.
Er gaat een heus meubelcaroussel van start. Boeken, -van Maya Angelou tot Simone van der Vlugt- gaan tijdelijk in een bananendoos, andere dozen met aantekeningen van colleges over de Middeleeuwen, komen onder mijn bed vandaan. Koffers met onduidelijke inhoud gaan even in de broodkast. Fotolijstjes van mij, stralend naast mijn laatste lief, worden in de gang geparkeerd. Planken gaan van de muur. Massa's krantenknipsels, oude lampen, broeken die op reparatie wachten, terwijl de kinderen er al jaren zijn uitgegroeid, bonnen, haarklipjes, stukken surprises, lege jampotten......
Villa Kakelbont is er niks bij.
Als de bedden weer in elkaar zijn geschroefd, boeken weer in de kast staan en ook de restjes oliebol uit zicht zijn, is het tijd voor een logje. Een bóós logje dit keer. Niet op mezelf hoor. Ik heb me allang verzoend met mijn bewaarziekte. Waar ik nu wederom pijnlijk mee wordt geconfronteerd. Hoewel het iets anders is dan Claudia de Breij in 'de Teerling' zei: "Talloze afgewassen margarinekuipjes om schroefjes in te bewaren". Let wel, ze heeft het hier over grootouders die maar niet kunnen wennen aan de consumptiemaatschappij, en prijst daarentegen haar (en mijn) generatie omdat wij de economie draaiende houden.
Maar, lieve Claudia, van mij moet die economie het dus niet hebben. Want mijn matras is ouder dan ik zelf, de gordijnen zijn van mijn in 2001overleden tante Annie en al mijn schroefjes zitten niet in margarinekuipjes -ik eet boter-, maar zijn keurig verdeeld over bakjes van de wortels, Griekse yoghurt en appelstroopblikjes. Niks om echt boos van te worden (tenzij je aan mijn zijde zou leven). Nee, mijn woede richt zich op de schurken van de postcodeloterij.
Maar dat komt morgen wel.
Ter compensatie, ook voor dit rare, kinderloze begin van 2016, gaat het huis overhoop. Niet dat ik het beslag ga afbikken. Nee, de afwas blijft onaangeroerd. Maar ik ga eindelijk regelen dat de jongens een eigen kamer krijgen. Daarmee mijzelf verbannend naar de woonkamer.
Er gaat een heus meubelcaroussel van start. Boeken, -van Maya Angelou tot Simone van der Vlugt- gaan tijdelijk in een bananendoos, andere dozen met aantekeningen van colleges over de Middeleeuwen, komen onder mijn bed vandaan. Koffers met onduidelijke inhoud gaan even in de broodkast. Fotolijstjes van mij, stralend naast mijn laatste lief, worden in de gang geparkeerd. Planken gaan van de muur. Massa's krantenknipsels, oude lampen, broeken die op reparatie wachten, terwijl de kinderen er al jaren zijn uitgegroeid, bonnen, haarklipjes, stukken surprises, lege jampotten......
Villa Kakelbont is er niks bij.
Als de bedden weer in elkaar zijn geschroefd, boeken weer in de kast staan en ook de restjes oliebol uit zicht zijn, is het tijd voor een logje. Een bóós logje dit keer. Niet op mezelf hoor. Ik heb me allang verzoend met mijn bewaarziekte. Waar ik nu wederom pijnlijk mee wordt geconfronteerd. Hoewel het iets anders is dan Claudia de Breij in 'de Teerling' zei: "Talloze afgewassen margarinekuipjes om schroefjes in te bewaren". Let wel, ze heeft het hier over grootouders die maar niet kunnen wennen aan de consumptiemaatschappij, en prijst daarentegen haar (en mijn) generatie omdat wij de economie draaiende houden.
Maar, lieve Claudia, van mij moet die economie het dus niet hebben. Want mijn matras is ouder dan ik zelf, de gordijnen zijn van mijn in 2001overleden tante Annie en al mijn schroefjes zitten niet in margarinekuipjes -ik eet boter-, maar zijn keurig verdeeld over bakjes van de wortels, Griekse yoghurt en appelstroopblikjes. Niks om echt boos van te worden (tenzij je aan mijn zijde zou leven). Nee, mijn woede richt zich op de schurken van de postcodeloterij.
Maar dat komt morgen wel.
donderdag 31 december 2015
Gaplek

Er werd niet gefietst. Wel gespeeld. Het woordenboekspel om precies te zijn. Mocht je vanavond geen trek hebben om je te laten vermaken door Herman (of, volgend jaar, door Claudia), en je hebt een aantal vrienden of familieleden in huis, dan raad ik je dit spel van harte aan.
Bij 'Taalvoutjes' wordt beweerd dat je van dit spel 'ook nog iets opsteekt', maar dat geldt niet voor mij. Ik kan me althans niet meer herinneren wat bovenbenoemde gáplek, -of gap-lek- betekent. Of 'wieling' of 'topeng'. Dat laatste was in elk geval geen 'enge zolder'.
Wel onthield ik soms eigen bedachte betekenissen. Zoals 'versleten schoenzool'. Maar dat kwam vast door de associatie hiermee toen we dus níet fietsten, maar wel gingen wandelen. Vermomd als apen en leeuwen.
Met meisjes - die - niet - van - wandelen - houden. Níet dus.

Wat met zo'n gaplek onder je schoen wel voorstelbaar is. In het Holsteiner moeras. Waar Schotse hooglanders ons aandachtig bekeken van onder hun lange pony's. Of 'froufrous', zoals Lieve Joris dit in haar 'Groot dictee der Nederlandse taal' verwerkte. Het eind van de route liepen we zelfs langs de spoorlijn. Met z'n achten. Aangezien dat de enige plek was waar we niet tot onze knieën door het water hoefden. En het was niet eens Engeland. Waar hele dorpen onder water staan.
Gister reden we weer huiswaarts. Langs containers vol vluchtelingen, over het Noord-Oostzeekanaal, waar jaarlijks zo'n honderd-miljoen ton scheepslading doorheen gaat en langs de indrukwekkende haven van Hamburg.Buiten is het warm en ruikt het naar oorlog. Ik ga snel andijvie oogsten, voordat hij vol ligt met rotjes. En dan even naar de winkel, om wat gaplek te kopen. Voor vanavond, als borrelhapje: In plakjes gesneden gedroogde rauwe cassavewortel.
Prospero ano y felicidad para todos!
Labels:
Duitsland,
gaplek,
Hamburg,
kerst,
Lieve Joris,
oudjaar,
overstroming,
woordenboekpel
dinsdag 29 december 2015
Netjes in Scandinavië
Sommige fietsers
gaan van Rusland naar Finland. Na wat gedoe met papieren schrijven ze
Suomi dan als vijftiende land bij op een lijstje en slaan ze hun
tentje op aan het water bij zonsondergang. Ze lachen als ze de grens over zijn.
Andere mensen fietsen ook over de Russische grens westwaarts. Maar nemen om onduidelijke redenen een noordelijker route. Naar Noorwegen. Ook zij lachen, kijken over het water en slapen in tenten. Of onder een basketbalnetje. Zo schreef Brechtje Keulen twee maanden geleden in De Groene over mensen die via Damascus, Beiroet en Moermansk naar Scandinavië gaan. Waarvan de laatste kilometers per fiets. Omdat er een wet is die zegt dat men alleen op wielen over de grens mag.
Vanuit Fjellhallen worden de mannen en vrouwen, die een paar dagen in een sporthal leefden, naar een andere plek in Noord-Noorwegen gebracht. Ze kijken vanachter de ramen van touringcars naar buiten, kauwend op een lunch van boterhammen en bananen.
De Noordroute
‘We slapen onder een basketbalnetje’
Op zoek naar een veilige vluchtroute hebben vluchtelingen de grensovergang tussen Noorwegen en Rusland ontdekt. Ver boven de poolcirkel komen ze op de fiets de Schengenzone binnen.
door Brechtje Keulen
Adnan zit met zijn 1 meter 65 op een kinderfietsje. Alaa heeft een normale fiets met een gebroken achterwiel. Van de groep van vijftien vluchtelingen die achter elkaar aan naar de grens fietsen, komen zij als laatsten aan. Het is een maandag in oktober, ver boven de poolcirkel. Het is drie graden boven nul. Als Alaa en Adnan zich realiseren dat ze Rusland achter zich hebben gelaten, kunnen ze alleen nog maar lachen. ‘We zijn er’, zeggen ze tegen elkaar. ‘We zijn in Noorwegen!’
De Syriërs Alaa en Adnan komen via de Arctische route; een vluchtroute naar de Schengenzone die vluchtelingen de afgelopen maanden steeds vaker weten te vinden. In het noordelijkste puntje van Europa, waar Noorwegen zich om Zweden en Finland heen krult, vroegen in heel 2014 zeven mensen asiel aan. De afgelopen weken arriveren er tussen de vijftig en honderd asielzoekers per dag. Drie op de vier komen uit Syrië. Op de maandag dat Alaa en Adnan de grens over fietsen, wordt een recordaantal van 111 asielaanvragen gedaan. Omdat in de Russische wet is opgenomen dat de grens alleen op wielen mag worden overgestoken, leggen vluchtelingen het laatste stuk van de route op de fiets af.
Aan de Noorse kant van de grens staat Stein Kristian Hansen van de Noorse grenspolitie -tussen honderden afgedankte fietsen. Vouwfietsen, racefietsen, peuterfietsjes, modellen die zeker dertig jaar oud zijn, en gloednieuwe exemplaren- die nog gedeeltelijk in het plastic zitten, staan naast het mosterdgele gebouw van de Noorse douane. Een deel van de fietsen ligt al in een grote blauwe container om te worden vernietigd.- Waar de Russische wet eist dat mensen op -wielen de grens oversteken, bepaalt de Noorse wet dat fietsen onder andere een framenummer en meer dan één rem moeten hebben. De meeste tweewielers die vluchtelingen gebruiken – vaak inbegrepen bij de taxirit naar de grens – voldoen daar niet aan en mogen hier dus de weg niet op.
‘Ze worden ook niet gebruikt voor lange afstanden’, zegt Hansen, die zijn blik over de verzameling fietsen laat gaan. ‘Mensen die hier asiel aanvragen, hebben niet eerst half Rusland door gefietst. Zeventig meter voor de grens stappen ze uit een auto. Ze zetten hun koffer achter op de fiets en dan fietsen ze die laatste meters, tot ze in Noorwegen zijn.’ Meerijden met een auto kan niet, omdat de chauffeur dan van -mensensmokkel wordt verdacht.
Storskog is de enige grensovergang tussen Rusland en Noorwegen. Hemelsbreed ligt de regio tweeduizend kilometer van de Noorse hoofdstad Oslo; vanaf Damascus, waar de meeste Syrische vluchtelingen vertrekken, is de reis zo’n zesduizend kilometer. In het zuiden wordt het gebied begrensd door Finland, in het noorden door de Barentszee. Zes maanden per jaar ligt het land onder een dik pak sneeuw. Tussen half november en half januari komt de zon hier niet boven de horizon uit. Temperaturen ver onder het vriespunt zijn normaal.
Ook nu, op een dinsdagochtend half oktober, is het ijzig koud. Een miezerbui tikt op het doek van de drie oranje noodtenten die rondom de grenspost zijn opgezet om alle asielzoekers ten minste overdekt te kunnen ontvangen. Binnen heeft de Syrische Ibrahim (27) zijn paspoort laten controleren en zijn vingerafdrukken afgegeven. Hij wacht nu tot hij naar het nabijgelegen plaatsje Kirkenes wordt gebracht, waar iedereen die hier asiel aanvraagt de eerste dagen in Noorwegen doorbrengt. Ibrahim loopt naar de oever van het meer naast de grenspost en staart naar de overkant van het water. De bergen aan die kant zijn Russisch. Tussen de bomen door is de Russische grenspost te zien. Met zijn vuisten gebald kijkt hij voor zich uit. Hij schudt mistroostig zijn hoofd. ‘Ik haat Rusland’, foetert hij. ‘Ik haat IS. En ik haat Obama ook. Ons land is kapot. Mijn kind is pas een jaar oud.’
Ibrahims vriend Thoman (24) komt de tent uit en steekt een sigaret op. ‘Ik had op Facebook over deze route gelezen’, zegt hij. De Noorse grenspolitie hoort dat vaker, en is er huiverig voor. Als deze vluchtroute bekender wordt, zullen steeds meer mensen ervoor kiezen. Zeker omdat hij relatief gemakkelijk is. ‘We hebben een toeristenvisum voor Rusland aangevraagd’, legt Thoman uit. ‘We moesten twee maanden wachten tot we het kregen, en daarna zijn we meteen vertrokken. Met het vliegtuig van Damascus naar Moskou, en de dag daarna van Moskou naar Moermansk. Daar hebben we een taxi genomen naar de grens, en het laatste stuk gefietst.’
Thoman haalt zijn portemonnee uit zijn broekzak. Hij pakt er twee bidprentjes uit die hij nog heeft meegenomen uit zijn woonplaats, in de buurt van de Syrische stad Homs. ‘Het was een prachtig dorp. We hadden vijf heel mooie kerken, maar IS heeft alles daar kapotgemaakt. Overal om ons heen werd gevochten.’ Hij draait zich om, kijkt naar de slagboom die nu de weg terug naar Rusland afsluit. ‘Wij zoeken een rustig leven. We zijn gewone mensen. We willen ergens wonen waar we vrienden kunnen maken en waar we het leuk kunnen hebben.’ Hij kijkt om zich heen. ‘Ik volgde een opleiding tot ingenieur. Denk je dat ik hier mijn studie kan afmaken?’
Een paar dagen later staan Alaa (23) en Adnan (29) voor de noodopvanglocatie in Kirkenes. De twee vrienden zijn nu drie dagen in Noorwegen en gaan er dagelijks op uit voor een wandeling. Alaa trekt de rits van zijn beige zomerjas tot aan zijn kin dicht. Adnan zet zwarte oorwarmers op. Ze zien er moe maar goed verzorgd uit en ze zijn opgewekt. Als ze iemand voorbij zien komen, groeten ze opgewekt ‘hei!’. ‘We willen dat mensen ons aardig vinden. Daarom willen we snel Noors leren.’
‘Ik ga even vragen of we het dorp in mogen lopen’, zegt Adnan, die in Syrië in het vierde jaar van de opleiding tandheelkunde zat. ‘Ik weet niet wat ze vandaag met ons van plan zijn.’ Hij loopt naar een klein bakstenen gebouw waar in witte letters Fjellhallen op staat. De bruine deur leidt naar een grote ruimte die tijdens de Tweede Wereldoorlog – toen Kirkenes zwaar getroffen werd in de strijd om een ijsvrije haven tussen de Sovjet-Unie en nazi-Duitsland – als schuilkelder werd uitgehakt in een berg. De afgelopen jaren hebben plaatselijke sportclubs de schuilkelder als sporthal gebruikt, en nu staan hier 150 stapelbedden voor asielzoekers. ‘We slapen onder een basketbalnetje’, lacht Alaa. Hij is vierdejaars student bedrijfseconomie en hij werkte in Syrië bij een bedrijf dat trouwkaarten maakt. Adnan komt terug en zegt: ‘Het is in orde. Als we het dorp maar niet verlaten.’
Terwijl Alaa en Adnan met ferme pas door de straten van Kirkenes richting de haven lopen, vertellen ze over hun reis. ‘Een vriend van ons is eerst gegaan. Toen wij hoorden dat hij was aangekomen en dat het een veilige weg was, zijn wij ook vertrokken’, vertelt Alaa. Vanuit de kustplaats Latakia reisden de twee eerst naar Damascus, en toen met het vliegtuig via Beiroet en SintPetersburg naar Moermansk. Bij het vliegveld in die laatste stad stond een taxi voor hen klaar, met het kinderfietsje en het oude barrel in de achterbak.


Ook ik fietste met Kerst richting Scandinavië. Op een
fiets die het midden hield tussen die van de eerstgenoemde profs en
die van de Noorse Syriërs. We verloren een trapper. In het
gelovige Holstein was niet één kroeg open voor een bakje koffie.
Met zicht op Denemarken raceten we de berg af richting Oostzee. Waar een eenzame surfer over de schuimkoppen zoefde.
Ik was er zelf nooit, in Scandinavië. Mijn zoons wel. De jongste zetten we gister zelfs op de bus richting Jutland. Waar hij nu onder een schoolbord slaapt. En ballen gooit in een netje. Samen met honderdvijftig andere sporters uit de hele wereld.
In het Duitse Flensburg, waar dertig procent van de inwoners Deens is, at ik vandaag Thuringer Bratwurst met mijn Berlijnse nichtjes en twee andere zoons. Waarvan de oudste gister dan weer úit de bus stapte die richting Denemarken reed.
In het Duitse Flensburg, waar dertig procent van de inwoners Deens is, at ik vandaag Thuringer Bratwurst met mijn Berlijnse nichtjes en twee andere zoons. Waarvan de oudste gister dan weer úit de bus stapte die richting Denemarken reed.
Naar café Syria zijn we niet geweest. Morgen gaan we wel weer fietsen.
Waarheen weet ik nog niet.
![]() |

zondag 13 december 2015
Zaterdags genot in Groningen
De hakken van mijn hoge laarzen klinken hard op de natte kasseien van de Vismarkt.
Of is kasseien teveel een importwoord. Nou, 'Kinderhoofdjes' dan.
Mijn moeder houdt vast niet van deze laarzen.
Teveel Zwart. Te veel leger.
Te veel oorlog.
Maar ik voel me er jong bij.
Ik glimlach, het is druk. Mensen schuilen. Anderen schreeuwen.
"Vier mango's voor één euróó"
"Twee bloemkolen één euró"
De zaterdaghulp graaft vijftig cent uit een krat appels.
Brie en brokkelkaas.
In mijn eerste stopweek mag ik lief zijn voor mezelf.
Aubergine, venkel en snijbonen.
In mijn hoofd zie ik slechts paffende roze olifantjes.
Arabisch brood, cucuk worst, gebrande nootjes.
Mensen verstoppen zich in capuchons.
De honing- en stroopwafelkraam zijn al bijna klaar.
Ook de kousenman wurmt de laatste natte losse benen in zijn kar.
Met volle tassen ren ik over de Grote Markt naar de halte.
De Martinitoren slaat kwart voor vijf. In de bus is wifi.
Vrouwen achter me praten over verzekeringen.
Ik lees dat mijn vriendinnetje vanavond meegaat.
Samen zijn we honderd jaar.
Straks gaan we op de fiets
In regenpakken.
Uit.
Ik dans achter de pannen.
God wat voel ik me jong.
Of is kasseien teveel een importwoord. Nou, 'Kinderhoofdjes' dan.
Mijn moeder houdt vast niet van deze laarzen.
Teveel Zwart. Te veel leger.
Te veel oorlog.
Maar ik voel me er jong bij.
Ik glimlach, het is druk. Mensen schuilen. Anderen schreeuwen.
"Vier mango's voor één euróó"
"Twee bloemkolen één euró"
De zaterdaghulp graaft vijftig cent uit een krat appels.
Brie en brokkelkaas.
In mijn eerste stopweek mag ik lief zijn voor mezelf.
Aubergine, venkel en snijbonen.
In mijn hoofd zie ik slechts paffende roze olifantjes.
Arabisch brood, cucuk worst, gebrande nootjes.
Mensen verstoppen zich in capuchons.
De honing- en stroopwafelkraam zijn al bijna klaar.
Ook de kousenman wurmt de laatste natte losse benen in zijn kar.
Met volle tassen ren ik over de Grote Markt naar de halte.
De Martinitoren slaat kwart voor vijf. In de bus is wifi.
Vrouwen achter me praten over verzekeringen.
Ik lees dat mijn vriendinnetje vanavond meegaat.
Samen zijn we honderd jaar.
Straks gaan we op de fiets
In regenpakken.
Uit.
Ik dans achter de pannen.
God wat voel ik me jong.
vrijdag 11 december 2015
Sint en Socrates
Wat gebeurt er in de luchtledige tijd ná Sinterklaas en vóór Kerst?
Er moet dan kerst gevierd op school, want als het ècht Kerst is, zijn de kinderen vrij. Marsepein en chocoladeletters mogen niet meer, net als pepernoten. En 'Zwarte Piet moet blijven', maar ook weer niet te lang. Hij mag in de schoorsteen en op het dak. Hij mag vooral niet hangen in een boom met lichtjes.
Gewoontes, rituelen, tradities. Zo kunnen we ons fijn richten op de ander. Wat die allemaal niet goed doet. Omdat onze waarheid heilig is.
Daar heeft de dood allemaal geen boodschap aan. Die komt gewoon als het haar uitkomt. Of niet uitkomt. Maar komt wel. En dan word je, tussen Sint en Kerst, gebeld met de vraag wat je adres is.
'Kerstkaartje', dacht ik toen eerst. Leuk, zo'n uitstervende traditie (waar heb je in deze niemandstijd anders een adres voor nodig?)
Maar het ging om een rouwkaart.
..........
Vanmiddag zijn er geen pepernoten of kerstkransjes.
Wel stroopwafels en chocolaatjes.
Want daar hield de man zo van.
Ook van Socrates, zo vertelde zijn dochter.
Die er bij is. Als het lichaam van haar vader straks tot as vergaat.
Tussen Sint en Kerst.
"To fear death, is nothing else but to believe ourselves to be wise, when we are not; and to fancy that we know what we do not know. In effect, no body knows death; no body can tell, but it may be the greatest benefit of mankind; and yet men are afraid of it, as if they knew certainly that it were the greatest of evils."
The reason is that a man, having to deal with other men, has no knowledge of them; for if he had knowledge he would have known the true state of the case, that few are the good and few the evil, and that the great majority are in the interval between them.
bron
Er moet dan kerst gevierd op school, want als het ècht Kerst is, zijn de kinderen vrij. Marsepein en chocoladeletters mogen niet meer, net als pepernoten. En 'Zwarte Piet moet blijven', maar ook weer niet te lang. Hij mag in de schoorsteen en op het dak. Hij mag vooral niet hangen in een boom met lichtjes.
Gewoontes, rituelen, tradities. Zo kunnen we ons fijn richten op de ander. Wat die allemaal niet goed doet. Omdat onze waarheid heilig is.
Daar heeft de dood allemaal geen boodschap aan. Die komt gewoon als het haar uitkomt. Of niet uitkomt. Maar komt wel. En dan word je, tussen Sint en Kerst, gebeld met de vraag wat je adres is.
'Kerstkaartje', dacht ik toen eerst. Leuk, zo'n uitstervende traditie (waar heb je in deze niemandstijd anders een adres voor nodig?)
Maar het ging om een rouwkaart.
..........
Vanmiddag zijn er geen pepernoten of kerstkransjes.
Wel stroopwafels en chocolaatjes.
Want daar hield de man zo van.
Ook van Socrates, zo vertelde zijn dochter.
Die er bij is. Als het lichaam van haar vader straks tot as vergaat.
Tussen Sint en Kerst.
"To fear death, is nothing else but to believe ourselves to be wise, when we are not; and to fancy that we know what we do not know. In effect, no body knows death; no body can tell, but it may be the greatest benefit of mankind; and yet men are afraid of it, as if they knew certainly that it were the greatest of evils."
The reason is that a man, having to deal with other men, has no knowledge of them; for if he had knowledge he would have known the true state of the case, that few are the good and few the evil, and that the great majority are in the interval between them.
bron
Labels:
dood,
kerst,
sinterklaas,
socrates,
tradities,
zwarte piet
maandag 30 november 2015
Opgeknoopte mannen en ijsjes in Iran
In 2008 maakte ik een reis naar Iran. Samen met mijn vriendin Zohra. Naar haar familie. Dit is een tweede selectie van mijn (niet eerder gepubliceerde) reisverslag. Aanleiding was deze tweet.
Veel leesplezier.
Persvrijheid
We gaan naar een museum over de politieke bewegingen van een eeuw
geleden. Gevestigd in één van de oudste gebouwen van Tabriz. Op de
toegangsdeur van verweerd hout hangen twee kloppers, één voor mannen en
één voor vrouwen. Hun ‘klop’ klinkt verschillend. Een soort voorloper
van de intercom met camera. Achter de deur ligt een binnentuin vol
bloemen. Twee manshoge beelden van besnorde militairen flankeren de
ingang van het achterhuis. Zohra poseert stralend naast deze gouden
helden.
Het pand zelf is rijk versierd met houtsnijwerk, glas in lood en er
zitten zelf minutieuze inkervingen in het raambeslag. Aan de muur en in
de vitrines liggen foto's en artikelen over de
constitutionele beweging en de opkomst van de vrije pers. Bovenaan de
trap hangt een zwart-wit foto van opgeknoopte mannen. Zohra wendt
geschrokken haar hoofd af en gaat buiten wachten. Een paar weken nadat
ik door dit museum slenter, staat er een vergelijkbare foto in een
westerse krant, ook genomen in Iran, ook met mannen aan een galg. Alleen
hangt de strop honderd jaar later aan een hijskraan.
In 2008 vindt in Iran een record aantal executies door ophanging plaats.
Als twee ware kunstkenners schrijden Emad en ik door het museum. De tentoonstelling bestrijkt de halve eeuw tussen ongeveer 1880 tot 1930, toen fotografie wel al bestond maar schilderen nog niet passé was. De geschilderde taferelen tonen heldhaftige mannen met opgeheven blik. De foto's echter, laten jonge soldatenjochies zien, die overal liever lijken te zijn dan aan de vooravond van een door anderen uitgedachte oorlog. Ze kijken bangig in de camera.
Bij de
vitrines over vrouwenrechten, hangt een foto van ene Zeynab. Gehurkt,
met andere ongesluierde vrouwen naast zich. Er naast staan tabellen met oplages.
Wellicht van de Iraanse Opzij uit 1920? Haar litteken ontbreekt niet op haar
bronzen torso. Ze kijkt vastberaden naar de bezoeker. Naar mij. Andere
bezoekers zijn er niet.

Halverwege wordt het plotseling donker. Een suppoost haalt schuldbewust haar schouders op. Of, en wanneer er weer stroom is, weet niemand. Er is hier is geen gaslamp of generator. Ik raffel mijn bezoek aan de expositie af, maak foto's van foto's en onderschriften. Daar doet niemand moeilijk over.
Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat de roep om meer vrijheid en democratie er vanuit het volk zelf wel degelijk is geweest. Dat er ook heldhaftige pogingen waren om deze te bewerkstelligen, maar dat het vaak invloeden van buitenaf waren die hier een stokje voor staken. Rusland, Amerika maar ook het ‘vrije’ Europa waren er niet vies van om in te grijpen in de voorbije eeuw. Met als inzet de strijd om het zwarte goud. Acht jaar geleden erkende Amerika openlijk, na bijna een halve eeuw, een rol te hebben gespeeld bij het afzetten van Iran’s eerste democratisch gekozen president, Mossadeq.
Maar ach, een jaar erna, op 'nine-eleven' werd Amerika zelf aangevallen uit ‘diezelfde hoek’. Korte tijd later viel de VS naast Afghanistan, ook Irak binnen. Voor Iran wellicht een geschenk uit de hemel. Hoewel ze zelf door de VS werden geschaard onder ‘de As van het kwaad’, werd hun vijand Irak nu verzwakt door die andere vijand. Iran kon haar eigen wapentuig laten rusten.
Ijs en universiteit
We
toeren verder door de stad. Zohra wijst enthousiast haar oude huis,
kapsalon en bibliotheek aan. Emad toont ons de plek waar een Iraakse bom
vijfentwintig jaar geleden een vleugel van zijn universiteit
vernielde.
We halen een ijsje. Dat smaakt, net als de koekjes hier, zeer chemisch. Ik wijt dit aan mijn smaakpapillen. Die zijn gewend aan de door de EU goedgekeurde geur- en smaakstoffen maar nog niet getraind in de registers van de Perzische smaakversterkers.

‘s Avonds, na het eten, gaan we opnieuw naar Shahgoli*. Emad is weer onze gids en we nemen ook zijn jongere oom mee. Tot mijn grote verbazing is het op dit late uur razend druk op de weg, maar bovenal ook làngs de straten. In alle bermen en zelfs op rotondes zitten mensen in kleermakerszit. Met tentjes. Met kinderen. Een baby leert haar eerste stapjes. Een paar mannen kijkt vertederd toe. Sofres** vol eten, kinderen op schouders, skeeleraars met helmen op. Er wordt thee geleut en gebarbecued. Men lijkt in de berm te wónen. Midden in de nacht zitten honderden, nee duizenden mensen buiten, overal in de gemeenteperken.
Emad durft met me te praten, maar Milad durft zelfs met mij te pronken. Na de scheursessie -Zohra: 'Hij is veel rustiger gaan rijden na het ongeluk'- wandelen we naast elkaar langs de hofvijver. Milad praat hard. En veel. Hij loopt zó dicht naast me dat ik, al uitwijkend, dreig over de hekjes van het bloemperk te vallen.
Gelukkig wordt er voorgesteld te gaan waterfietsen. Even later trappen we, gierend van het lachen, over het zwarte water. Geen van de familieleden lijkt het oog van de zedenpolitie te vrezen. We trekken onze sokken uit. Ontbloten onze kuiten. En krijgen natte voeten.
De heren laten ons trappen. Hebben reuze lol. Zohra hapt naar adem om alles te kunnen vertalen. Tranen biggelen over haar wangen. Ze stráált naast haar neef en broertje. Ze is gelukkig in dit land. Er gaan wonen doet ze niet. Haar vrijheid is haar te lief. Om één uur 's nachts komen we doodmoe thuis. Zohra en Milad kletsen nog lang na. Ik val als een blok in slaap.
* Sofre: kleed op de grond waaraan wordt gegeten.
** Shahgoli: 'Tuin van de Sjah'. Officieel 'Elgoli' geheten: 'van het volk'. Vijver met promenade in Tabriz, Noord-West Iran, waar de hele dag wordt gewandeld, gesport en geflirt.
Veel leesplezier.
Persvrijheid
We gaan naar een museum over de politieke bewegingen van een eeuw
geleden. Gevestigd in één van de oudste gebouwen van Tabriz. Op de
toegangsdeur van verweerd hout hangen twee kloppers, één voor mannen en
één voor vrouwen. Hun ‘klop’ klinkt verschillend. Een soort voorloper
van de intercom met camera. Achter de deur ligt een binnentuin vol
bloemen. Twee manshoge beelden van besnorde militairen flankeren de
ingang van het achterhuis. Zohra poseert stralend naast deze gouden
helden.
Het pand zelf is rijk versierd met houtsnijwerk, glas in lood en er
zitten zelf minutieuze inkervingen in het raambeslag. Aan de muur en in
de vitrines liggen foto's en artikelen over de
constitutionele beweging en de opkomst van de vrije pers. Bovenaan de
trap hangt een zwart-wit foto van opgeknoopte mannen. Zohra wendt
geschrokken haar hoofd af en gaat buiten wachten. Een paar weken nadat
ik door dit museum slenter, staat er een vergelijkbare foto in een
westerse krant, ook genomen in Iran, ook met mannen aan een galg. Alleen
hangt de strop honderd jaar later aan een hijskraan.In 2008 vindt in Iran een record aantal executies door ophanging plaats.
Als twee ware kunstkenners schrijden Emad en ik door het museum. De tentoonstelling bestrijkt de halve eeuw tussen ongeveer 1880 tot 1930, toen fotografie wel al bestond maar schilderen nog niet passé was. De geschilderde taferelen tonen heldhaftige mannen met opgeheven blik. De foto's echter, laten jonge soldatenjochies zien, die overal liever lijken te zijn dan aan de vooravond van een door anderen uitgedachte oorlog. Ze kijken bangig in de camera.
Bij de
vitrines over vrouwenrechten, hangt een foto van ene Zeynab. Gehurkt,
met andere ongesluierde vrouwen naast zich. Er naast staan tabellen met oplages.
Wellicht van de Iraanse Opzij uit 1920? Haar litteken ontbreekt niet op haar
bronzen torso. Ze kijkt vastberaden naar de bezoeker. Naar mij. Andere
bezoekers zijn er niet. 
Halverwege wordt het plotseling donker. Een suppoost haalt schuldbewust haar schouders op. Of, en wanneer er weer stroom is, weet niemand. Er is hier is geen gaslamp of generator. Ik raffel mijn bezoek aan de expositie af, maak foto's van foto's en onderschriften. Daar doet niemand moeilijk over.
Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat de roep om meer vrijheid en democratie er vanuit het volk zelf wel degelijk is geweest. Dat er ook heldhaftige pogingen waren om deze te bewerkstelligen, maar dat het vaak invloeden van buitenaf waren die hier een stokje voor staken. Rusland, Amerika maar ook het ‘vrije’ Europa waren er niet vies van om in te grijpen in de voorbije eeuw. Met als inzet de strijd om het zwarte goud. Acht jaar geleden erkende Amerika openlijk, na bijna een halve eeuw, een rol te hebben gespeeld bij het afzetten van Iran’s eerste democratisch gekozen president, Mossadeq.
Maar ach, een jaar erna, op 'nine-eleven' werd Amerika zelf aangevallen uit ‘diezelfde hoek’. Korte tijd later viel de VS naast Afghanistan, ook Irak binnen. Voor Iran wellicht een geschenk uit de hemel. Hoewel ze zelf door de VS werden geschaard onder ‘de As van het kwaad’, werd hun vijand Irak nu verzwakt door die andere vijand. Iran kon haar eigen wapentuig laten rusten.
Ijs en universiteit
We
toeren verder door de stad. Zohra wijst enthousiast haar oude huis,
kapsalon en bibliotheek aan. Emad toont ons de plek waar een Iraakse bom
vijfentwintig jaar geleden een vleugel van zijn universiteit
vernielde.We halen een ijsje. Dat smaakt, net als de koekjes hier, zeer chemisch. Ik wijt dit aan mijn smaakpapillen. Die zijn gewend aan de door de EU goedgekeurde geur- en smaakstoffen maar nog niet getraind in de registers van de Perzische smaakversterkers.

‘s Avonds, na het eten, gaan we opnieuw naar Shahgoli*. Emad is weer onze gids en we nemen ook zijn jongere oom mee. Tot mijn grote verbazing is het op dit late uur razend druk op de weg, maar bovenal ook làngs de straten. In alle bermen en zelfs op rotondes zitten mensen in kleermakerszit. Met tentjes. Met kinderen. Een baby leert haar eerste stapjes. Een paar mannen kijkt vertederd toe. Sofres** vol eten, kinderen op schouders, skeeleraars met helmen op. Er wordt thee geleut en gebarbecued. Men lijkt in de berm te wónen. Midden in de nacht zitten honderden, nee duizenden mensen buiten, overal in de gemeenteperken.
Emad durft met me te praten, maar Milad durft zelfs met mij te pronken. Na de scheursessie -Zohra: 'Hij is veel rustiger gaan rijden na het ongeluk'- wandelen we naast elkaar langs de hofvijver. Milad praat hard. En veel. Hij loopt zó dicht naast me dat ik, al uitwijkend, dreig over de hekjes van het bloemperk te vallen.
Gelukkig wordt er voorgesteld te gaan waterfietsen. Even later trappen we, gierend van het lachen, over het zwarte water. Geen van de familieleden lijkt het oog van de zedenpolitie te vrezen. We trekken onze sokken uit. Ontbloten onze kuiten. En krijgen natte voeten.
De heren laten ons trappen. Hebben reuze lol. Zohra hapt naar adem om alles te kunnen vertalen. Tranen biggelen over haar wangen. Ze stráált naast haar neef en broertje. Ze is gelukkig in dit land. Er gaan wonen doet ze niet. Haar vrijheid is haar te lief. Om één uur 's nachts komen we doodmoe thuis. Zohra en Milad kletsen nog lang na. Ik val als een blok in slaap.
* Sofre: kleed op de grond waaraan wordt gegeten.
** Shahgoli: 'Tuin van de Sjah'. Officieel 'Elgoli' geheten: 'van het volk'. Vijver met promenade in Tabriz, Noord-West Iran, waar de hele dag wordt gewandeld, gesport en geflirt.
zondag 29 november 2015
Plastic soep van IS
Wat eten we vanavond?
Plastic soep!
Een heerlijke plastic fruitsalade natuurlijk.
Je zou bijna denken dat de olie waar IS de heilige oorlog mee voert, zo goedkoop op de wereldmarkt komt, dat we van gekkigheid niet meer weten wat we er mee moeten.
Intussen laten we ons fijn inpakken met krachtige oorlogstaal.
Net als die rare vogels die met plastic soep hun honger stillen.
Met 5 december voor de deur heeft het ook wel weer wat fijns.
Al dat uitpakken.
Labels:
eten,
IS,
milieu,
olie,
plastic soep,
sinterklaas,
vogels,
winkel,
winkelen
Abonneren op:
Posts (Atom)





























