zondag 26 april 2015

Over de flex en het gebed

Woensdagmiddag zat ik op mijn knieën op een trap. Met de haakse slijper. Buiten. Er drentelden wat mensen in de buurt. Een paar rokers, een vrouw die twee keukenmedewerkers een uitbrander gaf, mensen die kennelijk bij het hotel hoorden waar ik een traptrede vergrootte. Want de bovenste tree naar het net verbouwde souterrain was zo krap dat bezoekers er dreigden naar beneden te kukelen. "Wanneer kan ik de nieuwe gasten inchecken?" vroeg de balieman aan de uitbater. "Nu", luidde het antwoord.

Ik schoof mijn gereedschap aan de kant, goot het gietertje water, dat klaarstond om de slijpschijf te koelen over de bestofte treden en nodigde de gasten breed lachend uit. Hun maagdelijk witte schoentjes zetten ze voorzichtig op de droge straatklinkers die ik had neergelegd zodat ze geen drek mee naar binnen zouden lopen. In mijn beste Engels zei ik hen ook dat, als ze weer naar buiten wilden, even op het raam moesten kloppen, of zwaaien. Ik kon ze namelijk niet horen, en wees op mijn gehoorbescherming. Volgens de balieman zou dat niet nodig zijn. De gasten wilden, na hun reis uit Saoedi-Arabië, vast vooral slapen.

Saoedi-Arabië.
Juistja.
Gniffelend zette ik mijn werk voort. Die arme jongens uit het land van Mekka en Medina, waar vrouwen niet bekwaam of sterk of weerbaar genoeg worden geacht om zonder begeleiding auto te rijden, moesten zich nu langs een bezwete stratenmaakster wurmen. En straks, als ze hun keurige appartement wilden verlaten, moesten ze eerst wenken naar een bestoft bouwvakkersdecolleté.

Klop klop klop, "Excuse me, could you tell me where the North is?"
Met een blik op de grijze hemel haalde ik mijn schouders op. Die inmiddels ook al aardig grijs waren. De hotelbaas bracht opheldering en legde zijn I-phone op een van de terrastafeltjes. Prachtig digitaal kompas. Ik excuseerde me voor de herrie, zei dat het niet erg lang meer duurde. "No no, it's no problem, we have to pray five times a day". En zo verdween de mooie Arabier weer langs de dame in zijn souterrain.

dinsdag 14 april 2015

Een ultrakorte relatie

'Lokaal van leraar X vol wierook gezet.'
'De geraniums van Y uit het raam gegooid.'
'De deuropener gesaboteerd zodat je bij te laat komen toch naar binnen kon.' 

Drie willekeurige teksten op de biechtmuur in het 'sentimentlokaal'. Veel losse foto's en enkele albums liggen er verspreid op tafels. Deze zaterdag werd het vijfenzestigjarig bestaan van mijn middelbare school gevierd. De biecht 'laxeermiddel in koffie van leraar' komt zo vaak voorbij, dat het hele personeelsbestand aan de schijterij moet zijn geweest. Maar misschien waren het slechts enkelen die het moesten ontgelden. Of is het grootspraak. Net als 'Geblowd/ gedronken in de klas (met leraren)' of 'Seks gehad in de invalidentoilet'. Eén bekentenis geloof ik echter direct. 'Ik heb een ultra korte relatie gehad met leraar X.' De leraar in kwestie wordt met voor- en achternaam genoemd. Ook de ondertekenaar is niet anoniem.

Het maakt de tongen los van een paar meisjes, pardon, vrouwen, die er omheen staan. Ze hebben soortgelijke ervaringen. Met deze leraar. En met een andere. 'Kijk, daar heb je de viezerik' vang ik op, terwijl ze een foto uit de stapel pakken. 'Ja man, die is nog met ons op kamp geweest. En toen ging dat de hele avond door, ging hij alle tentjes af.' Ik begrijp dat één van de leraren met de stille trom van school vertrok. Waarom is mij niet duidelijk.

Een schoolgenootje van me vertelt dat de docent van de 'ultrakorte relatie' graag haar voeten masseerde. Het bleef niet bij haar voeten. Later, in de kantine, praat ik lange tijd met een jongen waar ik vroeger mee op het toneel stond. Een toneelstuk dat, zoals elk jaar, werd geschreven en geregisseerd door de voetenmasseur. In een pauzemoment van één van de repetities zoende hij ook mij. Niet in het invalidentoilet of op zijn kamer, maar op de gang. Het was nat en openbaar en toch in het donker. Maar dat bedenk ik me nu pas.

Een oud-schoolgenoot, die net als ik de school ooit zonder diploma verliet, geeft er nu zelf les. De 'biecht' verbaast haar niet. De masseur-regisseur-ultrakorterelatie-docent had ook haar geprobeerd te zoenen. Het klasgenootje met wie ik hierna praat heeft tijdens het zeilkamp -hij kon wel in het bed boven haar- dezelfde leraar van zich weggeduwd. En ze vertelt meer. Ik vraag me hardop af waarom zij, of iemand anders er toen niks over zei naar anderen. 'Ach', antwoordt ze, 'hij had toch openlijk een relatie met G.? Kennelijk was het gewoon'. Andere tijden.

Wat ik zelf ervoer toen deze leraar me zoende? Of ik het fijn of vies vond? Of ik er bang of opgewonden van werd? Ik weet het me niet te herinneren. Hij was mentor van de klas van mijn zus, en later van mij. Hij ging mee op kamp en kwam ook in mijn ouderlijk huis over de vloer bij het klassenfeest. Als prille brugpieper volgde ik bij hem lessen drama.

Mijn middelbare schooltijd was voor mij een verademing. Ik werd niet meer gepest. Ik kon eindelijk mezelf zijn. Iedereen mocht er zichzelf zijn. Misschien gold dat ook voor leraren. Of dachten sommigen dat 'zoenen' of 'lichamelijke verkenning' tot de algemene ontwikkeling behoorde. En vonden jonge docenten dat een meisje beter met een ervaren man kon oefenen dan met een nerveuze, pukkelige puber.

Anno 2015 is het dokter Corrie die ons op de buis vertelt hoe je zoiets aanpakt. Haar gastzoener, pardon, -spreker, Alexander Pechtold legt uit dat je dames best het initiatief mag laten nemen. Helaas zijn de video's hiervan online niet meer beschikbaar. Het protest van ouders tegen haar seksuele voorlichting op tv is nu groter dan anno 1985 tegen docenten die 'praktijkonderwijs' bedreven. Zou het meisje dat Pechtold als puber zoende eerst met een ouderling op school of in de kerk hebben geoefend? Of hij zelf?

Deze week schreef Theodoor Holman dat op zijn middelbare school bijna ALLE leraren onder de 35 een geheime verhouding hadden met een leerling. En dat hij daar wel eens jaloers op was. De column laat in het midden of Holman die jaloezie als brugpieper of docent ervoer. Andersom denk ik nu dat er op mijn school bijna geen meisjes waren bij wie de voetenmasseur-regisseur het niet probeerde.

Hij schrijft nu boeken en vertelt op de radio. Onder andere over hoe gebeurtenissen uit je jeugd kunnen doorwerken in je verdere leven. Op de reünie heb ik hem niet gezien.

Ben benieuwd wat de biechtmuur ons in 2020 onthult.

donderdag 2 april 2015

Armeense paella uit Assen

Begin jaren zestig woont er in Istanbul een avontuurlijke jongen van achttien jaar. Hij voelt er niks voor om het ambacht van zijn vader over te nemen en kiest het ruime sop richting Nederland. Hij belandt uiteindelijk in Drenthe en wordt daar postbode. 

Z. kent Istanbul als zijn broekzak, zwierf er rond als kind. Toen ik er in 2009 met mijn ouders en zus op vakantie ging, gaf hij me van te voren Turkse les. Die woorden ben ik vergeten. Zijn familieverhaal niet.

Als het over minderheden in Turkije gaat, gaat het vaak over de genocide op Armeniërs die geen genocide mag heten. Tv-kijkers die gister afstemden op Pauw, konden zien hoe de gemoederen daarover nog steeds hoog oplopen. Soms hoor je iets over het uitbannen van Grieken uit Turkije en andersom. Onlangs nog in de documentaire 'bloedbroeders'. De gruwelijkheden, nationaliseringen, volksverhuizingen zouden zich louter begin vorige eeuw hebben afgespeeld. Dat de verturksing nog ver na de tweede wereldoorlog doorging, wordt vaak vergeten.

De vader van Z. ondervond als Armeniër de Turkse razzia's aan den lijve. Hij vluchtte, verstopte zich en verturkste zijn achternaam. Zijn moeder was een Griekse. Voor een Turkse jongen met Grieks en Armeens bloed, was Nederland vast een verademing. Hoewel Z. in doen en laten wel een echte Griek lijkt. Luid sprekend, besnord, harde lach, bromstem, handelaar, drankje, sigaretje, uitgesproken mening en vooral: lekker koken en eten. Ook toen hij alleen bleef.

Zijn vrouw, zijn maatje, verloor hij jong aan kanker. Als jonge weduwnaar voelde hij zich thuis bij de duikclub. Hij kookte voor de hele club, zijn paella werd geroemd. De laatste jaren ontvielen hem enkele vrienden. Het greep hem aan.

Hij hield ook van handeltjes. Vooral als daar geen fiscus mee te maken had. In de berging staat de zaagtafel die ik van hem kreeg. Ervoor betalen hoefde niet, maar een bonnetje kon hij zo nodig wel voor me regelen.

Het bootje dat hij kocht, doopte hij naar zijn overleden vrouw. Op een dag liet hij me haar zien. En naast zijn bootje troonde hij me ook mee naar een garage. Waar ik moest proefrijden in de bestelbus die hij op een trailer voor me had gespot. Hoewel het ding met achtduizend euro behoorlijk boven mijn budget lag, kreeg hij gelijk. Ik rij er nu acht jaar in.

De deuken en krassen die er inkwamen repareerde ik niet. Ook van binnen werd mijn auto een ongelooflijk bende. Hij vond het begrijpelijk, zei hij, want die auto was mijn werk, maar stiekem gruwde hij ervan. Want hij was erg netjes. Hij rookte tijdens het koken, maar legde oude kranten op de plavuizen tegen de oliespetters.

Daar vertelde ik over, toen ik hem opzocht op de Intensive care. Zijn blik was mat. Hij kon niet praten. Toen ik vroeg of hij er nog zin in had, schudde hij langzaam zijn hoofd.

"Vanmiddag om 13 u. is Z. heel rustig ingeslapen", las ik net op mijn display.
Ik liet een paar tranen, uit mijn van verkoudheid toch al waterige oogjes.


Morgen kan ik vast het juiste gereedschap weer eens niet vinden.


Met Pasen ruim ik de bus op. 
söz, խոստացել է, υποσχεθεί, beloofd.

woensdag 1 april 2015

Os, Zalm of Sein

Maxima spreekt deze week in Birma. Om de Birmezen aan het internetbankieren te krijgen. Nou ja, ‘bankieren’ zou al een eerste stap zijn. Want veel mensen in Birma (of moet het Myanmar zijn), doen alles nog met contant geld. Hebben geen bankrekening. En dat, zo zou onze koningin als speciale gezant van de VN verkondigen, was in geval van brand toch wel vervelend. Want dan was het geld weg. Bij een bank zou je geld veel veiliger zijn. Kreeg je er nog wat rente op ook (of zou ze zo’n laatste aanbeveling hebben ingeslikt?).

In Birma, zo hoorde ik op de radio, werd ook wel eens geïnvesteerd, belegd voor later. Maar dat doet men dan bijvoorbeeld door een os te kopen.

Een os.

Ik zie het voor me. Twee bejaarde Birmezen willen naar een verzorgingshuis (misschien moest Maxima dat ook maar gaan aanprijzen. Is hier intussen al passé) en komen bij de indicatiecommissie met hun os. Het panel van wijze vrouwen (weer ‘s wat anders dan Petrus) buigt zich over de voorwaarden. “Nee, u bent nog niet oud/ verschrompeld/ kreupel/ dement genoeg.” zegt de commissie streng, en zendt meneer en mevrouw San Suu Kyi henen met hun os (kent u een andere beroemdheid uit Birma waarvan u de naam kunt onthouden en uitspreken? Dan mag u vast aanschuiven bij de volgende VN delegatie). De echte Aung San Suu Kyi is trouwens erg ziek geweest. Het is de vraag of zij later kan aantreden bij het hoge bezoek.

Neen, dan hebben wij het hier beter geregeld. Mijn centjes staan op de bank. En dat van mijn minderjarige kindjes ook. O wacht, da’s niet helemaal waar. Kleine Kees vertrouwt de bank niet. En dus kreeg hij een heuse kluis voor zijn verjaardag. De sleutel verstopte hij in het kasteel dat mams waarschijnlijk in een onbewaakt moment naar de kringloopwinkel bracht. Nu weet Kees zeker dat zijn spaarcentjes voor later veilig zijn.
Er kan geen brand bij.
Hij zelf ook niet.
Zelfs Zalm neemt het niet mee naar de beurs.

Maar wie die Sein nu is, vraagt u?
Da’s de baas van Myanmar.
De eerste die democratisch werd gekozen.
Gister zette hij zijn handtekening onder een staakt het vuren. Na vijfenzestig jaar oorlog.
Sein is trouwens ook de baas van de krant.
Want die schijnen nog in handen van de staat.
En misschien is hij dan ook wel baas van de bank.
Net zoiets als ABN-AMRO.
Maar dat staat vast niet in de krant.
Anders kwam Maxima voor niks.

zaterdag 28 maart 2015

Weeskindje



Ratatouille heet het op z'n Frans, caponata in Italië en Iraniërs noemen het yetimche, wat weeskindje betekent. Ik heb me laten vertellen dat dit komt omdat er geen vlees in dit gerecht zit. En voor de keukenpuriteinen onder u, die menen dat ratatouille niets met caponata van doen heeft. Tja, die hebben vast gelijk. Het zij zo. Noem het dan maar prut.

Ik ben niet zo van de recepten of gerechten met namen. Na een harde leerschool in Italië, gevolgd door een Griekse schoonmoeder die me haar keukengeheimen toefluisterde, ben ik gaan geloven dat elke streek, elke straat, en waarschijnlijk zelfs elke madra familias, haar eigen goddelijke combinatie van groentes en kruiden kent, waardoor een vaste benaming een miskenning is voor de kookkunsten van degene die iets maakt.

Maar het wordt tijd voor iets anders. Tijd om u als lezer serieus te nemen. Dus ik vertrek. Na het schrijven van vijfhonderd stukjes, waarvan er twee derde deze blog haalden. En u kennis nam van het leeglepelen van zee-egels, de islam in de schaamstreek en Iraanse neuzen. Waarin ik fantaseerde over erotiek bij het WK, een stroopspoor op het web of wat te doen als u incest vermoedt. Het wordt tijd om te gaan. Naar de wereldpers (of naar elders, als u nog suggesties heeft). In de hoop dat u geen rare fratsen uit hoeft te halen, dat reacties niet meer worden opgeslokt, of dat plaatjes op zwart gaan.

Want het is natuurlijk wel zo aardig om mensen die hier langskomen de gelegenheid te bieden er iets van te vinden. Dat het flauw was bijvoorbeeld. Of lekker pittig. Of taai of juist goed ingedikt en scherp. Koken en schrijven zijn fijn, feedback krijgen is dat zeker ook.

Stukjes hakken, stoven, proeven, roeren, ruiken, serveren.
Stukjes schrijven, schrappen, proeven, wegen, schaven, publiceren.

Rest me alleen nog u voor te stellen aan die andere Paul. Mijn opa. Een yetimche. Hij kwam als jonge puber alleen naar Nederland. Hij werd in Wenen geboren in een kelderwoning naast waar nu het Hundertwasserhaus staat. Op de dag die later ook mijn verjaardag werd. Als klein jochie mocht hij wel eens mee met zijn vader, die verslaggever was voor opera's. Samen stonden ze op het balkon van de Volksoper. Op dezelfde plek waar acht jaar geleden deze blog begon.








Beste lezers, ik hoop jullie binnenkort te mogen verwelkomen bij de nieuwe Lehti Paul.

Eet smakelijk.








maandag 23 maart 2015

Speciaal voor appelvrouw.... en alle andere Groningers

'Ga je mee', vroeg ik haar, nadat ze me een versgebakken brood was komen brengen.
Helemaal op de fiets. Op krukken.
Nee, dat zou ze niet halen, zei ze.

Maar we hebben de longen uit ons lijf geschreeuwd.
Ook namens jou, en al die andere Groningers. 
Voor de 'Ode aan Groningen'.

En omdat ik vorige keer wat vals speelde.
Krijg je hieronder nu echte plaatjes van Stad en Ommeland.....

"Torens op de wierden, de ruimte bij Doodstil.....

Groningen..... Groningen
oogsten, kleinen, boren, beven
drinken, vrijen, proosten, leven....."




















woensdag 11 maart 2015

Bij een huwelijk horen veters

Ik ben dol op tweedehands. Zit en loop graag daar waar andere mensen op zaten of liepen. Kijk naar wat anderen hebben bewonderd en hebben aangeraakt. Op jacht naar dingen die ik niet zoek of nodig heb maar wel fijn zijn. Zoals in een consumptiemaatschappij gebruikelijk is.

Dat de crisis toeslaat is te merken aan de inbreng. Ook in de kleding. Waar voorheen twintig procent van de afdankertjes kon worden hergebruikt, is dat nu nog maar tien procent. Wat dan de vraag met zich meebrengt: als de criteria aan de achterdeur naar beneden worden bijgesteld ("Deze broek kan nog best een jaartje mee"), zou dat aan de voordeur dan ook gelden? Is voorheen onverkoopbare kleding nu opeens weer acceptabel? Einsteins relativiteitstheorie kan ik niet navertellen, maar als het om kleding gaat, snap ik 'm best. En voor geld geldt de theorie ook. En smartphones. Eigenlijk alles.

Mannen zouden hun kleding afdragen, vrouwen zijn eerder -heel eufemistisch- 'aan iets nieuws toe'. Vorm ik de uitzondering op die regel? Onder mijn oude vesten draag ik weliswaar een heuse werkbroek met knielappen, maar tweede Hans merkte onlangs terecht op dat die zwarte broek er na een witte schilderklus, niet bijster professioneel meer uitziet. Wellicht is het iets met tering en nering. Zocht ik werk dat een alibi verleent aan mijn voorliefde voor afdankertjes. Maar aan dat alibi zit kennelijk ook een limiet.

Een schoenenfetisj is me ook vreemd. Wat meestal aan mijn voeten prijkt, kreeg ik in handen doordat de buurvrouw zo enorm geilde op mijn nieuwe tajine, dat ze voorstelde haar schoenen te ruilen voor deze Afrikaanse pan. Intussen stooft zij hierin al jaren mals lamsvees en banjer ik gelukkig door de dagen op haar onverwoestbare bergschoenen.

Onlangs nam ik bij een wandeling zelfs even mijn jongens op mijn rug ter voorkoming van natte pootjes. Toen ik een week later hetzelfde rondje met mijn ouders maakte, liepen zij met opgerolde broekspijpen om de plassen heen. Al wachtend friemelde ik behaaglijk met mijn warme, droge tenen. Zo lekker, zo als gegoten.

De strakheid van de veters is wel essentieel. Als die te strak zitten, voelen mijn enkels na verloop van tijd koud aan. Maar te slap is ook niet goed. De wrijving die dat geeft leidt weer tot ander ongemak. De veter, bedacht ik, terwijl ik bij tweede Hans, met zijn tweedehands schoensmeer mijn bijna tot op de draad versleten schoenen poetste, dat is een geniale, tijdloze uitvinding. Zoiets zou men moeten bedenken voor relaties. Die soms ook knellen, of juist zwabberen. De boel loshalen en opnieuw rijgen is dan het devies. Zo dacht ik, terwijl ik twee nietjes aan de uiteindes van het schoensnoer deed. Want anders kreeg ik de veters niet meer door de koperen lusjes.

Maar ja, dacht ik ook.
Een veterdiploma heb ik niet.


maandag 9 maart 2015

IS op de fiets, Anne Frank en logica

Hij fietst voor me en mompelt iets onverstaanbaars.
Ik roep: "Als je wil dat ik je hoor, moet je mijn kant op praten."

"Die zullen wel een zware straf krijgen als ze die te pakken krijgen!"

A, ik verstond het!
Maar waar gaat dit over?
Het blijkt over IS te gaan. 

Ik -altijd bereid om de keerzijde van een schijnbaar simpele werkelijkheid te belichten- zeg: "Ja, maar wie moet ze straffen? Het leger en de politie zijn gevlucht en nu is IS daar de baas. Nu zijn zij degenen die anderen straffen. (Dat het leger, -mogelijk met hulp van Iran-, inmiddels weer bezig is met een comeback richting de olievelden laat ik maar achterwege) Je hand er af als je iets steelt, je kop er af als je iemand vermoord...."
 
Mijn politiek correcte hersenspoeling staat paraat voor het geval zoonlief zou tegenwerpen dat het straffen met de dood bij moordgevallen best ok is. Maar Kees steekt qua correctheid -of eigenlijk meer qua logisch denken- boven moeders uit. Volgens hem is het helemaal niet goed om iemand om moord met moord te straffen, dan wordt je immers zelf moordenaar en moet je daarvoor weer gestraft en zo blijft er niemand over.

Bij wijze van vrouwendag-staartje vertel ik ook dat vrouwen er niet zonder familiebegeleiding over straat mogen, geen eigen auto kunnen kopen, geen haren aan de buitenwereld laten zien.....
(dat ook orthodoxe, Joodse vrouwen hun eigen haar met een pruik bedekken, laat ik voor het gemak maar even achterwege).... "En als je dan kanker hebt?", vraagt Kees.


*Stilte*

(al fietsend tussen groene weilanden, visualiseer ik een kale, blootshoofdse dame te midden van een blauwe boerkazee) Kees vervolgt: "O, dan moet je zeker een pruik op en daar dan weer een sluier overheen."

' s Avonds zit Kees op de bank met zijn voeten in een sodabadje. Hij leest. Grote broer Leo oefent Pachelbel en Aardrijkskunde. Ik zing zachtjes en vertel over mijn Amsterdamse uitje van gister: met viereneenhalve Italiaan bezocht ik het Anne Frankhuis. Op het kaartje dat ik er kocht staan twee bladzijden uit het dagboek van het meisje dat zo graag schrijfster wilde worden. Tussen berichten over haar gewicht, sabotage, deportatie ('die sturen ze nu ook bijna allemaal naar Duitsland om te werken, zowel mannen als vrouwen') ook een stukje over vrouwenemancipatie: "Het is de strijd die er geweest is om de vrouw, dat die ook wilde studeren en dezelfde rechten hebben als de man. Want vroeger als de vrouw niet getrouwd was kwam ze meestal als oude hardwerkende sul bij een van haar broers in huis"

Kees denkt dat er een derde wereldoorlog komt. Ik zeg dat ik het niet weet, maar ook dat die er misschien al is, alleen niet in Europa. Om het dreigement van Griekenland moet hij lachen.

Later, in bed, zegt hij dat ie blij is dat hij hier woont, en niet in Irak, of Syrië.... of in Oekraïne. Ik ook. "Weet je", zeg ik, terwijl ik hem over zijn bol aai, "er zijn nu op de wereld heel veel andere kinderen die ook een kus van hun moeder krijgen. Ook in Syrië. Ook in Irak. Ook in de Oekraïne. Maar dan wat eerder (dat kinderen daar niet al om acht uur naar bed gaan laat ik maar achterwege), want verder naar het Oosten, of nee... later....of nee....... eerder", besluit ik uiteindelijk.
 "Dat heb je goed uitgerekend, of nee, dat heb je logisch bedacht, mama."

"Heb je ook wiskunde zonder cijfers?"
"Eh ja, dat heet geloof ik logica."

zondag 22 februari 2015

Ben ik nu diep gezonken?

Eerst lag ik vroom op mijn knieën bij de afvoer in een studentenhuis, daarna zocht ik het hogerop en  timmerde een drie meter hoge kast in een oude pastorie, maar vandaag, op de dag des Heren, lag ik plat op mijn buik, op de grond.
Bij de prijsvechter.

Tien voor vijf was het. In het tochtportaal, dat onlangs was aangelegd, niet voor tochtvrije werkplekken voor de caissières maar om te voorkomen dat overvallers ten derde male zouden toeslaan, stonden een stepje en een roze peuterfietsje. De kinderen waren binnen, aan het winkelen met hun moeder. Er was ook nog een derde klant. Hij leek niet naar iets speciaals op zoek. IJsbeerde voor de lege broodkarren en zei in zijn telefoon: "Ze is twintig. De oudste."

"Mevrouw" hoorde ik, toen ik net besloot om geen gevulde koeken maar stroopwafels als alternatief rookwaar in mijn doos te gooien, "Mevrouw, kunt u daarbij?" Gedwee ging ik naast het jongetje op de grond liggen, schatte mijn armlengte in ten opzichte van het voorwerp dat het kind aanwees en viste toen een niet nader te definiëren stuk speeltuig onder de pallet met vruchtensap vandaan. "Dankuwel", riep het jongetje, huppelde weg, draaide zich om, lachte opnieuw een welgemeend dankuwel en verdween toen achter de schappen.

Peinzend over mijn verdere boodschappen, mijn boodschappenbriefje liet ik waarschijnlijk thuis op tafel liggen, kreeg zijn moeder mij in het oog. Een bijna verwijtende blik mijn kant op. Oei, dacht ik. Nu heb ik vast haar gezag ondermijnd. Ze had misschien even tevoren haar zoontje toegesproken met: "Dat krijg je er nu van, Delano/ Surrenderley" (of hoe heten al die mooie halfbloedjes die deze wijk bevolken), toen zijn speelding wegrolde onder de sappakken. Nu zei ze: "Heb jij effe geluk. Heb je wel dankjewel gezegd tegen die mevrouw?" Ik praatte voor mijn beurt: "Jawel. Hij zei het wel twee keer". Mij negerend sprak ze haar kind nogmaals toe: "Met twee woorden? Zei je 'Dankuwel MEVROUW?'" (Het valt niet mee om consequent te blijven met al die import-intellectuelen in de wijk). Braaf herhaalde het jongetje haar woorden. Reflexmatig zei ook ik beleefd: "Graag gedaan, meneer", en liep toen naar de kratten Schultenbrau.

Na drie pijpjes pils te hebben gepakt, liep ik langzaam terug richting vis, om het gesprek van de derde klant zo onopvallend mogelijk te volgen. De NSA is er niks bij. Want wat kletst die vent nou over meisjesleeftijden? Maar nadat hij het over "bloed onder je nagels" heeft, sluit ik een mogelijke handel in tienerhoertjes uit en druip af.

Bij de dooie beestenbak loop ik drie keer langs de weinig appetijtelijk ogende dooie kippen en varkens. In mijn gedachten galmt de tweet van Eetschrijver 'Geen volk eist zijn eten zo goedkoop als het onze'. Toch schuif ik het deurtje van de stoffelijke resten open en kies een pakje gemalen koeienkadaver. "Weg van de supermarkt", heet het boek van GJ Groothedde alias Eetschrijver. Maar ja, dit is de enige winkel die vandaag open is. En lekkerder dan mijn eigen vlees is toch nergens te koop.

De caissière kucht. De peuters rennen heen en weer. Moeders roept hen iets achterna. Dat mama haar bankpas nodig heeft of zo. Ik sta tussen haar en de bellende man bij de kassa. Er komen er twee pubers binnen. Ze gaan overleggen voor de schappen met chips.

Bij Proefkonijnen legde Bas Haring onlangs de stelling 'Geld maakt niet gelukkig' uit. Hij maakte het inzichtelijk door Valerio Zeno een bord met het hoofd van Leonardo di Caprio voor te laten houden. En zijn buurmannen borden van andere knapperds. Waarmee werd bewezen dat niet schoonheid of rijkdom an sich (on)gelukkig maakt, maar het verschil hierin met je buren.

Thuis voel ik me de koning te rijk. Met een grote krop paksoi, een worst met onduidelijke herkomst en basmatirijst en bier van de Aldi.

Proost!

dinsdag 17 februari 2015

De afvoer en de Arabier

Op mijn knieën in de badkamer. Nee, niks vunzigs hoor, maar toch wel wat smerig. Althans, dat vonden de meisjes die me gadesloegen bij mijn werk. Met zijn drieën keken ze licht walgend naar mijn handen.

Eigenlijk kwam ik niet voor hun verstopping, maar voor twee deuren. Waar iets mee was. Dat bleek bij deur één nogal mee te vallen en deur twee zat op slot. De dame die er woonde was weg. Op skivakantie. Dat doen blonde studentes nu eenmaal graag. Tevergeefs zochten haar huisgenoten naar de reservesleutel van haar kamer. En ik stond te wachten.

"Ja, er was nog wel een klusje, in de badkamer, en ook één in de keuken." "Maar", zo zeiden de dames, "dat is eigenlijk meer mannenwerk". Nee, ja, nou ja, ze hadden zelf wel eens een sifon losgedraaid, antwoordden ze op mijn vraag, maar daarna was het niet meer gelukt om de boel dicht te krijgen. (Een paar jaar terug kwam ik in ditzelfde huis voor een schijnbaar kapotte CV. En toen ik, -op Koninginnedag, halve binnenstad afgezet- naar hun ketel ging kijken, stond daar, met rode knipperletters BIJVULLEN! Dus ik was voorbereid op mogelijk ontbrekende kennis van regulier onderhoud).

Wat nu volgde was geen bijvulles maar ontstoppings-les. Terwijl hun derrie van jaren her voorbij kwam, vertelde ik intussen over de functie van de zwanenhals. 'Iiieeuw!', zei het meisje met de sterretjesspyama, toen ze voorzichtig met haar slanke vinger aan de opgehoopte haren, zeepresten en ander lekkers kwam, 'Nu heb ik het AAN-geraakt.'

Maar hoor 's Lehti, al die betweterigheid die hier doorschemert is natuurlijk volkomen misplaatst! Alsof je zelf op hun leeftijd iets wist van ontstoppingsveren en stankafsluiters! Dacht het toch niet. Ook jij hebt die vunzigheid door ervaring geleerd!
  
Het bewijs viel me gister voor de voeten: Een 'note' van Miss White, met het verzoek om mijn earring niet meer in the bathroom aan te doen. En dat 'Graham' mijn oorbel net uit de sink had gevist. Kon ik kennelijk niet zelf. Of ik had het te druk met andere zaken.

Want waarom een briefje? Kon het gastgezin waar ik tijdens mijn talenreis logeerde, het me niet gewoon zeggen? Hoe het precies zat staat vast in het dagboek van dertig jaar terug, waar het briefje uitviel, maar waarschijnlijk was ik gewoon weg, de hort op. De bedoeling was dat ik me daar in Torquay in Engels zou bekwamen. Maar ik krikte er vooral mijn Italiaans op. Rommelde zelfs wat met een rijke Arabier. Al die aandacht vond ik prachtig en liefde had ik in overvloed. Wel een beetje lastig dat ze mij vervolgens als 'de ware' zagen. De Italiaan reisde me achterna in Italië, en de Arabier stond korte tijd later voor mijn ouderlijk huis in Pijnacker (Jazeker, in dat oord woonden wel meer rare figuren dan alleen Tarik), hij gaf me het mierzoete singletje 'Against all odds' (hij rook ook zo, allemachtig wat had die jongen veel parfum op) en bleef me nog lang hartjes sturen uit Saoedi-Arabië.

Dit verhaaltje is niet in het Arabisch, dus met meneer Eau de Cologne ben ik niet mee gegaan. Nog steeds begrijp ik maar matig waarom mannen het alleenrecht op mijn liefde willen. Gelukkig heb ik meer verstand van verstoppingen. En de studentes nu ook. Ik vergat ze alleen te zeggen dat je beter een stop in de afvoer kunt doen als je je wilt optutten. Dat scheelt achteraf een hoop gedoe.

Bij deze.

woensdag 11 februari 2015

De perfecte huisvrouw en over hoe dat moet met vrome mannen (2)

Na het eten ontvlucht ik de chaos en geniet buiten, lurkend aan mijn peukje, met een pijpje pils en vingerend met lettertjes, van mijn nieuwste verslaving wordfeud. Met onder meer mijn nichtje in India. Intussen bouwen drie jongens in mijn woonkamer verder aan hun hut a la Khadaffi. Dat de boekenkast die ik nog steeds niet aan de muur heb verankerd hierbij als tentstok fungeert, baart me enige zorgen. Maar het grut is per slot geen kleuter meer, dus ik speel vrolijk verder. 'Hoeren', verschijnt er op mijn aaischermpje. Zelf leg ik 'zeden'.

Drank, roken, seks en spel. Zoveel onreinheid is natuurlijk de goden verzoeken!


Binnen klinkt een harde klap en wat gerommel. Ik ren naar binnen en daar ligt het kroost bedolven onder een berg doeken. Er bovenop losse planken en massa's verhalen. De bescheiden 'Borst' van Philip Roth, 'Vermaledijde vaders' van Monica van Paemel en een vuistdikke Koran. Gemixt met non-fictie als 'Wie luidt de noodklok over de Arabieren' en het inmiddels wat achterhaalde 'De gesluierde Eva'. 'Russisch Blauw' van Rasha Peper, Gunter Gras, Peter Hog, Junichiro Tanizaki en ook mijn eigen dagboeken die ik vanaf mijn elfde bijhield liggen er tussen. Bovenop pronkt 'De gifhouten bijbel' van Barbara Kingsolver, over wat godsdienstfanatisme met een gezin doet. De hele heilige en heidense wereld is bovenop hen gedonderd.

Primo Levi verloor helaas zijn kaft, Farah Diba's biografie mankeert niks maar internet ligt er wel uit. De jongetjes zelf zijn gelukkig ongedeerd. Boos ben ik niet. Wel deel ik, als een commandant aan het front, bevelen uit (er komt nog bezoek). Het speelvriendje vraagt, al bladerend in het oude testament: "Ging jij vroeger naar de kerk, Lehti?" en "Waarom ligt hier dan een bijbel?"

Als alle boeken op stapels in de vensterbank liggen, de hutkoffer weer vol is en de nu lege kast weer op zijn pootjes staat, wordt het vriendje opgehaald. Ik breng mijn eigen jongens naar bed. Dan komt mijn logee: een moslima in minirok. Haar dochter is vandaag jarig en ze ontvlucht thuis de herrie. Gelukkig is het bij mij rustig. We zagen elkaar niet voor een jaar en we kletsen bij met sterke thee. Over familie: Ze is inmiddels oma en haar schoonzonen zijn blanke Nederlands. Over inburgeren: Met al die onbedekte ramen heb je toch nooit privacy? Ik waag haar maar niet te vragen of schoonheidsspecialistes voor hun inkomsten nog steeds afhankelijk zijn van dames van lichte zeden.

Om middernacht maak ik voor haar een bedje op de bank. Mijn muur van boeken fungeert als tijdelijk gordijn. Voor haar privacy. En zo worden mannen, die morgen op de dag des Heres naar de kerk lopen, niet afgeleid door haar mooie slapende gezicht. Maar misschien loeren ze wel liever door een opgelichte sluier naar mijn literatuur. Naar de boeken die me heilig zijn.
Omdat ze mijn horizon verbreedden.

Ze mogen ze hebben.
Mijn blik richt ik graag naar buiten.






maandag 9 februari 2015

De perfecte huisvrouw en over hoe dat moet met vrome mannen


De kamer toont een stilleven van een accuboor op de bank, gebroederlijk naast nog te herstellen kleren. Op de grond vervangt een stapel oude kranten de ontbrekende poot van een trampoline. Hier weer bovenop dansen twee pingpongballetjes tussen zes springende jongensbenen.

Vier van deze benen liepen eerder naar dit huis vanuit de nabijgelegen wijk. Ik deed, in de stilte voor de storm, een dutje op de andere, nog lege bank. Dan komt Kees binnen met zijn speelvriendje, dat hier inmiddels kind aan huis is. Hij zegt, met een blik op deze bedekte moeder: 'Ik dacht dat jij altijd fit was.' Leo zingt al springend mee met het deuntje van mijn wekker.

Half slapend vraag ik hen om de maaltijd voor vanavond uit de vriezer te halen. Niet dat de lust om te koken mij ontbreekt, maar de vriezer bevat dikke plakken ijs. Hoog tijd om de voorraad kliekjes van het afgelopen half jaar te verorberen teneinde het ding te kunnen ontdooien. Er volgen verrukte kreten uit de keuken: "Oh, we hebben een menu! Kip met boontjes, pindasaus en knoflook, pasta of bonen, courgette of pompoensoep.... "

Als het springen stopt, daalt de rust heel even neer. En ook het zand. Tevergeefs zoekt zoon Leo naar het stoffer en blik (die gingen de deur uit, mee met grote zoon Frans, evenals zijn gordijnen die ik hier braaf van de haakjes haalde. Resultaat: een doorzonwoning avant-la-lettre). Uit arren moede pakt Leo de stofzuiger.  Maar dit ding stoot bij het aanzetten zo'n ongelooflijke stofwolk uit zijn achterste, dat je je afvraagt of mijn hoesten door roken wordt veroorzaakt of dat de mooie Miele de boosdoener is.


'Mam, moge we nu een hut bouwen?'
'Ja wel, dat mag, in mijn slaapkamer staat een hutkoffer vol kleden.'
-rennende kindervoeten-
'Mam, is dat dat bruine ding waar al je kleren op liggen?'
'Ja schat, gooi mijn kleren maar op het bed.'
'Maham, heb je touw?'
'Ja, kijk maar daar onder die friteuse op de kinderstoel, onder de oud-papier bak.'
'Wow, wat een dik touw! We zijn schippers!'


Even later serveer ik de opgewarmde kliekjes door het gat, pardon 'raam', van de enorme hut. Kees is verdiept in een boek. Leo nodigt me tevergeefs uit om te komen kijken hoe prachtig hun bouwsel er van binnen uitziet: "Het is ook een vrouwenhut hoor! Kijk, er zijn ook kapstokjes".



Die heren uit Gouda moesten hier maar eens op excursie komen. Om te zien hoe mannen zich gedragen die van kinds af aan gewend zijn aan vrouwen. En dat de termen 'vrijdaggebed' en 'werkende vrouwen' heus een betere combinatie is dan 'touw' en 'boekenkast'. Hoewel zelfs dit laatste handvaten kan bieden voor manvolk dat vrees heeft te worden afgeleid door de aanblik van het andere geslacht. Maar dat kon ik tijdens het schrijven van dit logje nog niet bevroeden.


Hoe het afliep kunt u woensdag lezen.

woensdag 4 februari 2015

Domweg gelukkig in Groningen


Dat allitereert toch een stuk lekkerder dan die Dapperstraat van Bloem? Maar het verwarrende is, dat ik, op vijf minuten fietsen van die beroemde Dapperstraat, toch zomaar in Groningen belandde. Nu had ik al eerder beweerd dat Amsterdam in de achtertuin van Groningen ligt, maar om hier het Boter-, Reit- en Hoendiep te zien, was toch een verrassing. Prachtige huizen trouwens. Daar in de rivierenbuurt van plan Berlage. Waar ik gister doorheen fietste. Om nieuwe schilden voor een deurkruk te kopen (Waarom daar??) en ik de weg vroeg naar de Praxis aan twee studenten die de overblijfselen van hun weekend (en wellicht nog die van oud & nieuw) in de glasbak probeerden te krijgen.




Natuur is voor tevredenen of legen.
En dan: wat is natuur nog in dit land?
Een stukje bos, ter grootte van een krant,
Een heuvel met wat villaatjes ertegen.



Iets verder weg, in het Amsterdams Lyceum aan het Valeriusplein, zag ik een dag eerder de bijzondere opera, 'Lali's vlucht'. Die niet alleen over Lali's vlucht uit Iran ging, maar ook over zijn ontvangst in Amsterdam. Aan de Apollolaan. Sadhu zong Griekse muziek, Frans speelde klarinet en Aad speelde Lali. Onder de voorstelling at het publiek Spaanse gazpacho en granaatappel. Na afloop bood ik de echte Lali, die eigenlijk Mohamed heet, mijn manuscript aan, over mijn eigen reis naar Iran. Hoog tijd voor de zoveelste redigeersessie.

Geef mij de grauwe, stedelijke wegen,
De’ in kaden vastgeklonken waterkant,
De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand
Door zolderramen, langs de lucht bewegen. 


Maar lieve Lehti, zou dit niet een lofzang op dat schone Groningen worden? Waar je zelf na wat omzwervingen werd omarmd door grachten, fietsendieven en het dansen van Salsa. Waar je zelfs nog even voor student speelde? Waar ik de stadszwerver ken ("Past u wel op, het is glad hoor, Fijne dag nog. Ja daag") en de parkeerboeteschrijvers. De stad waar ik afvoeren ontstopte, tegeltjes plakte en kozijnen strak in de lak zette. Waar groenteman Jan en de Kaasdame me kennen op de markt. Waar ik vol bewondering kijk naar hoe de stad oprukt naar het ommeland.


Alles is veel voor wie niet veel verwacht.
Het leven houdt zijn wonderen verborgen
Tot het ze, opeens, toont in hun hogen staat.


























Nou vooruit dan. Nog twee laatste plaatjes uit Mokum. Omdat dat beter past bij de laatste strofe van Bloem's gedicht. Hoewel daar de zon niet scheen te schijnen. Tussen de buien door.






Dit heb ik bij mijzelven overdacht,
Verregend, op een miezerigen morgen,
Domweg gelukkig, in de Dapperstraat.









zaterdag 24 januari 2015

De Islam in de schaamstreek

Na drie delen Senegal, is het nu tijd voor een Islamitisch intermezzo in eigen land. Ja mensen, want straks worden we hier overspoeld door vluchtelingen (u weet wel, type bruin haar, donkere ogen. Heet vaak Mohamed), daardoor zijn er geen sociale woningen meer voor (wel hardwerkende, blonde) mensen, zo meldde het journaal. Of er in de tussentijd ook één en ander aan sociale woningbouw in de verkoop ging, hoorde ik niet. Als doekje voor het bloeden (ze zijn zo heerlijk politiek correct bij de NOS) mocht een goed Nederlands sprekende VWO scholier zijn kunstje opvoeren. 'Welkom in mijn wonink' (hij wel!), zei Mahmoed* tegen de verslaggever.

Wat wordt het volgende nieuws? 'Woningnood want we worden te oud'? Met erna, in het reclameblok, een spotje tegen ouderenmishandeling?  Ik hoor het Mustafa Marghadi al zeggen. (Kijk, daar heb je het al, die gozer is via Jeugdjournaal en Klokhuis zo onze huiskamer binnengekropen. Weliswaar bij de late uitzending, maar toch, zo'n naam, 'Moustafa', dat kan nooit goed zijn. Dat voel je.)

Ik durf vanavond niet te kijken naar 'Rot op naar je eigen land'. Hoewel het misschien juist een poging is om tegenwicht te bieden aan al dat sluimerende 'er zit wel wat in' gekwaak. En in het Dagblad lees je dan over de verbazing over hoe Joodse vrouwen van de Nazi's aardappels moesten (mochten?) rooien in Groningen in 1943. Waarom zijn 'ze' toen niet gevlucht? Maar voor stemmingmakerij kun je niet vluchten. En wie kan zo'n mechanisme beter verbeelden en verwoorden dan deze meesters van de satire.

Toch ben ik in deze discussie soms aangenaam verrast. Bij het lezen van een tweet van Willem Aantjes bijvoorbeeld. Die een Bijbeltekst de wereld in stuurt met een schijnbaar andere bedoeling dan je van een CDA-er zou verwachten. Als verweer volgt dan uiteraard dat 'wij Christenen' verlicht zijn en 'onze' heilige tekst in de juiste context en tijdgeest weten te plaatsen. Om het ingewikkeld te maken zijn de weinige mensen die ik ken die er -heimelijk dan wel openlijk- voor uitkomen dat Wilders gelijk heeft, zelf moslims. Of ex-moslims. Maar dat zou geloof ik niet kunnen.

Wat er in de Koran of Bijbel wordt gezegd weet ik niet. Ze staan hier wel in de kast. Naast respectievelijk -even spieken- 'Het kapitaal' van Karl Marx en Otto Ruhle (deel 1, verkorte uitgave) en 'voorlichting voor jongens over sex' van sipke van der land (die 'X' en ook het gebrek aan hoofdletters verraadt een zekere gedateerdheid. blz. 33: 'Meisjesjagers aangehouden. Drie schoolgaande jongens van elf en dertien jaar zijn in hun woonplaats Groningen aangehouden omdat zij met windbuksen op meisjes schoten. Het drietal beschikte over 11.000 kogeltjes")

Maar ik dwaal af. Het ging over de invloed van 'de moslim' op ons geliefde vaderland (wanneer wordt vaderland eigenlijk moederland en omgekeerd?). Tegen een versimpeling van de werkelijkheid is geen kruit gewassen. Het enige wat ik wel kan doen, is mijn werk. En om me heen kijken.

In opvangcentra willen toiletpotten wel eens los gaan zitten. Niet zo zeer omdat vluchtelingen dat ding slopen, maar omdat het plaatsnemen op de pot soms vies wordt gevonden. En zo'n ding is niet  gemaakt om op te staan, dus dat gaat mis. Daarnaast geven veel moslims er de voorkeur aan om hun edele delen na toiletbezoek (en na andere toepassingen) met water te wassen in plaats af te vegen met papier. Dat dit ook in landen voorkomt waar de meerderheid van de bevolking een christelijk geloof aanhangt, verraad de herkomst van het woord 'bidet'.

Voor mijn huidige werk kom ik niet meer in opvangcentra maar doe ik klusjes bij mensen thuis. En laat ik nu net bij een keurig Hollands gezin een bidetkraan moeten monteren. Ze hadden de weldaad ervan op vakantie in den vreemde ervaren en wilden nu niets anders meer. De groothandel, Gamma of Karwei konden me niet helpen maar uiteindelijk, 'Jippijajajippiejippiejee', bood de roze bouwmarkt uitkomst. Ze hadden zelfs drie uitvoeringen. Van basic tot lux. Geberit lijkt in dit spotje ook niet veel moeite met moslims te hebben: 'Water is natuurlijke zuiverheid' (hoewel de pot waarmee u met water wordt gereinigd mij meer doet denken aan een vermomde vibrator).


En voor deze bekering tot het billenwassen kroop nog een andere sluipende cultuurverandering ons op de huid. Want u wilt toch niet beweren dat het massaal kortwieken van de schaamstreek een uiting is van een verlichte uitleg van de bijbel?

U zijt gewaarschuwd waakzaam Nederland!
We worden overspoeld.
Ik voel het in mijn kruis.
Amen.



*Mohsen lijkt in het nieuws-item goed geïntegreerd. Hij droogt zijn gebloemde koffiekopjes na ze uitvoerig met schuim te hebben gesopt, gelijk af en zet ze dan in de kast. Dat vind ik dan weer onrein. Het lijkt op mezelf afdrogen na het inzepen. Maar dat komt natuurlijk omdat mijn inburgering plaatshad in een katholiek land. Of ze hebben het spoelen er bij de redactie uitgeknipt.

vrijdag 23 januari 2015

Het gebroken gezin in Dakar 3

Vervolg van 2

Na tien minuten in de taxi wordt het nog stadser. Ik vraag de chauffeur of hij weet waar het hotel is. Er komt geen duidelijk antwoord. Ik pak mijn Lonely Planet er bij en geef hem het adres. Hij geeft geen teken van herkenning. Ik probeer hem uit te leggen dat het met 'vue sur mer' is. Paulien: "Mama, waarom laat je hem niet de kaart zien, dan weet hij het toch wel?"  Ik: "Volgens mij zou hij daardoor niet beter weten hoe hij moet rijden."

We rijden volgens mij de goede kant op. Dan leg ik hem uit dat het bij de Corniche Ouest is. Dat lijkt voor hem enigszins richtingwijzend te zijn. We rijden door smalle straatjes (die bij ons eenrichtingverkeer zouden zijn, je kunt elkaar hier met geen mogelijkheid passeren), de chauffeur spreekt een man op straat aan: 'Hé grand frère!' Richt zich dan tot ons op de achterbank: "Hoe heette dat hotel?" Ik laat hem de gids zien. De Lonely Planet gaat naar de 'grand frère', die het ook niet weet. Lonely Planet weer naar de achterbank en verder rijden. 

Omdat ik nog steeds redelijk zeker weet dat we ongeveer goed zitten, vind ik het best. Het is ook wel grappig, zo'n nachtelijke sightseeing, met een aardige taxichauffeur, die niet weet waar ie ons naar toe moet brengen, maar die wel heel erg zijn best doet. Zo zie je nog eens wat van nachtelijk Dakar.


Het tafereel met een of andere 'grand frère' herhaalt zich nog een paar keer, tot er één een duidelijke beschrijving geeft, bij die winkel links, dan tout droit, dan bij dat punt zo en zo, dan bij dat ding rechts, en dan nog even tout droit, en huppeldepup bladiebla. Chauffeur lijkt het te begrijpen en binnen vijf minuten staan we voor ons hotel.


Er is een klein raamloos huisje waar een security-vent, helemaal ingepakt met muts en sjaal en winterschoenen, in diepe slaap verzonken half tegen de muur op een krukje hangt. Hij wordt niet wakker van ons. Chauffeur gebaart ons in de auto te blijven zitten en vraagt waakman, die hij eerst omstandig wakker moet maken, of hij met de taxi naar beneden naar het hotel mag rijden. Kennelijk mag het niet, chauffeur komt weer terug en helpt ons met het uitladen van de koffers.

Ik had er van te voren al op gelet dat ik kleine briefjes euro's had, zodat ik mijn vijftien euro passend kon betalen. Maar voor zijn gezoek en zijn nachtelijke stadstoer, en omdat hij de jongeman zo veel voor zijn bemiddeling moest betalen, en omdat het een aardige man is die zijn werk gewoon goed doet, ben ik best bereid twintig euro te betalen. Ik geef hem twee briefjes van tien euro en zeg dat het zo goed is. Ik verwacht eigenlijk een bedankje, maar hij staat wat schaapachtig naar de briefjes te kijken. Hij reageert vrijwel niet.

Dan leg ik hem uit dat de vijftien euro die ik met de jongeman had afgesproken, ongeveer tienduizend francs is. En dat twintig euro veertienduizend francs waard is. Dan klaart zijn gezicht op,  hij bedankt me, probeert me nog een toer aan te smeren door te vragen wanneer hij ons weer op kan halen en welke toer we zouden willen doen, en verdwijnt dan in de nacht. Wij pakken onze koffers en lopen naar het hotel. Halverwege komt iemand van het hotel de trappen op rennen, zijn veters nog los, om ons te helpen met dragen. Die zat vast ook te slapen bij het wachten op late gasten.

Aan de receptie moeten we ieder een kaartje met formaliteiten invullen, paspoortnummer, beroep, adres, de hele reutemeteut. Dan met meneer de drager naar de eerste verdieping. Het hotel ziet er net zo gek en exotisch uit als op de foto's. In de lift met rood tapijt staat een gietijzeren zitbankje. Aan de muur op de gang zijn reliëfs van Romeinse en Egyptische taferelen. Op de vloer in de gang liggen mozaïeken in de vorm van zebravellen.


Boven het grote bed hangt een klamboe, boven het eenpersoonsbed niet. We hangen onze klamboe op, poetsen onze tanden, kleden ons om, werpen vanaf ons balkon nog even een blik op zee, en vallen dan doodmoe in bed.

Wordt vervolgd.


dinsdag 20 januari 2015

Het gebroken gezin naar Dakar* 2

Vervolg van 1
 
Wij gaan met zijn drieën naar het loket. Heeft u een visum? Nee, hebben we niet. Wilt u dat kopen?
Nou ja, si c'est obligé, dan wel, ja. 
Ok, loopt u maar met die mevrouw mee. Er zijn – behalve een paar officiële figuren in uniform – verder geen mensen. (Zijn we de enigen die hier een visum moeten kopen?) Eerst moeten we 157,50 euro betalen (Tsja, ze willen hier natuurlijk wel wat aan die toeristen verdienen). Dan moeten we naar een andere politiemeneer, waar ik op een stoel voor een fotoapparaat moet gaan zitten. Ondertussen staart meneer op zijn beeldscherm. Het apparaat waar ik voor zit, ziet er uit alsof het niet echt (of: echt niet...) werkt. 

Inderdaad krijg ik tien minuten later een visum in mijn paspoort geplakt, waar een foto van de foto in mijn paspoort bij staat. Er staat inmiddels een rij van vijftien personen achter ons. Ook de vrouw met het kindje. Ze legt uit dat zij Senegalese is maar het jongetje Frans, dus dat hij een visum nodig heeft. We praten over het belang van de nieuwe taal en de nieuwe nationaliteit voor de kinderen die in dat andere, nieuwe land opgroeien, waar je als ouder heen bent geëmigreerd. Intussen maak ik me zorgen over onze koffers en hoop maar dat ze straks nog ergens op een band rondrijden.


Ik ga zowat van mijn stokje van de vermoeidheid. Ook de kinderen zitten te gapen. Dan begint meneer de eerste autoriteit iets tegen me te zeggen, ik versta het slecht. Waar heeft ie het nou over? Koffie? Ik moet hem koffie geven? Wil ie koffie met me gaan drinken? 
Nu? 
Hier? 
Ik begrijp er geen hout van. Ik begin maar wat te antwoorden, zeg dat we moe zijn, dat de kinderen willen slapen, dat we naar ons hotel willen. Dan begint me iets te dagen. Ja ja, koffie. Zou dat -een half uur nadat we Senegalees grondgebied hebben betreden- een verzoek om smeergeld zijn? Of zie ik nu beren op de weg? Ik doe alsof mijn neus bloedt en klets maar wat verder over moe en kinderen en lange reis en willen slapen.


Na een klein half uurtje zijn we alle drie klaar en kunnen we naar onze koffers op zoek. Geen idee welke band we moeten hebben, nergens staat iets aangegeven. De meisjes bestuderen de wachtende mensen en zien dat er meerdere mensen zijn die bij ons in het vliegtuig zaten, dus het zal wel de goede band zijn.


Als we weer buiten staan is midden in de nacht, warm, vochtig. De sfeer is stads. Tientallen mensen staan geduldig aan hekken te wachten. Veel mannen, ook een aantal vrouwen, met prachtige gekleurde gewaden en grote om hun haar gebonden doeken. Veel mannen met djellaba's en van die kleine petjes/hoedjes. Zeer Afrikaans, zeer islamitisch.


We zijn de deur nauwelijks uit of ik word aangesproken door een jongeman die vraagt of we een taxi nodig hebben. De kinderen zijn al wat verder gelopen, in de veronderstelling dat we niet met de eerste de beste die ons aanspreekt, mee gaan. Maar ik vraag toch maar of hij weet waar hotel Sokhamon is en wat dat ritje zou kosten. Vingt euros. Volgens mijn info zou het tussen de douze en quinze euros moeten kosten, dus ik stel quinze voor. 

Hij vindt het best, pakt mijn rolkoffer, ik roep de kinderen en we lopen in flink tempo achter mijn rolkoffer aan de hand van meneer aan. Hij wordt door het dranghek gelaten, heeft kennelijk goede connecties. Met vlotte pas loopt hij naar de straat, waar taxi's staan te wachten. Maar hij loopt verder, de straat een stuk in, tot hij geroepen wordt. Hij draait zich om, loopt (nog steeds met onze koffer) nu met flinke pas weer naar het begin van de rij taxi's, hij smijt mijn koffer in de achterbak van de eerste taxi en gooit de bak dicht. Ondertussen is er een wat oudere man uit de taxi gestapt, degene die hem had geroepen, die doet de achterbak weer open, laadt onze tweede rolkoffer in en laat ons alle drie op de achterbank plaatsnemen. Chauffeur stapt in en gaat achter het stuur zitten, jongeman stapt aan de bijrijderskant in. Er ontstaat een niet al te vriendelijke woordenwisseling tussen de twee mannen voorin, terwijl meneer de chauffeur langzaam is begonnen te rijden. Ondertussen probeert de chauffeur met zijn rechterhand uit de catacomben van zijn dashboardkastje wat geld vandaan te vissen. Een paar duizend francs. Volgens jongeman is dat niet genoeg, nog duizend franc erbij, nog duizend franc. Als we een paar honderd meter met een slakkengangetje gereden zijn en jongeman eindelijk tevreden is met het bedrag, stapt jongeman uit en rijdt chauffeur mopperend verder.

Ik probeer in het Frans een gesprek aan te knopen over wat er nou was. Ik begreep al dat jongeman alleen maar een klantenvanger was, geen taxichauffeur, maar hoe dat nou zat en hoeveel hij voor welke diensten betaald kreeg, dat kan ik toch niet doorgronden. Ik vertel de chauffeur dat jongeman was ingegaan op mijn bod van vijftien euro. (Niet dat we daar straks nog onenigheid over krijgen.)


In ieder geval lijkt de chauffeur me een aardige vent. Ik leg de kinderen uit dat het mopperen van de  chauffeur op jongeman mij wel vertrouwen gaf in de chauffeur. Paulien: "Huh, omdat hij boos werd op die jongen, vind je hem aardig?" Ik: "Omdat de chauffeur beledigd was dat de jongeman zo veel geld wilde hebben, denk ik dat de chauffeur in ieder geval niet iemand is die ons gaat oplichten of die onaardig tegen ons zal zijn."


Het is half drie 's nachts, voor ons dus al half vier. Onze taxi heeft aan de voorkant zo goed als geen licht, achter iets meer. Je kunt de weg nauwelijks zien vanwege de strepen op de voorruit. Er is behoorlijk veel verkeer onderweg, veel taxi's. Buitenwijken van Dakar, veel blokkenhuizen, platte daken, eenvoudig gebouwd, lijkt wel wat op de buitenwijken van Caïro, maar dan minder dicht bij elkaar gebouwd.

Met zijn drieën achterin de auto. Nuna: "Mama, de snelheidsmeter doet het niet." Inderdaad, de wijzer blijft op 10 km/h hangen. Paulien: "Mama, ben jij bang?" Ik: "Nee, ik ben niet bang. Ik vind het wel erg spannend, hoe het er hier uit ziet, hoe de vakantie wordt, waar we belanden, maar ik zou niet weten waar ik bang voor zou moeten zijn. 
Paulien: "Goed. Als jij niet bang bent, dan ben ik ook niet bang."







* Mijn zus woont met haar dochters in Berlijn. Zomers is het daar goed toeven maar de barre winters ontvlucht ze graag. Naar Thailand, Jamaica of de Canarische eilanden. Ze schrijft over wat ze ziet, hoe je koopt of onderhandelt in een taxi. Over hoe haar puberdochters omgaan met hun nieuwe indrukken. Als ik haar verhalen lees, is het alsof ik er bij ben. Daarom deel ik het hier graag. Dit is het ingekorte verslag van de reis die ze in 2014 met haar dochters van twaalf en vijftien naar Senegal maakte.

Wordt vervolgd