maandag 3 november 2008

Oma en Obama

Obama's onmiskenbare keelstem galmt over de gang. Door de deur waar het geluid vandaan komt, komt een vrouw aanschuifelen. Ze heeft een bolle toet en een wond op haar hoofd. Ik ben er al snel achter dat zij niet de juiste persoon is om te vragen waar de watermeter zit. 'Oh, zijn ze bij u al geweest?', brengt ze hoopvol uit, terwijl ze verder schuifelt, van nergens naar nergens. Er komt een witgejaste zwarte dame uit het trappenhuis. Ja, ze weten ervan, van dat bloed, die dame is onlangs aan haar hoofd geopereerd.

Oma heeft het koud. 'Zullen we wat gaan wandelen?'. Er komt geen antwoord maar haar hoofd draait langzaam naar de deur en dan wiebelt ze met haar voeten. 'Ja, oma, ik zie het, uw schoenen zijn nog los, zal ik ze vastmaken?'. Twee witte witgejaste dames praten door ons heen als we hen passeren. Ze zijn vast gewend aan zeer oude mensen. Die zeggen toch niks terug, dus zeggen zusters niks heen. Althans niet tegen ons. Ik ben dan wel niet oud, maar zo schuifelend naast oma, zien ze mij vast als één met haar. Het gaat over nachtvoedingen en foto's. Nee, naar buiten wil oma niet. Ze vindt het 'miserabel weer'. We keren om en schuifelen terug. Overal hoor je Obama. Zij niet. Ze is bijna doof. Voor haar geen verandering.

'Post halen' mompelt ze. Ik haal de sleutel, zij wacht. De krant is opgezegd. Een brief is er wel. Iets over een patientendossier. Of al haar gegevens in de computer mogen. Haar warrigheid, haar pillen. Waarvan ze niet weet dat ze die krijgt. Of anderen dat wel mogen weten. Vreemde vraag. Ik maal het pilletje fijn in de watergruwel. 'Pareltjespoep', noemden ze dat vroeger bij haar thuis. Als ik de pareltjes voor haar opwarm in haar emaillen hondebakje, zing ik. Oma schommelt heen en weer in haar stoel. Ze neuriet zachtjes mee.

'Je zet de rozijntjes eerst even te week, apart. Het bessensap doe je er als laatst in, dat alles er in blijft, een beetje kan je er bij doen voor de kleur. En die parelgort moet nog wel eventjes staan geloof ik. En dan nog wat suiker,... dacht ik, ik weet het niet eens.' Ze is het recept vergeten.

Na het eten gaat ze slapen. Ik aai haar over haar perkamenten wang. Ze glimlacht. Met haar ogen halfopen kijkt ze naar me terwijl ik de afwas doe. Het boek dat ik lees gaat over een oude boer die zijn nog oudere vader naar boven verhuist. De boer krijgt bezoek en doet alsof vader dood is. Buiten is het grijs maar de gordijnen moeten dicht. Ik kan de letters niet meer zien en val zelf ook in slaap. Ik droom dat ik oma verstop. Ik schrik wakker van de bel. De zuster wil thee zetten. Maar dat is is niet nodig, ik doe dat vandaag. We eten er koek bij. Veel koek. En aardbeien (in november!) en kiwi en peer en vis. We smullen. Oma heeft vet aan haar kin.

Als het tijd wordt dat ik ga, wordt ze onrustig. 'Wat moet ik nou?' zegt ze. Ik was nog even af en vraag of ze straks zelf kan afdrogen.
'Tot volgende week.'
'Tot volgende week.'
Dan ren ik het donker in, het park door, naar de bus, de trein, naar een huis vol kinderen, computers, de tv. Oma zit in haar lege huis. Ze wacht.

Op Hawaii overlijdt een andere oma.

Geen opmerkingen: