Daar zit je dan. Met je ogen dicht en je mond half open. Je hoofd hangt achterover. Als ik naar je kijk, krijg ik al kramp. Een glazen schot belemmert het nog verder knakken van je nek. 'Kom maar naast me zitten', zei ik net nog tegen je. Je reageerde nauwelijks. Snauwde iets weigerachtigs naar de grond. Vechtend tegen dat wat sterker is dan jij. Wetend dat het je niet zou lukken. Dat je weer zou worden overmand, opgeslokt en straks weer opnieuw moest beginnen. Tegen je zin geteleporteerd in de tijd.
Er stappen mensen in. Ze lopen langs je, draaien zich om. Kijken ernstig naar je. Als het niet zo kut zou zijn, zou ik er om moeten lachen. Want je houdt mensen ongewild voor de gek. Ik kan hun gedachten bijna lezen: 'Issie misschien dood? of ontvoerd? of onwel? moet ik iets doen? de chauffeur waarschuwen? waar is zijn vader of moeder?'
Als mensen zichtbaar 'anders' zijn of doen, kijken omstanders vaak weg. Bij een blind iemand verandert dat, wanen we ons onbespied. Maar als iemand zijn of haar ogen ècht dicht heeft, wordt er gewoon gestaard. Ik neem het niemand kwalijk. Ik zou vast hetzelfde doen. Als ik niet beter wist. Dus maak ik de man die voor me zit maar wijzer. "Hij slaapt gewoon, hoor. Straks wordt hij wel weer wakker." De mensen achter me, die al starend na ons instapten, kunnen ook meeluisteren.
De man reageert nauwelijks. Kijkt weg. Misschien voelt hij zich betrapt. Hoewel hij nu wèl weet waar die afwezige moeder is. ('Nou ja zeg, laat ze haar kind met geknakte nek en open mond heen en weer schommelen in de bus, waarom gaat ze er niet náást zitten?)
Jou overkomt dit dagelijks. Dit gevecht, de reacties van anderen ('was zeker laat hè, gister?) en het steeds toch weer overmeesterd worden door een onbedwingbare slaap. Je tong die slap wordt als je lol hebt, zodat mensen je niet meer verstaan. Of erger, dat je door je benen zakt. Het is geen ramp. Wel strontvervelend. Onhandig. Gedoe.
Je leert er elke dag beter mee leven. Doet een dutje van te voren ('ik wil straks niet in de winkel in slaap vallen') of kiest een computerspel om de slaap de baas te kunnen. Ook hield je er een spreekbeurt over en ging zelfs al twee keer alleen met de bus, waarbij een medepassagier je moest wekken (wat ie vervolgens niet deed volgens jou). Maar soms wordt het je teveel. Sla je je zelf op je hoofd. Voel je je bestolen van je tijd. Van je plannen. Van je goede humeur.
Dat ik trots ben op hoe je er mee omgaat, wil je niet van me horen. Ook niet dat je bent afgevallen, helemaal op eigen wilskracht. Je slaat toetjes over, biedt weerstand aan verleidingen die er constant zijn, zeker voor jou ('ik heb altíjd honger'). Ik mag het niet hardop zeggen, en er vast ook niet over schrijven.
Maar weet je schat, jouw aandoening is zeldzaam. Novy dacht dat als ik alleen daarover zou schrijven, het vast een hit zou worden. Met veel lezers. Misschien is dat zo. En bekendheid geven aan een zeldzame aandoening, dient ook een hoger doel. Want zelfs de kindersarts sloeg de juiste diagnose van de huisarts destijds in de wind omdat 'narcolepsie nu eenmaal nooit voorkomt bij kinderen'.
Maar jij bent mijn kind. Mijn fantansierijke, wilskrachtige, muzikale, leesgierige, lieve kind.
Jij bent je ziekte niet. Je hèbt het. En dat is al lastig genoeg.
Daarom is dit de laatste keer dat ik er over schrijf.
Beloofd.
Posts tonen met het label ziek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label ziek. Alle posts tonen
maandag 28 maart 2016
woensdag 14 januari 2015
Ik heb er ook twee. Eindelijk!
Ze waren er plotseling. Of ik merkte het plotseling. Zou het met de griep te maken hebben? Waar half Nederland door lijkt te zijn geveld? Waardoor ook ik twee dagen hoestend, zwetend, duttend en, niet te vergeten wordfeudend op de bank doorbracht.
Want na te zijn gezwicht voor twitter en ik ook mijn oerdegelijke nokia inruilde voor een smartphone (hoezo 'mini'? Hoe hou je dat ding in godsnaam vast achter het stuur?! Mag dat niet? Dan heb ik niks gezegd. Reuzehandig zo'n tutsjskrien. Vanaf nu nooit meer gevaarlijke verkeerssituaties door mijn toedoen), nu ben ik, in een poging de door mij gemiste trein der vooruitgang alsnog te halen, verslaafd aan scrabbelen op een schermpje. Met mijn vader, mijn nichtjes in Berlijn in het Duits en ik zocht zelfs tegenspelers in het Italiaans.
Maar er was deze week een ander soort vooruitgang. Eentje zonder dubbele woordwaarde. Eentje die je bij leven altijd wint. Na twaalf vol gesnoten rollen toiletpapier stond ik nu te proesten in een enorme luierdoek (dus daarom moesten die steeds meeverhuizen). Eenmaal uitgeniesd wreef ik gedachteloos over mijn voorhoofd. Waar zich opnieuw een zeurende hoofdpijn aandiende.
En daar zaten ze!
Twee echte,
niet erg diepe,
maar hele pure!
Vierenveertig jaar heb ik er dagelijks op geoefend. Door te lachen, te huilen, te schreeuwen, puistjes uit te knijpen, baardharen uit te trekken, tegen de zon in te turen, te fronsen en te verbazen.
Mijn hoogstpersoonlijke plooien van vlees en bloed! Ook wel oneerbiedig als 'rimpels' aangeduid.
Met smart is het nu wachten op de dag dat mijn eerste grijze haren gaan verschijnen. Wellicht zal ik dan eindelijk volwassen wijsheid uitstralen en kan ik het imago van jong blondje voorgoed achter me laten.
Leve de leeftijd!
Want na te zijn gezwicht voor twitter en ik ook mijn oerdegelijke nokia inruilde voor een smartphone (hoezo 'mini'? Hoe hou je dat ding in godsnaam vast achter het stuur?! Mag dat niet? Dan heb ik niks gezegd. Reuzehandig zo'n tutsjskrien. Vanaf nu nooit meer gevaarlijke verkeerssituaties door mijn toedoen), nu ben ik, in een poging de door mij gemiste trein der vooruitgang alsnog te halen, verslaafd aan scrabbelen op een schermpje. Met mijn vader, mijn nichtjes in Berlijn in het Duits en ik zocht zelfs tegenspelers in het Italiaans.
Maar er was deze week een ander soort vooruitgang. Eentje zonder dubbele woordwaarde. Eentje die je bij leven altijd wint. Na twaalf vol gesnoten rollen toiletpapier stond ik nu te proesten in een enorme luierdoek (dus daarom moesten die steeds meeverhuizen). Eenmaal uitgeniesd wreef ik gedachteloos over mijn voorhoofd. Waar zich opnieuw een zeurende hoofdpijn aandiende.
En daar zaten ze!
Twee echte,
niet erg diepe,
maar hele pure!
Vierenveertig jaar heb ik er dagelijks op geoefend. Door te lachen, te huilen, te schreeuwen, puistjes uit te knijpen, baardharen uit te trekken, tegen de zon in te turen, te fronsen en te verbazen.
Mijn hoogstpersoonlijke plooien van vlees en bloed! Ook wel oneerbiedig als 'rimpels' aangeduid.
Met smart is het nu wachten op de dag dat mijn eerste grijze haren gaan verschijnen. Wellicht zal ik dan eindelijk volwassen wijsheid uitstralen en kan ik het imago van jong blondje voorgoed achter me laten.
Leve de leeftijd!
dinsdag 10 juli 2012
Positivo
"Welke dag is het, moet ik naar school? "Ik haat school, school is saai." 's Morgens, nog voordat Kees' ogen opengaan, zijn dit zijn woorden als hij rond zes uur naast me wakker wordt. Meestal komt hij om één uur 's nachts met een poeslieve glimlach mijn kamer binnen, checkt of broer Leo zijn plek in mama's bed niet al heeft ingepikt en rolt zich dan als mummie in mijn dekbed. Om drie, vier of vijf uur wordt hij vaak even wakker. Dat hoort bij zijn ziekte. Zo weten we sinds een jaar. Soms zakt hij door zijn benen, zoals gister, toen hij aan het tandenpoetsen was, en onderuit ging. Ik was blij dat hij niet net op de trap liep. Ook dat hoort er bij. En slapen overdag. Ook. Dikker worden. Hoort er ook bij. Hij nam zich voor om af te vallen en heeft zijn Sint Maarten snoep nog steeds. Weggooien mag ik het niet. Zijn tong die uit zijn mond hangt of slap wordt, zodat kinderen hem niet verstaan, zijn nekspieren die slap worden als hij lacht, elke dag minstens één pestbui. Of is ontroostbaar. Hoort er allemaal bij. En dat valt niet mee. Als je acht jaar bent. Op een maandagmorgen. Als je naar school moet.
Maar zodra er ontbeten kan worden is het goed. Yoghurt of pap en als het even meezit ook de halve of hele boterham die ik voor mezelf had bedoeld. Hij geniet er van.
"Zullen we een andere route naar school nemen?"
"Goed"
"Dan kunnen we zien hoe ver ze zijn."
"Goed"
"Kijk, dat wat daar op de muur staat, daar ben ik het wel mee eens. Nu bouwen ze er tòch huizen"Bomen brengen vast te weinig geld in het gemeentelaatje voor zulke dure bouwgrond.
Kees denkt even na en zegt dan: "Ja, maar de mensen moeten toch ook ergens leven?"
Gelijk heeft ie. En er moet natuurlijk ook worden gegeten. Dus rooide hij diezelfde dag de aardappels. Uit het kindertuintje van zijn broer. Die huiswerk moest maken.
Maar zodra er ontbeten kan worden is het goed. Yoghurt of pap en als het even meezit ook de halve of hele boterham die ik voor mezelf had bedoeld. Hij geniet er van.
"Goed"
"Dan kunnen we zien hoe ver ze zijn."
"Goed"
"Kijk, dat wat daar op de muur staat, daar ben ik het wel mee eens. Nu bouwen ze er tòch huizen"
Kees denkt even na en zegt dan: "Ja, maar de mensen moeten toch ook ergens leven?"
Vanavond kwam er iemand aan de deur die naar hem vroeg. Hij had de eerste prijs gewonnen van een geschiedenisquiz. Een boekenbon van vijftien euro. Daar koopt hij misschien het volgende deel van 'Mees Kees' van. "Want", zo zegt mijn zoontje, "dat is een meester waar je blij van wordt."
Labels:
boek,
groentetuin,
kinderen,
kindertuin,
Mees Kees,
volkstuin,
voorlezen,
ziek
zondag 29 januari 2012
350 Z
Kleine Kees is autofreak. Ik niet. Heb weinig met auto's. Maar Kees laat het er niet bij zitten. Hij praat me graag bij over spoilers, velgen, series van Audi en BMW. Over mini-coopers cabrio. En, met een beetje inspanning, lukt het me steeds beter om me te verplaatsen in zijn aanbidding van rijdend blik.
"Ken jij de Nissan 350 Z?" vroeg hij, toen we, met een stuk of dertig bezwete shirtjes in een enorme sporttas achterop de fiets, terugkeerden van zijn basketbaltoernooi. Nee, de 350Z kende ik niet. Hij zou hem wel even laten zien. Er stond er namelijk één verderop in de straat, helemaal aan het eind. Het was zaterdag, dus we hadden alle tijd. En Kees nàm de tijd. Om foto's te maken van de auto, het nummerbord, de bekleding, het merk, het serienummer en tenslotte liet ik hem natuurlijk poseren voor die supercoole bak.
Dit keer ging hij míj bevragen (als moeder moet je de tijd waarin je nog kunt door gaan voor de almachtige allesweter koesteren)
"Is er ook een merk van Limousine?"
"Volgens mij is dat een koeienras. Vroeger, toen er nog bijna geen auto's waren, gaven ze namen van koeienrassen aan auto's. Limousine, Chevrolet..."
Kees: "Wat is een ras?"
Ik: "Een koeienmerk"
"En die koeien zijn naar een streek genoemd. Kun je lekker met een limousine naar de Limousin, in Frankrijk." (Hoewel wikipedia het heeft over De schapenherders aldaar hadden lange mantels... hm, ik geloof het niet zo. Kip en ei. Herder en streek).
Thuisgekomen wachtte mij de schone -en dagelijkse terugkerende- taak om Kees er toe te bewegen te gaan dutten. Hij heeft namelijk de slaperitis. En een goed dagritme, met één à twee dutten per dag, is eigenlijk het enige wat soelaas biedt. Maar als je zeven jaar bent, heb je daar niet altijd trek in. Want er zijn natuurlijk vriendjes, lego, er moet getekend en gesport en wat al niet meer. En wat het nog ingewikkelder maakt, door die slaperitis wordt hij prikkelbaar. Als hij moe is nog meer. Of nee, hij ìs helemaal niet moe, alleen vallen zijn ogen soms dicht. Als hij stilzit, gaat liggen, in de auto zit of achterop de fiets. 'Ik haat mijn ogen, mag ik lopen?', zei hij, toen dit acht maanden geleden voor het eerst gebeurde. In hartje Amsterdam.
Vrijdag was het weer mis. Ik leverde hem redelijk goedgemutst af bij een vriendje. En zei tegen de moeder dat een dutje wel fijn zou zijn, maar niet absoluut noodzakelijk. (ik zadel medemoeders niet graag op met een kind dat moet en niet wil slapen). Tegen vijven werd Kees opgehaald door zijn vader (die een deurtje naast het mijne woont, zodat me weinig van de kinderen ontgaat en zij bij beide ouders naar binnen kunnen lopen) en ik hoorde ze, met Kees brullend (en later vader ook) voorop, de straat in fietsen. Kees gooide zijn schoenen in een hoek (zodat ze vanmorgen onvindbaar waren en we te laat kwamen bij het toernooi), stampte naar boven, smeet de deur van de televisiekamer dicht om daar vervolgens, na twee tellen, op de bank in slaap te vallen.
Hij was na een uur moeilijk wakker te krijgen. Hij praatte, ontkende te hebben geslapen en toen hij eindelijk goed wakker was, was het alweer etenstijd. Hoe eerder de dut, hoe korter de dut, hoe beter zijn hum. Andersom geldt ook.
Hij smulde van de rijst en zalm. Frans, die langskwam om een was te draaien, at mee. Kees tipte zijn twaalf jaar oudere broer over chocoladesigaretten. Dat zou misschien kunnen helpen bij Frans' poging om te stoppen met roken. Kijk, daar hou ik van. Daar smelt ik van.
Nu ging het soepel. Terug van basketbal en de auto-fotosessie zei Kees: "Ik eet een broodje, dan yoghurt en dan ga ik slapen." Geen rondvliegende schoenen, geen knallende deuren. Alleen een stukje gedroogd crueslifruit, dat half uit zijn mond hing en dat ik er uithaalde, omdat hij, wederom met een snelheid van 380 km per uur, op de bank achter de buis in slaap viel. Met de laatste hap yoghurt nog in zijn mond.


Toen hij -uit zichzelf- wakker werd lachte het leven hem weer toe. Zelfs de rij rode sportshirtjes die her en der door het huis hingen, vond hij mooi. Ik vouwde ze later op, op dezelfde bank als waar Kees zijn dutjes doet. Deed gelijk die van Frans er bij. Die, in één was, vijftien eenlingen had zitten! Overal hetzelfde liedje.
Er schijnt een appje te bestaan. Die een wekker heeft die 'aanvoelt' wanneer je in je 'lichte slaap' bent. Zodat je je makkelijker laat wekken. Door die wekker. Of door je moeder.
In februari ga ik, met Kees, drie mensen ontmoeten. Twee kinderen en één volwassene die ook de slaperitis hebben. De term is door één van hen bedacht. Klinkt leuker en vriendelijker dan narcolepsie. De meeste medici weten er nog weinig van. Van het hoe en wat en waarom.
Maar ik intussen wel. Zo'n Nissan 350 Z lijkt me een prima middel. Blijft ie vast van wakker. Dan zet ik hem zelf achter het stuur. En dan maar hopen dat ie de pizzeria van Frans niet binnenrijdt. Zoals een jongen van vijftien zaterdag deed. Maar het beste medicijn, voor kinderen die 's nachts ook lijden aan wakkeritis, is om één of vier uur 's nachts bij je moeder in bed kruipen. Doen andere kinderen met wakkeritis ook. En de dokter vond het een goed plan.
Het is inmiddels zondagavond. Kwart voor tien. Ik hoor de wc doorspoelen. Even later staat Kees met een grote grijns in de deuropening.
Hij geeft me een kus.
en wacht verwachtingsvol
Ik: 'Jij wou zeker bij mij slapen?'
Kees: 'Ja' (nog grotere grijns)
'Kruip er dan maar gauw in'
Buiten sneeuwt het.
Ik hoor een sleutel in het slot
Frans haalt zijn was op.
We eten samen restjes rijst.
Dit keer ging hij míj bevragen (als moeder moet je de tijd waarin je nog kunt door gaan voor de almachtige allesweter koesteren)
"Is er ook een merk van Limousine?"
"Volgens mij is dat een koeienras. Vroeger, toen er nog bijna geen auto's waren, gaven ze namen van koeienrassen aan auto's. Limousine, Chevrolet..."
Kees: "Wat is een ras?"
Ik: "Een koeienmerk"
"En die koeien zijn naar een streek genoemd. Kun je lekker met een limousine naar de Limousin, in Frankrijk." (Hoewel wikipedia het heeft over De schapenherders aldaar hadden lange mantels... hm, ik geloof het niet zo. Kip en ei. Herder en streek).
Thuisgekomen wachtte mij de schone -en dagelijkse terugkerende- taak om Kees er toe te bewegen te gaan dutten. Hij heeft namelijk de slaperitis. En een goed dagritme, met één à twee dutten per dag, is eigenlijk het enige wat soelaas biedt. Maar als je zeven jaar bent, heb je daar niet altijd trek in. Want er zijn natuurlijk vriendjes, lego, er moet getekend en gesport en wat al niet meer. En wat het nog ingewikkelder maakt, door die slaperitis wordt hij prikkelbaar. Als hij moe is nog meer. Of nee, hij ìs helemaal niet moe, alleen vallen zijn ogen soms dicht. Als hij stilzit, gaat liggen, in de auto zit of achterop de fiets. 'Ik haat mijn ogen, mag ik lopen?', zei hij, toen dit acht maanden geleden voor het eerst gebeurde. In hartje Amsterdam.
Vrijdag was het weer mis. Ik leverde hem redelijk goedgemutst af bij een vriendje. En zei tegen de moeder dat een dutje wel fijn zou zijn, maar niet absoluut noodzakelijk. (ik zadel medemoeders niet graag op met een kind dat moet en niet wil slapen). Tegen vijven werd Kees opgehaald door zijn vader (die een deurtje naast het mijne woont, zodat me weinig van de kinderen ontgaat en zij bij beide ouders naar binnen kunnen lopen) en ik hoorde ze, met Kees brullend (en later vader ook) voorop, de straat in fietsen. Kees gooide zijn schoenen in een hoek (zodat ze vanmorgen onvindbaar waren en we te laat kwamen bij het toernooi), stampte naar boven, smeet de deur van de televisiekamer dicht om daar vervolgens, na twee tellen, op de bank in slaap te vallen.
Hij was na een uur moeilijk wakker te krijgen. Hij praatte, ontkende te hebben geslapen en toen hij eindelijk goed wakker was, was het alweer etenstijd. Hoe eerder de dut, hoe korter de dut, hoe beter zijn hum. Andersom geldt ook.
Hij smulde van de rijst en zalm. Frans, die langskwam om een was te draaien, at mee. Kees tipte zijn twaalf jaar oudere broer over chocoladesigaretten. Dat zou misschien kunnen helpen bij Frans' poging om te stoppen met roken. Kijk, daar hou ik van. Daar smelt ik van.
Nu ging het soepel. Terug van basketbal en de auto-fotosessie zei Kees: "Ik eet een broodje, dan yoghurt en dan ga ik slapen." Geen rondvliegende schoenen, geen knallende deuren. Alleen een stukje gedroogd crueslifruit, dat half uit zijn mond hing en dat ik er uithaalde, omdat hij, wederom met een snelheid van 380 km per uur, op de bank achter de buis in slaap viel. Met de laatste hap yoghurt nog in zijn mond.
Er schijnt een appje te bestaan. Die een wekker heeft die 'aanvoelt' wanneer je in je 'lichte slaap' bent. Zodat je je makkelijker laat wekken. Door die wekker. Of door je moeder.
In februari ga ik, met Kees, drie mensen ontmoeten. Twee kinderen en één volwassene die ook de slaperitis hebben. De term is door één van hen bedacht. Klinkt leuker en vriendelijker dan narcolepsie. De meeste medici weten er nog weinig van. Van het hoe en wat en waarom.
Het is inmiddels zondagavond. Kwart voor tien. Ik hoor de wc doorspoelen. Even later staat Kees met een grote grijns in de deuropening.
Hij geeft me een kus.
en wacht verwachtingsvol
Ik: 'Jij wou zeker bij mij slapen?'
Kees: 'Ja' (nog grotere grijns)
'Kruip er dan maar gauw in'
Buiten sneeuwt het.
Ik hoor een sleutel in het slot
Frans haalt zijn was op.
We eten samen restjes rijst.
zaterdag 9 juli 2011
Strani Italiani
"Dit moét je lezen."
In het geval ik de persoon die dit zegt, èn diens boekensmaak mag, geef ik er, een enkel keertje, gehoor aan. Andersom gebeurt veel minder. Ben er de persoon ook niet naar om te veronderstellen dat mijn smaak strookt met die van een ander. Maar ook hierop maak ik, heel soms, een uitzondering. En hoewel ik op het punt sta om hier een dergelijk arrogante uitspraak te doen -alsof er niet nog een miljoen andere boeken op lezing wachten die vele malen mooier zijn-, volgt allereerst een kanttekening.
Over de stijl van de schrijver niets dan lof. Maar, ik vrees dat de inhoud, alleen voor gewezen (en deels genezen) Italofielen als ik, ècht leuk is (over arrogantie gesproken). Want een ieder die niet thuis is in de schizofrene houding t.a.v. giftige kersen, Communistische schranspartijen of gynaecologen 'di fiducia', zal wellicht slechts met groeiend ongeloof dit boekje doorlezen. Wel, voort hèn luidt de boodschap:
"Het is allemaal wáár."
Want Italiaanse kinderen wórden van de wieg tot het graf verzorgd.
Dat hóórt zo. Ze zíjn ziekelijk gepreoccupeerd met hun gezondheid (ook de alternativo's). Ze betálen zich scheel aan zwartwerkende (private) doktoren/loodgieters/stucadoors/ vul maar in*. En lopen hiermee te koop. Dat geeft status. (*Niets doorstrepen want het is allemaal van toepassing). Ze aanbidden ècht hun mamma's en willen het liefst tot hun zestigste bij hen in de buurt wonen. Op kamers wonen?, uitvliegen? Wat is dat voor modern gedoe.
Onnavolgbaar is ook hoe ze met bewondering en verachting op-/neerkijken tegen/op hen die een baantje bij de overheid hebben. Net als de wijze waarop deze betrekking is verkregen. En de uitgesproken manier, want dat zijn Italianen wèl vaak, uitgesproken, waarop wordt gepraat over
tomatensaus/ belastingpapieren/ gras/ bloeddruk/ de maan/ schoonmaken en alles wat zoal in het dagelijks leven voorbij komt en waar men zich maar enigszins een mening over zou kúnnen vormen.
Ok, ik hou op. Want èrgens hou ik toch wel van dat land. En haar inwoners. Veel zelfs. Aldus. Italianen nemen, ondanks een rijke wijncultuur, weinig alcohol tot zich. Zeker jongeren. Dronkenschap op straat is not done. Misschien leven ze zich daarom uit op de Istiklal Caddesi in Istanbul. Ver van huis. Ik hoorde daar verdomme tot 4 u 's nachts alleen maar Italianen brallen. Nee, Lehti, positief blijven!
Aldus. Het is een verademing om in een willekeurige Italiaanse stad 'fare le vasche', oftewel kijken en bekeken worden, op en neer te lopen zonder al dat bier dat bij dergelijke gelegenheden door Tedeschi wordt gehesen. Ook is de Italiaanse keuken verre te verkiezen boven de Nederlandse. Al gaan ze met dat koken soms wat spastisch om.
Geen brood op tafel? Dan wordt de sla niet aangeraakt. Onmogelijk. Linzensoep met vermicelli? Schande! daar horen van die kleine vlindertjes in. Desnoods 'ditalini' (vingertjes). Hoewel die toch eigenlijk bij de bonen passen.
Ok, basta. Ik woon er niet meer. Hoef me niet meer tig keer per dag om te kleden, mijn kinderen van kraakheldere kleding te voorzien en in gestreken uniform op school af te leveren. Waar ze de hele dag binnen zitten want de speeltuin is voor het gemak afgebroken. Ze zouden zich eens kunnen bezeren. Geen steekpenningen voor een werk- of verblijfsvergunning meer. Geen boerse carabinieri meer. Geen postkantoren en benzinestations waar één of ander bollo (zegel) moet worden gehaald voor één of ander reuze belangrijk formulier. Geen 'contacten' meer om onder de voortreffelijke Italiaanse wetgeving uit te komen, waar niemand iets van snapt en geen hond zich aan houdt.
Maar... zodra ik kan,.... deze zomer..... smeer ik 'm toch weer zuidwaarts.
Om weer te weten hoe de echte pizza bianca al taglio smaakt. Slechts voorzien van roosmarijn en grof zout. Want meer is niet nodig. Om, aan de kant een provinciale weg, een broodje 'porchetta' te eten (een heel varken vol venkel). Om op luide toon, druk gesticulerend, te discussiëren over om het even wat, bij een kop espresso, die nog een uur lang nagalmt op je palato. Wat nou capuccino?, dat is ontbijt voor watjes, man, streng verboden na tien uur!
Lees déze en andere voorschriften er maar op na in "Italiaanse buren". Het is met liefde geschreven. De auteur, Tim Parks, doet een geslaagde poging om de Italianen te begrijpen en laat tevens zien dat Noorderlingen, in de ogen van Italianen, al even vreemde wezens zijn. Vertaald door C.M.L. Kisling. Ook geschikt voor degene die het land dit jaar bezoeken.
Laat je niet afschrikken. Het is een heerlijk land. Vol strani Italiani.
Je moet dit lezen. En er dan heen gaan. Echt. Goditelo (geniet ervan).
maandag 16 mei 2011
Koperkut
.... of eigenlijk is 'het kutkoper' een passender titel. Nee, niet 'de', ik bedoel echt 'het'. Want het betreft hier geen afnemer van spleten, maar het metaal dat tegenwoordig zo prijzig is dat diefstal ervan de spoorwegen onregelt, kerktorens brandgevaarlijk maakt vanwege het afknippen van bliksemafleiders en dat de koperopkoper -nu wel weer 'de'- in het verdomhoekje drukt omdat die niet afdoende navraag zou doen naar de duistere herkomst van dit gewilde goedje. Van koper dus.
Juist omdat het zo prijzig is, heb ik onlangs voor het eerst een lekkende loden waterleiding vervangen door een witte plastic buis. Niet door koper. Dat is dan natuurlijk de buitenkant, de binnenkant en de koppelstukken zijn namelijk weer wel van dit zo wonderlijk riekend rode metaal. Ook nog van koper was de aansluiting naar de meter en de badkamerkraan. Kortom, nog koper zat.
Als ik met water aan de slag ga, gaat de hoofdkraan dicht. Logisch. En als er geen water is, was ik minder vaak mijn handjes. Ook vrij logisch. En hoewel ik mezelf best hygiënisch vind, nam ik het bij deze klus niet zo nou. Lunchte dus met vieze handjes tussen het solderen van een muurplaatje en het aansluiten van de stortbak door. En nu heb ik last van overmatige afscheiding. Niet de waterleiding lekt, niks mis met die plastic buis, maar mijn kut. Geen oorzakelijk verband, zou je zeggen. Want ik werk dan wel behoorlijk chaotisch, maar ik stop die koppelstukken ècht niet in mijn vagina.
Eenmaal bij de huisarts, vraag ik waar deze onschuldige, doch niet zo praktische aandoening vandaan komt. (hoef me als loodgieter niet te schamen voor nattigheid op mijn werkkleding, een nat kruis zal vast minder opvallen dan bij een mantelpak). De dokter blijft vaag.
Ik opper iets met hygiëne?,
Nasleep van mijn miskraam?
Seks?
'Nee', zegt de dokter, 'Nonnen kunnen het ook krijgen.' (mijn gevatte reactie hierop laat zich raden).
Terwijl hij een recept voor een 'vaginaal paasei' intypt, mompelt hij dat je het ook van 'koperen waterleiding kunt krijgen'.
Pardon???, Wát zei u daar?!
Ik heb me zojuist dagenlang met koper omgeven! Moet ik dit euvel nu scharen in de categorie bedrijfsgerelateerde ziekten?!
Nadat het recept via de digitale snelweg bij mijn apotheek is beland, gaat het gesprek verder over anticonceptie. Een spiraal wel te verstaan. Op een model van een vagina, ter grote van een blikje nachtcrème, laat hij geduldig zien hoe het inbrengen er van in zijn werk gaat.
Heeft de werking hiervan niet met koper van doen, dokter? Nee, mevrouw, die dingen zijn tegenwoordig van veel vriendelijker materiaal.
Ik meen toch iets groens te ontwaren.
Kutkoper.
Abonneren op:
Posts (Atom)