Posts tonen met het label Groningen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Groningen. Alle posts tonen

woensdag 31 augustus 2022

Dansende Stadjers

Gister was het zover; het verbouwde, verduurzaamde stadhuis van was binnen te bewonderen voor publiek. Dat mocht zelfs nog vóór de officiële opening met genodigden, want die vond vandaag pas plaats. Getuige de lange rij op de Grote Markt was men erg nieuwsgierig. Die rij viel ook te bewonderen op de webcam. Wat die webcam niet liet zien was dat de wachtenden na zeven uur nóg iets te zien kregen: dansende Stadjers die genieten van de zomer. Hieronder een kleine indruk.  



Het stadhuis bewonder ik vast nog eens op een later moment in de toekomst.




donderdag 30 januari 2020

Liften moet je doen

Mijn steekkar maakt een mooi spoor in de pasgevallen sneeuw. Aangekomen bij mijn klusbus laad ik de kistjes gereedschap op de achterbank. Vanuit mijn ooghoek zie ik een groepje pubers op de stoep staan, ligt ineengedoken in een kringetje. Hun aandacht is waarschijnlijk gericht op de smartphone van één van hen. Maar dat kan ik niet zien want ze staan met hun ruggen naar buiten gericht.

Nadat ik de sneeuw van mijn spiegels en voorruit heb geveegd, eet ik in de auto nog snel even mijn vergeten lunch op, pleeg wat telefoontjes en keer mijn auto. Ik ben lekker vroeg vrij. De sneeuw is intussen weggestroomd met de regen, die nu met geweld uit de hemel valt. Raar weer.

Al laverend tussen de vele fietsers door zet ik koers naar huis. Drie straathoeken verder zie ik het groepje jongens opnieuw. In eenzelfde kringetje. Dit zijn overduidelijk geen Pieterpadlopers die voor de fun door de regen banjeren. Daarvoor ontbreken de Nordic walkingstokken en de Gaastra jassen. Deze jongens dragen slechts een papieren tas. Of meer de flarden die daar van over zijn.

Ik doe het bijrijdersraampje naar beneden en roep: 'Zoeken jullie iets?' De jongens kijken op van onder hun capuchons en lopen door elkaar pratend mijn kant op. Ze lijken lichtelijk in paniek. Uit hun half Engelse, half Duitse antwoord maak ik op dat ze hun klas zijn kwijtgeraakt en dat ze naar het Groninger museum moeten, van waar hun bus over tien minuten vertrekt. 
Het Groninger museum? Dat is compleet de andere kant op! De stakkers.  

Ze zijn met z'n vijven, dat zou net passen. Probleem is echter dat alle zitplaatsen al volstaan. Ik stap uit en zet de commandomodus aan. 'I will bring you there but first you have to help me to make some space.' Uitgelaten nemen ze de kistjes gereedschap van me aan en nadat de accuboren, schroevenbakken en verfbenodigheden schots en scheef in het laadruim staan, persen de jongens zich dicht tegen elkaar aan in mijn klusbus. 

Wat hou ik toch van deze leeftijd. Jongens met zware basstemmen en het postuur van een uitsmijter in spé maar met een houding die die van een kleuter nauwelijks ontstijgt. Het roept terstond de opvoeder in mij boven. Net als ik de dag eerder deed met mijn zoon van dezelfde leeftijd. Die me appte of ik hem van school kon halen vanwege een lekke band. 'Ja', schreef ik toen terug, 'Maar bij thuiskomst gaan we dan gelijk je band plakken.' Dit keer taxi ik vijf verloren pubers tegelijk. 

Als we door de Ebbingestraat rijden wijs ik ze op de vele voetgangers. 'If you get lost again, it might be better to ask one of them instead of checking your smartphone. All those people know where the Groninger museum is'. Eén van hen geeft toe: 'Yes, we are dumb'.

'Nou, jullie zijn vast niet dom, alle jongens van jullie leeftijd wonen in hun foon, dat doen mijn zoons ook. Maar soms is de weg vragen aan vreemden handiger dan internet. Belerend voeg ik er aan toe: 'Wat andere volwassenen jullie ook wijsmaken, als jullie later nog 's gaan reizen, ga dan vooral liften, dan ontmoet je nog 's iemand.'

Op de Eendrachtskade staat het zoals altijd vast. Het volume van mijn gezelschap stijgt. Eéntje belt opnieuw de docent om te zeggen dat ze er met vijf minuten zijn, dat ze worden gebracht door een 'Nette Frau'. Ik zeg dat ze vast boos op hen zullen zijn. 'Yes, very angry', antwoorden ze in koor. 

Exact om 14.20 uur stuift het vijftal uit mijn auto en steekt de weg over naar de al klaarstaande bus die na hun instappen gelijk de deuren sluit en vertrekt. Ik wacht nog even om te zwaaien, zodat de docenten kunnen zien dat die met plamuur en purschuim besmeurde Nette Frau geen enge heks is. Maar of ze daaruit de les trekken om toch vooral met vreemden mee te gaan betwijfel ik.

Op de grond voor de bijrijdersbank resten wat flarden van een natgeregende papieren tas.







zondag 29 september 2019

Over verdwaalde jagers en dansen in een dorp (2)

(deel 1)

Na hun vertrek lurkte ik aan mijn alcoholvrije Bavaria, rookte een shagje en keek vanuit mijn ooghoek naar de flirtende mensen aan de tafeltjes naast me. Al was flirten misschien niet de juiste term voor het onstuimig zoenen dat ik gadesloeg. Was dit wellicht wat de barvrouw bedoelde met 'verkeerde figuren'?

De aanblik van al dat opnaaien was allerminst onaangenaam, maar, zo bedacht ik me, was dansen niet het doel geweest van mijn komst naar het centrum? Drinken en roken kon ik thuis ook. Dan zelfs met alcohol. Al was de tv minder prettig vertier dan hier een beetje de voyeur uithangen. Wellicht was mijn ex toch niet naar de bejaardendisco gegaan. Daar kwam ik gauw genoeg achter.

Ik wandelde over de Grote Markt. Genoot van giebelende groepjes studenten die in het Duits, Frans en Spaans discussieerden. Over dat één van hen moest pissen. Of waar ze heen zouden gaan. De nachtelijke, natgeregende stad bleef een genot om alleen doorheen te lopen. Net zo mooi als toen ik hier twaalf uur eerder liep, op jacht naar een cadeautje voor mijn vriendin.

Vanmorgen was de markt bevolkt geweest door jonge gezinnetjes. Zouden die, voordat ze zich settelden, ook lallend door de stad hebben gelopen? En zich ook pas over tien jaar weer in het uitgaansleven storten? Jammer genoeg moest daar vaak eerst een scheiding aan vooraf gaan. Swingen met een trouwring was vast ook iets vreselijks fouts.

Ik gluurde door de klapdeuren. Het was rustig maar de dansvloer was vol. Er was geen ex te zien en ook de Drenten schitterden door afwezigheid. Die waren wellicht elders iets leuks gaan doen of waren een potentiële prooi tegengekomen. Ik ging los op grijsgedraaide evengreens als 'Freedom' and 'I like you'. 

Tegen enen dreigde de barman in slaap te vallen en dropen er mensen af. Ook voor mij werd het tijd om te gaan. Teruglopend naar de auto passeerde ik opnieuw de foute-figuren-kroeg. Mijn nieuwsgierigheid won het van de roep om slaap. De tafels waren zoals aangekondigd aan de kant geschoven en een paar beentjes gingen ook hier van de vloer. En daar, aan de rand van de dansvloer, zaten de twee Drenten. Ze hadden de bejaardendisco niet kunnen vinden. Arme kerels. Te meer daar hun taxi kort erop klaar zou staan aan de Rademarkt. Hoe ver dat lopen was, wilden ze weten.

Als de tijd dringt valt schaamte soms weg. Al kan het ook aan hun drankgebruik hebben gelegen. Maar ik was aangenaam verrast toen ik zag hoe de heupen van één van hen swingden en onder de indruk van het ritmische voetenspel. Allemachtig, dat was pas dansen!

Of ik ook op internet zat, wilden ze nog weten. Misschien was het een omslachtige manier om mij online op te sporen? Naar mijn nummer vragen was slimmer geweest. Tinder, Badoo, Lexa? .... ze noemden een reeks datingsites op die ik niet allemaal kende. Ik tipte hen dat je bij daten beter samen iets leuks kon gaan doen dan gelijk af te spreken voor een drankje in de kroeg. Wandelen of fietsen, schaatsen of schaken. Of dansen natuurlijk. Als je dan na een eerste blik op je date gelijk wilde wegrennen, had je in elk geval iets leuks gedaan.


Zondag ontwaakte ik nuchter naast mijn eigen spinnende jager. Garfield sprong uit bed en nam miauwend plaats bij de deur. Toen die openging, spurtte ze naar buiten. De hort op.

donderdag 6 september 2018

Ziet armoe er zo uit?

Na het werk heb ik wel een visje verdiend. Maar bij een winkelcentrum waar ik vroeger wekelijks kwam, hangt rond de tijdloze blauwe kar geen viswalm en de luiken zijn dicht. Hoewel de haring in gedachten al bijna in mijn keel glijdt, moet ik op zoek naar iets anders. Loempia is bij lekkere trek ook niet verkeerd. En kost de helft. 

Vlak naast me staat een auto geparkeerd met een slapende bestuurder. Met misplaatste trots meen ik hier een man te spotten die, net als mijn zoon, narcolepsie heeft. Iemand die noodgedwongen even een dutje doet. Maar het kan net zo goed een vader zijn die op zijn papadag te moe of te stoned is om te kunnen rijden. Naast hem zit een meisje, op de achterbank een jongetje. Ze zitten zwijgend in de auto, het raam staat op een kier.

Bij de loempiakar staan twee dames te kletsen. Een dikke en een dunne. Beiden richten af en toe het woord tot een mollige kleuter. Gezien de omvang van het kind, meen ik dat de dikke haar moeder moet zijn, maar de dunne slaat een bitsere toon naar het kind aan. En je afreageren op kinderen is nu eenmaal voorbehouden aan ouders. In afwachting van hun bestelling dribbelt het kind twee meter bij de kar vandaan. Achter een duif aan. 'Een beetje beweging is goed voor d'r', zegt mams. Maar twee tellen later beveelt ze het kind te gaan zitten want mama moet roken. Ze trekt zich terug achter het glazen windscherm. Het meisje wil weer achter de duif aan maar er wordt gedreigd dat ze dan geen lekkers krijgt: 'Zitten blijven, zei ik je!'. Het kind zwijgt. Ik doe een rode klodder uit een fles waar 'hot' op staat op mijn loempia.

De textielreus is vervangen door een 'Internationaal supermarkt'. Ai, waarom laten mensen hun teksten niet even checken voordat ze die, in koeienletters, op hun winkelpui plakken? Misschien kent de 'internationaal' eigenaar geen Nederlandssprekenden?

Waar eens een drogist zat, is nu een Albert Heijn gevestigd. Ik besluit mijn OV-kaart op te laden. De paal staat op een bizar onhandige plek tegenover de servicebalie. Alwaar een sjofel ogend stel probeert twaalf flessen drank te retourneren. De medewerker bezweert hen dat ze toch echt de bon nodig heeft. Anders klopt 'het systeem' niet. 'Die is weg' zegt de man droog, maar ze blijven stoïcijns staan. Mijn systeem klopt ook niet, de OV-kaart is verlopen. 

De Primera, zo'n winkel waarvan je nooit echt snapt wat ze verkopen, is er nog wel.  Ooit liet ik hier mijn foto's afdrukken, kocht er postzegels en de papieren krant. Zaken uit een voorbije eeuw. Buiten zitten twee mannen op een bankje. 'Hangen', past misschien beter bij hun manier van zijn.  'Wordt ze nu haar huis uitgezet?'  vraagt man 1. Man 2 weet zeker van niet, want : 'Dan word je toch zeker eerst gewaarschuwd?' Ik krijg een beeld van lades met uitpuilende post. Met aanmaningen, dwangbevelen en aangekondigde executieverkopen.

Als ik terugkom op de parkeerplaats is de auto met de slapende man met de kinderen verdwenen. Hopelijk hebben ze een leuke papadag.

zondag 15 juli 2018

Karretjes en doosjes bouillonblokjes

De intercom zoemt onafgebroken maar de man roept naar het roostertje dat het niet lukt. Hij probeert een steekkar met een stapel plastic stoelen door de flatdeur te krijgen, de strak afgestelde dranger belet hem de doorgang. Als ik naar boven kijk lees ik op een laken dat over het balkon hangt: 'Hoera, opa wordt 65!. Zou opa zijn eigen verjaardagsstoelen van de buren zijn gaan lenen?

In het lommerrijke Molukkenplantsoen heeft een andere karrenman het makkelijker. Op zijn kar staat iets dat het midden houdt tussen een zonnepaneel en een halve tafeltennistafel. Bijna huppelend duwt hij het ding voort. Ik word ingehaald door andere karretjes. Elektrische exemplaren. Niet het soort dat ik net bij de kartbaan achter de zwarte muur hoorde scheuren. Maar dat waren dan ook 'karts' en geen 'karren'. Toch wel een verschilletje, zo kon ik onlangs zelf ervaren. Na acht rondes waarin ik braaf voor elke bocht remde en instuurde, werd ik door mijn snellere zoons ingehaald. Uit de bocht vliegen doe je niet met zo'n ding.

Er heerst een drukte van belang bij de Beren, het prachtige nieuwbouwproject op het Cibogaterrein. Tussen het winkelend publiek loopt een vrouw in een lange grijze jurk en dito haren. De grijs van het haar en wellicht het haar zelf ook, is nep. 'Dat hebben ze tegenwoordig zo', zou mijn oma, zelf gezegend met lang grijs haar, daarover hebben gezegd. De grijze jongedame duwt een kar voort van het soort dat je normaliter aantreft bij een bouwmarkt of Ikea. Misschien gaat ze er mee verhuizen. Met een studentenkamer van zes vierkante meter, zou haar inboedel er best op passen.  

In het Noorderplantsoen wisselen kinder- en invalidenkarretjes elkaar af. De meeste kinderexemplaren zijn leeg. Twee invalidenkarren bij de vijver ook. Ze lijken er lukraak neergezet. Net als de exemplaren die mijn portiek opleuken en waar ik langs moet laveren als de bovenburen weer eens immobiel bezoek hebben. De meeste karren houden niet van traplopen. Hoewel ik in Venetië steekkarren zag met aan beide zijden drie wielen. Die namen met gemak de getrapte bruggen.

Sommige karren worden voortgeduwd door het kind waar het voor dient. Dat kijkt dan naar de grond of tegen de rugleuning van de buggy. Een vader grijpt nog net op tijd zo'n ongeleid projectiel vast dat de drukke tweewielerbaan door het park wil oversteken. Ooit liep ik hier zelf met zo'n kar, en een aanhangplank op wielen.  

Bij de China Expres staat een onverwoestbare stalen steekkar met dikke zwarte banden. Voor zakken rijst of kratten tomaten. De kar wordt geflankeerd door twee witte leeuwen. Chinezen hebben iets met leeuwen. Dezelfde beesten zie ik verderop bij het tuinpad van een burgerlijk voortuintje. In plaats van een steekkar staat er een idyllische molen naast. Zulke accessoires geven toch sfeer.

Bij het tuincentrum aan de andere kant van de stad, ga ik even zitten. Een ratelend ritme van karretjes vol groen vult de parkeerplaats. Wat een prachtige uitvinding is dat toch: karren om feeststoelen, bejaarden, baby's, rijst, je huisraad en zelfs bomen mee te vervoeren. Toch lijkt deze vondst te worden overtroffen door een andere uitvinding. Een ding zonder wielen ter grootte van een doosje bouillonblokjes. Je kunt er stoelen mee kopen, ze laten bezorgen, een oppas zoeken, of de liefde, of ruzie. Je kunt er mee schaken, je examenuitslag mee checken of je aandelenkoers. Je kunt er je kind mee traceren, een pizza bestellen of het recept daarvoor opzoeken. Het wijst je de weg naar het tuincentrum of naar Rome. Je kunt er zelfs verhaaltjes mee typen. Geen wonder dat ik naast al die karren een veelvoud van die doosjes zag. Met gebogen arm hield men de doosjes voor de ogen. Er werd over gewreven, tegen gepraat of gelachen.  

Maar één ding kan het doosje niet.
Zien wat ik vanmiddag zag. 

woensdag 21 maart 2018

Verstand van Sint Maarten

Veel mensen zullen bovenstaande associëren met elf november, lampionnen en snoep. Anderen denken misschien eerder aan de 'overzeese gebieden', wat ik wel mooi eufemistisch vind uitgedrukt. 'Gebied' klinkt net zo vaag als 'overzee', het kan van alles zijn. Maar het kan daar wel spoken. Over die zee. En dat deed het een half jaar geleden ook.

Ik was daar niet bij, want ik zat toen in een kerk. En bad samen met de andere aanwezigen voor degenen die wel op Sint Maarten waren toen orkaan Irma er op bezoek kwam. Niet omdat ik opeens 'in de Heer' was of vrienden of bekenden overzee heb die daar toen waren, maar om mijn zoon te vergezellen, die zich nogal thuis schijnt te voelen tussen de gelovigen. Tot mijn verbazing werd er ook gebeden voor mijn tandartsassistente. 

Vanmorgen vroeg ik haar naar haar ervaringen tijdens die beruchte Irma, haar familie en de politiek. Over dat laatste had de tandarts het ook al gehad. Met uitgedroogde lippen en een stofzuiger in mijn mond luisterde ik naar het gesprek over de verkiezingen. De assistentie vertelde lacherig dat ze geen idee had waarom ze een stempas ontving. Over het politieke gebeuren op Sint Maarten was ze beter geïnformeerd.

Ze vroeg me wanneer ik weer planten voor haar meenam. Ik fronste mijn wenkbrauwen maar al gauw viel het kwartje. Jaren geleden had ik ook aandachtig met open mond naar zo'n gesprek tussen twee werelden geluisterd. Niet over politiek maar over koken. De assistente gebruikte kruidenmixen en pakjes. De tandarts zwoer daarentegen bij  tijm en majoraan. De assistente wist niet wat dat allemaal was. En in een vlaag van bekeringsdrang had ik haar een dag later een bos kruiden uit mijn tuin gebracht.  

Na mijn aarzeling voegde ze er dit keer aan toe: 'Als het weer in bloei staat.' 
'In bloei', juist ja. Kruiden zijn smaakmakers in de vorm van blaadjes, mevrouw. Maar dat hield ik wijselijk voor me. Per slot had zij weer meer verstand van orkanen. 'Het is onbegrijpelijk dat men op Sint Maarten zo druk is met voorbereidingen voor carnaval, terwijl het orkaanseizoen voor de deur staat!', zei ze met overslaande stem.
Van carnaval heb ik al net zo weinig kaas gegeten als van orkanen. En om eerlijk te zijn kan ik niet alleen geen politicus uit overzeese gebieden noemen, maar ben ik ook nauwelijks op de hoogte van de stand van zaken hier ter stede. Ik wist zelfs niet waarom we hier in Groningen vandaag geen nieuwe gemeenteraad mogen kiezen. Maar ook dat verhelderde de tandarts tijdens het vullen van mijn kies: Wij mogen weer stemmen als Ten Boer en Haren bij Groningen worden gevoegd.
Zou Sint Maarten bij zo'n herindeling dan ook beschermheilige worden van die ingelijfde dorpen? Of trekken heiligen zich net zo weinig van politiek aan als orkanen en tijm?
God mag het weten.   

zondag 7 januari 2018

Over ijs

Over ijs, over slootjes, over vaarten bij Giekerk schaatste mijn oma. Het was 1943, of misschien wel 1942 of 1944. Ik zal het mijn moeder eens vragen. Die er toen ook al was en, in tegenstelling tot haar moeder, mijn oma, nu nog steeds. Ze ligt weliswaar geveld door griep, gordelroos en ongelooflijke jeuk op de bank in Amsterdam. Maar ooit schaatste ook zij als kleuter door het Friese land. Bij Giekerk. Onder een andere naam. Omdat haar Oostenrijkse vader deserteerde uit het Duitse leger. Mijn oma, moeder en tante wisten niet waar hun man en vader was. Maar een enkele keer heeft oma hem ontmoet. Bij de grens bij Groesbeek. Waar ik vorig jaar met mijn vriend ongemerkt de grens over fietste.

Schaatsen maakt melancholisch. Zeker in verstild landschap. Dat landschap zat er dit weekend helaas niet in bij dat schaatsen. Niet bij Giekerk en ook niet in Groningen of Amsterdam. Maar daar, op de Jaap Edenbaan volgde mijn moeder wel schaatslessen. En in de weinige strenge winters van de jaren zeventig, tachtig en negentig reden we de Molentocht, schaatsten bij de Rijp en op de Vinkeveense plassen. 

Vrijdag wist ik twee van mijn drie zonen over te halen om ook even te komen krabbelen op het opgespoten plasje op de Grote Markt in Groningen. Frans (26) leerde Leo (16) hoe hij moest remmen. Kees (13) liet het schaatsen aan hem voorbij gaan, verkoos om op de tribune met zijn smartphone te spelen. De dag erna sleepte ik Leo opnieuw mee het ijs op, naar de kunstijsbaan in Kardinge. Alwaar kleuters met sleetjes, opa's, oma's, Fries sprekende gezinnetjes ('jou dat mar an heit, leave') en enkele nieuwkomers krabbelden, lachten en vielen. Helaas moest Leo zijn val bekopen met een pijnlijke pols. Waarna hij met een zakje ijs op een bankje zat en ging klokken hoe lang ik over één ronde op de vierhondermeter-baan deed.  

Ik zei Leo dat ik hoopte dat het schaatsbloed ondanks zijn val door zijn aderen bleef stromen. Dat zijn overgrootmoeder, oma en moeder alle drie fervent schaatsers waren en zijn. Terecht merkte hij op dat hij nog andere genen heeft en zijn vader niks met schaatsen heeft. Daar had hij een punt. Grieks bloed en schaatsen gaat wellicht slecht samen.

Toen zijn ijszakje was gesmolten gingen we toch maar weg. 
Nadat ik nog één laatste rondje deed. Nog één.
Met mijn handen op mijn rug, diep door de knieën.  
Denkend aan Giekerk van vijfenzeventig jaar geleden.
En mijn moeder op de bank in Amsterdam.   

maandag 25 september 2017

De redacteur

Met mijn fiets aan de hand en net opgestoken peuk vraag ik me af hoe Amsterdam in zo'n korte tijd zo veranderd kan zijn. Maar na het uitblazen van de rook, zie ik het muziekgebouw aan het IJ en het aanmerende pontje uit Noord. Ik ben aan de verkeerde kant van het Centraal Station beland. Teruglopen naar de andere kant lijkt me met fiets nogal een gedoe, de recente beknelling tussen de poortjes van de Parijse metro staat me nog helder voor de geest. Ik rij er omheen. Over het plein met de 'shared space': voetgangers en fietsers kris kras door elkaar. Onder de nieuwe fietstunnel door, waar op een blauw-wit tegeltableau woeste schuimkoppen rond schepen met VOC-mentaliteit dansen: 'Neerlands trots onder het spoor.' 

Hier is dan dat Amsterdam, waar 'bewoners' zich niet meer thuis zouden voelen omdat stadgenoten hun huizen via Air-BNB verhuren. Waar taxibedrijven elkaar op leven en dood beconcurreren. Ben benieuwd wie van hen terug zou willen naar het Amsterdam uit 'Zondagsgeld' van Philip Snijder. Toen er zo veel troep in de Bickersgracht werd gedumpt, dat er eilandjes aan de oppervlakte verschenen. 

Aan de goede kant van het station bewonder ik de in steigers en gaas verstopte gevel. Een kudde Duitse scholieren trekt ratelend hun koffers achter zich aan. De bel van een tram klinkt als iets uit een vorig tijdperk, maar werkt nog prima: een Frans gezin springt geschrokken van de rails. Dan word ik, tien minuten na mijn aankomst, naar de weg gevraagd, in plat Amerikaans. Voor mij als Groninger die is behept met een straatnamenfetisj -ik liep mijn roeping als postbode mis-, is er geen beter welkom denkbaar. Met misplaatste trots wijs ik hen de weg. Ze zochten het station. 

Er tegenover staat het huisje dat een hoofdrol speelt in 'Publieke werken'. De schrijver van dat boek, Thomas Roosenboom, heeft zich volgens deze Mark nogal wat literaire vrijheden gegund. Hoofdpersonen zouden zich niet hier maar in Duitsland en Hoogeveen bevinden. En de verfilming is grootdeels in Hongarije gedraaid. Best handig, omdat het Victoriahotel dat om het huisje is gebouwd er nog niet stond in de tijd dat het verhaal speelde. Terwijl ik bedenk dat ik noch het boek las, noch de film zag, attendeert een man me op een loshangende snelbinder. En nee, ook dit was geen truc om me te bestelen. 

Mijn route gaat langs de Schreierstoren, over de Gelderse kade naar de Nieuwmarkt, waar je twee eeuwen eerder niet op weedlucht werd vergast maar een luguber spektakel kon zien: "het verminken der ledematen of der zintuigen, als het afsnijden der ooren, het uitsteken der oogen, het splijten van den neus, het opensnijden van de wang enz." Na twee keer links en rechts - als ik mijn hand uitsteek voel ik me tamelijk provinciaal- is er geen toerist meer te zien. Hier verschillen de bankjes op de stoep en bloemen in melkbussen niet veel van wat men in de straatjes van pakweg Appingedam aantreft. 'Snoekjeskade', lees ik op de gevel. Nooit van gehoord. 

De ochtend erna vraagt mijn moeder in mijn eigen Air BNB aan de Amstel welke koffie ik wil. Mijn vader vouwt een plattegrond open en zoekt de snelste weg naar de schrijfdag in Diemen. Of all places. Wellicht zijn zaaltjes daar voor een lager tarief te huur dan in deze metropool itself. 'Is het beter om de ringdijk te volgen of is de weg door Watergraafsmeer toch korter?' Ik mag de kaart wel mee, zegt hij. Maar mijn navigatie staat al aan. Internet is de doodsteek voor hulpvaardige vaders. Al heeft de mijne een hippere I-phone dan ik. 

Ik fiets langs borden die me oproepen om bij verdachte situaties 112 te bellen. Op de halve naakten in de tuin van Frankendael zit een groen waas. Aan de ene kant van de rechte weg die me naar Diemen voert staat een hekwerk met fraaie foto's van verstilde taferelen. Foto's die achter de tralies en rododendrons grafzerken doen vermoeden. Links wachten voetbalvelden op wat komen gaat. Op weg naar de schrijfdag fiets ik over de Middenweg tussen de doden en de levenden door. Straks zal Arthur Japin spreken en redacteuren houden lezingen. Eén van hen ken ik nog van vroeger, toen hij nog een soort van familie van mij was. 

In Diemen lijken de straatnaamborden in de ban gedaan. Die mening is ook Lidewijde Paris toegedaan, zo hoor ik haar uitroepen als ze met stapels boeken binnenstormt in theater 'de Omval'. Ik heb dan nog geen idee wie ze is. Lidewijde komt uitleggen hoe je leest, aan ons debutanten in spé. Die zich tussen de lezingen door in de kijker proberen te spelen bij redacteuren en uitgevers, of zelf worden warm gepraat door schrijfcoaches. Tussen het blonde, witte vrouwvolk dat van heinde en verre naar deze schrijfdag komt, hoef ik niet meer bang te zijn om op te vallen. Al wil ik dat nu juist wel. 

De redacteur die ik ken staat buiten te roken. Hij herkent me: 'Hé, jij ook hier?'. We zoenen elkaar gedag. (Of moet dat anders geformuleerd, als het een weerzien is?) Ook ik ben verbaasd, ik had in hem, een keurige familieman met koningspaar uit een Vinexwijk, geen roker vermoed. Ooit was ik te gast op zijn bruiloft, hij kwam op kraamvisite bij mijn tweede en ik weet dat zijn dochter de naam van een bestseller draagt. Het wordt vandaag zijn eerste lezing. Hij oogt nerveus, pielt wat met zijn smartphone en zegt dan dat zijn vrouw niet weet dat hij rookt. "Dat ruikt ze toch'', flap ik er uit. Maar hij heeft een dekmantel, hij gaat vanavond nog naar rocktempel Paradiso. Ik volg je op twitter, zeg ik nog. 'O ja, dat vergeet ik altijd', zegt hij, 'dat mensen mij volgen.

De hele dag horen we verhalen over slush piles, showing & telling en suspension of disbelief. Hier en daar krijgen we een inkijkje in het thema van iemands levensverhaal/ roman in wording: "Hoe overleef ik twintig jaar met een vrouwenhater". 

De laatste spreker is een Vlaamse. Ze leent zich goed voor de oefening om aan 'personages eigenschappen toe te dichten'. Braaf fantaseer ik met wie deze vrouw, met kaarsrechte pony en strenge bril, het bed deelt. En hoe. Er lopen een paar toehoorders de zaal uit. Zou mijn verzonnen hete Vlaamse te luid zijn geweest? 

Gelukkig bleven bij de redacteur die eens familie was de toehoorders wel zitten. In navolging van zijn advies 'maak geen strikte scheiding tussen wat is en wat zou kunnen' bedenk ik dat zijn speech wellicht door zijn vrouw is geschreven en dat het door hem aangehaalde ingedutte huwelijk misschien op hen slaat. Of, en dat is een lievere aanname, staat het boek van van Marissing met als thema de verwijdering tussen twee echtelieden na de komst van een kind hem nog helder voor de geest (en voilá, de tweede 'heldere geest' in deze longread. Foute boel). Of hangen zaken samen? Je ziet wat je wilt zien slaat zeker ook op lezen. 

'Het begint met het besef dat de levens die u schept in de verzonnen wereld (...) onlosmakelijk zijn verbonden met uw eigen bestaan in de werkelijke wereld.' Dat heeft hij mooi gezegd, of beter nog: mooi geschreven (of zíj, who knows?) Want wat ik hem mee zou willen geven is dat geschreven en gesproken tekst wezenlijk anders zijn. Bij het nalezen van zijn speech 'leeft' die wel, maar zo door hem opgelezen van blad een stuk minder. Misschien struikelt hij om een andere reden over zijn woorden. Was hij zonet buiten druk aan het appen met zijn geheime date? Die straks breed lachend en knetterstoned tegen hem aanrijdt in Paradiso. Of achter de bosjes van het verstilde Frankendael. (Ja, Geert Kimpen, ik heb goed opgelet bij uw les over dat 'planten'; anekdotes eerder benoemen omdat er later in het verhaal nog iets mee moet). Want waarom benoemde hij de twee manuscripten die in zijn auto lagen, (maar niet mocht lezen van zijn vrouw omdat het zondag was) maar liep hij na de schrijfdag richting trein? 'Ook als u tot de conclusie komt dat de werkelijkheid te veel beperkingen heeft om antwoord te geven op uw vragen, en er dus voor kiest om uw verhaal in romanvorm te vertellen, is dat nog niet meteen een reden om de domeinen van wat is en wat zou kunnen strikt van elkaar te scheiden.' 

Na de lezing zit hij in het redacteurenhoekje waar hij de één na de andere bezoeker te woord staat die hun ongetwijfeld unieke manuscript meenamen. Ik drink bier, hij cola. Dan roep hij er een organisator bij: "Dit zijn de laatste twee waar ik mee praat en dan ga ik nog een peuk roken met Lehti". Verbaasde hoofden draaien zich naar me om. Had die dame van Querido ons niet bezworen dat je iemand moest kénnen uit de uitgeversscene, denken ze wellicht. Ik lach schaapachtig en realiseer me dat hij mijn manuscript al eens las. Nu zit het ergens in de catacomben van mijn gecrashte Mac. 

Buiten toon ik bewondering voor zijn geduld. En in plaats van hem opnieuw wat van mijn verhalen  in de hand te drukken, plaatst hij me náást zijn functie: 'Die vrouw met de hoed was wel interessant, heb je haar gezien? Het klonk alsof ze uit een ander milieu kwam, ik heb haar mijn mailadres gegeven, 's kijken of ze ook met woorden overweg kan.'  Ik zag veel vrouwen, maar geen hoed. Shit, denk ik dan, heb ík zijn mailadres eigenlijk wel? Dan dicht ik mezelf de rol van strenge recensent toe. Hij bedankt me hartelijk voor de tip om vragenstellers uit de zaal in het vervolg even de microfoon te geven. Dat ook zijn spreektempo en ademhaling enige aandacht behoeven hou ik wijselijk voor me. Net als zijn tweet waarin hij ageerde tegen mensen die antidepressiva als zinloos afdoen. Ik zeg er niks over. Vraag er niet naar. Pijnlijk ervaar ik hoe veel moeilijker sommige onderwerpen in het echte leven zijn dan er iets over te schrijven. 

Hij steekt er nog één op. Hij kreeg goede feedback, zegt hij. Sommigen zagen in hem een stand-up comedian. Gemeen voeg ik er aan toe dat zij bij hem iets te halen haddden. 'Jij toch ook?', zegt hij adrem. Hij heeft gelijk. Mijn schrijfsels of link naar hier, durf ik hem niet te geven. Wel probeer ik hem te teasen met iets dat er niet meer is: dat dit blog tien jaar geleden begon met kinky verhalen. Zijn interesse is gewekt. Seks sells. Maar na de melding dat het hier nu netjes gekuist is, slaat het gesprek dood. 

De lastigste bezigheid in het schrijfproces zit hem in het schrappen. En dan bij voorkeur de stukken waar je van bent gaan houden. Daar is een prachtige, alweer Engelse term voor: 'Kill your darlings'. 'Als je tweeduizend woorden hebt, probeer er dan driekwart van te schrappen'. Dat ik niet erg moordzuchtig ben aangelegd blijkt uit dit schrijven dat 1999 woorden telt. 

Vierentwintig uur na mijn aankomst op Amsterdam CS, til ik mijn fietsje weer uit de trein in mijn thuissstad Groningen. Hoewel ik hier niet opgroeide. Voor het station hoor ik flarden van een Grieks gesprek. Voor het Groninger museum zingt een bluesgitarist zijn geld voor een paar biertjes of overnachting bij elkaar. Op het Zuiderdiep zitten terrassen vol met mederokers en vreemdgangers en zelfs op dit late zondagse uur speelt er een heus bandje in de Folkingestraat. Een meisje met blauw haar haalt me in op haar longboard, ik fiets langs de school die de redacteur bezocht (hij groeide hier wél op), over het Damsterdiep en dan dwars over het Europaplein. Deze Martinistad heeft geen krant nodig om op te scheppen over één zogenaamde 'shared space'. Hier gaan op kruispunten alle fietsverkeerslichten tegelijk op groen. Voor elke richting. Dat levert in de spits een prachtig schouwspel op. Geen Stadjer die zich daarvoor op de borst klopt. Het werkt gewoon. 

Of datzelfde voor mijn debuut geldt moet nog blijken.

woensdag 31 mei 2017

Dat kun je niet weigeren

Dit logje stond al een tijdje in de steigers maar er kwam steeds van alles tussen. Iets met schuren en kwasten en zo. Schrijven laat zich nog altijd lastig combineren met schilderen. Al zullen mensen die met schrijven hun brood verdienen het omgekeerde zeggen. Die komen vast niet aan klussen toe.

Maar ik snapte het eigenlijk ook niet zo goed. Het onderwerp waar ik over wilde schrijven. Over die 'verfmaker'. Zo noemde Annechien Steenhuizen Akzo gister op de buis. Op de radio had ik Akzo al eerder langs horen komen. Radionieuws is nóg beknopter dan het NOS journaal dus veel duidelijker was dat niet. Maar het zinnetje over dat men 'iets niet kon weigeren' bleef wel in mijn hoofd hangen.

Akzo zou misschien verkocht worden. Ach, big deal, er worden zo vaak bedrijven verkocht. Er komt een bedrag met heul veul nullen langs en dan is iets in handen van een Chinees, Saoedi of Amerikaan. Vallen er even later ontslagen of valt het hele bedrijf om, roept iedereen 'oh' en 'ah' en na een paar interviews met zielige gedupeerden -bij de NOS hebben ze 'gewone mensen' ontdekt-, hoort men er vervolgens niks meer van.

Maar wát kon men eigenlijk niet weigeren? Of wie? En vooral waaróm niet? Aan tafel bij mijn ex bracht ik het Akzo vraagstuk ter sprake. En zo hadden we het tussen de rösti en tzaziki over geldzaken. Zoon Leo riep na een korte uitleg van zijn vader over de werking van de financiële markt: 'Maar dat mág toch zo maar niet. Dat is crimineel! Waarom dóet niemand daar wat aan!'  Tja, hem staat de ondergang van V&D vast nog vers in het geheugen. Daar wordt je in Groningen dagelijks aan herinnerd als je door de stad fietst. De holle flat van Vroom en Dreesman pronkt er aan de rand van de Grote Markt.

Maar nu terug naar die verfmaker. Als beursgenoteerd bedrijf, zo begrijp ook ik intussen, hebben aandeelhouders het voor het zeggen. De onmogelijkheid iets te weigeren kwam van hen. PPG had een een bod uitgebracht op Akzo. En toen nog één. Met als begeleidende tekst dat Akzo daar beter van zou worden. Maar de verfvoorzittercommissaris sprak over banen die daarmee verloren zouden gaan en zei nee. Een paar aandeelhouders wilden toen de voorzitter kwijt en toen dat niks uithaalde daagden ze Akzo voor de rechter: 'U mag dit niet weigeren want wij willen meer geld' (of zoiets).

De rechter stelde Akzo gister in het gelijk. Ze kwamen er van af met een reprimande. Akzo moest 'de verstandhouding met haar aandeelhouders goed houden'. Economie blijft bijzonder. Alsof iemand ongevraagd aanbelt om iets te kopen wat ik niet kwijt wil, en ik moet vervolgens uitleggen waarom. Maar kennelijk valt er zelfs in de wereld van heul veul nullen soms iets te weigeren. Deed ik bij monopoly ook wel eens. Als men mijn stations wilde kopen. Van vijandelijke overnames had ik toen nog nooit gehoord.

Moet ik me nu schuldig voelen dat ik morgen ga schilderen met Sigmalak van PPG in plaats van Sikkens van Akzo? Het aandeel is al met 1,8 procent gezakt. Ik heb mijn vaderlandse plicht verzaakt. Laat Leo het maar niet horen.





woensdag 22 juni 2016

Na de HWA nu VIP van Christo

Donderdagmorgen. Ik app mijn ex. Of hij wil helpen met het vervoeren van een vijf meter lange buis. Voor het afvoeren van hemelwater. In normaal Nederlands ook wel regenpijp genoemd.

Voor dit vervoer had ik natuurlijk de inmiddels geleverde dakdragers op mijn auto kunnen monteren. Ook had ik de pijp, mits ik over een vooruitziende blik had beschikt, online kunnen bestellen en laten afleveren op het werkadres. Of, nog slimmer, ik had een half jaar terug mijn kleinere klusbus niet moeten verruilen voor de huidige. De oude voldeed immers nog prima en, niet onbelangrijk, er zat een imperiaal op. Waar ik de afgelopen acht jaar vele deuren, balken, plaatmateriaal en niet te vergeten, hemelwaterafvoerpijpen, op had vervoerd. Maar nee, ik moest zo nodig groter, nieuwer, hoger, luxer. Toegegeven, de muziek klinkt een stuk lekkerder. En de instelbare bijrijdersstoel is handig voor als Kees een dutje doet. Fiets achterin. Perfect geregeld. Maar dus niet voor klussen waar lang materiaal voor nodig is.

Hij schreef terug dat hij wel wilde helpen. De winkel lag tweehonderd meter aan de ene kant van zijn huis, het werkadres lag driehonderd meter de andere kant op. Het was een mooie stunt geworden. Met zo'n grijze buis dwars door de stad lopen. Er doorheen praten. Letterlijk. Oversteekplaatsen, stoplichten, fietsers die er onderdoor duiken. Een soort choreografie van de bouw. Ik had al voorpret bij de gedachte. Maar ik zegde mijn ex af. Want in mijn inpandige stortplaats die voor 'werkplaats' moet doorgaan, vond ik tussen de gipsplaten en rollen isolatie ook nog een stuk pijp van de juiste diameter. Nieuw stuk er bij kopen. Onderling verlijmen en voilà. Geen dakdrager, ex of oude bus meer nodig. Aldus geschiedde. Dus sorry stadjers, ik heb jullie dit stukje theater door de stad onthouden.

Als jullie dit lezen is het inmiddels een week later. En ben ik er tussenuit geknepen om over kunst te lopen. Op het water. Christo had zijn 'floating peers' eerst in Buenos Aires willen bouwen, daarna Tokyo, en nu is het dus toch het Lago d'Iseo geworden. En net als ik daar toevallig ben, blijkt Christo er, nadat hij het concept al bedacht in mijn geboortejaar, er zijn kunst te hebben geopend. Voor twee weken. En de mensen met wie ik er heen ga, kennen mensen, die weer mensen kennen en ....
Nou ja, ik snap er niet veel van, want de toegang tot Christo's kunst is altijd gratis. Maar toch schijnen we een soort Vip behandeling te krijgen. Maar misschien heeft dat ook met het verwachte aantal bezoekers te maken. Eén miljoen in twee weken. En zo loop ik dus niet met een grijze regenpijp door de stad maar over een dahliagele pier op het water. Dit kunstwerk is als een surrealistisch sprookje.

Wel vreemd dat het monteren van drie dakdragers me kennelijk meer moeite kost dan het lopen over de rug van een walvis (zoals de kunstenaar het zelf zegt). Ook apart dat ik boven dit stukje de titel 'slakkensoep' intypte. En dat ik het over aardbeien had willen hebben.

Aárdbeien?? Nou ja, bij mij loopt alles toch altijd anders. Dat houdt het leven spannend.


(U hoeft trouwens niet de Alpen over om over water te lopen. In Nederland realiseert kunstenaar Paul de Kort dit najaar zijn Pier + Horizon in het Zwarte Meer. Ten Zuiden van de Noordoostpolder. Dan kunt u dat vast inplannen.)








donderdag 5 mei 2016

De kelder en het koor

Het lijkt wel oorlog. De wegen zijn uitgestorven. Hoewel de ochtend al lang is begonnen. Op het anders zo hectische kruispunt van de Dirk Huizingastraat sta ik moederziel alleen te wachten voor een rood stoplicht. Ook de anders van scholieren krioelende Sint-Janstraat lijkt net schoongeveegd. Alsof mensen zich hebben verstopt.

Ik wil de stad in. Om mensen te horen zingen. Die willen dansen, die willen vrijen, die langzaam willen ontwaken. Want dat hoort op deze dag. Gister was ik ook in de stad. Waar ik sloopte en sjorde aan de ingang van een oude kelder. Zodat er weer licht naar binnen kon. En lucht.

Ik kon er net niet rechtop staan. Met gebogen hoofd zag ik benen over de stoep lopen. Hoorde even later stemmen boven mijn hoofd. Het was drukker dan anders in de wijk. Vanwege de open dagen van huizen waar ooit Joden woonden. Die in de oorlog waren weggevoerd.

Zou men dat in het jaar 2086 in Syrië ook doen? Bij huizen waar ooit yezidi's woonden? Of bij die van soennieten, sjiieten of alevieten? Net naar gelang welke stroming, geloof of stam zich superieur waant? En welke 'anderen' dan moeten afgeslacht. Ik juich het levend houden van een gruwelijk verleden toe. Maar begrijp de weerstand van een stad als München tegen struikelstenen als herdenkingspunt ook. De doden geëerd met hun naam in de straat.

Ik fiets verder de stad in. De Grote Markt staat vol tafels en bankjes. En meer dan levensgrote foto's uit de oorlog. Onze oorlog. Die vrijwel niemand hier heeft meegemaakt. Tientalllen kleerkasten beveiligen het plein vol ontbijtende stadjers. Het koor dat ik wil horen zingen, komt uit een andere oorlog. Waar wij geen weet van hebben.

"Het is eigenlijk alleen voor genodigden, maar vooruit, u ziet er zo hongerig uit", zegt één van de beveiligers. Ze staan hier voor een mogelijk bezoek van de premier. Hij klikt me een armbandje om. Ik mag door de hek.

Rutte komt gelukkig niet. Anders hadden ze vast niet durven zingen, zegt de pianiste. Zij was degene die me gister tipte over dit optreden. Door het kelderraam. Waar ze me een rode 'S' liet zien. Er moesten nog negen rode letters bij. Voor de dag erna. Voor op de Grote Markt. Zodat wij ook weet zouden hebben van andere kelders. Waar voorlopig geen daglicht komt. Waar mensen levend liggen begraven onder het puin. Nu. En waar over zeventig jaar misschien ook struikelstenen liggen.







Het koor zingt Nederlands. Arabisch. Tweestemmig. Of eigenlijk meerstemmig. Want tijdens het refrein, hoor ik achter me één van de genodigden hardop zeggen: "Niet te geloven, dat zij ook in tentjes in Calais hebben gezeten. Zij zijn gewoon even oud als ons."

Het is de galm van de woorden die worden gezongen door 'New life':


Na afloop fiets ik met tranen in mijn ogen weer verder. De straten zijn nog steeds verlaten.

maandag 2 mei 2016

Onze manier van leven

Een donkere dame bestudeert voorover gebogen munten uit het Nederlands Indië van 1820. In de kraam ernaast liggen koperen kloppers en horloges. Ik maak een praatje met een lange man die oud gereedschap aanbiedt. Hij had een huis in aardbevingsgebied, is toen gescheiden en nu dakloos. Hij vindt het best om steeds ergens anders te slapen. En met zijn camper redt hij het wel. Een gewiekste klant weet bij hem af te dingen tot de helft van de prijs. De kunst van het loven en bieden beheers ik slechter dan haar. Ik bepotel zijn metalen drukletters. Mijn handen zitten onder de roest. Hij geeft me een witte doek om ze aan af te vegen.

Langs typmachines, asbakken en oude violen slenter ik terug richting Grote Markt. Voor de Duitse toeristen verkoopt men hier broodjes met Aal en Lachs. Op de kop van de Vismarkt is een jongeman met veel armgebaren zijn gesprekspartner aan het overtuigen van zijn gelijk. Het gaat over politiek. Bij een boekenkraam blader ik door onze recente geschiedenis. Ik lees dat er in het Rusland van de Tsaar al anti-Joodse wetten waren. Die na het uitbreken van de revolutie zouden zijn afgeschaft. Ik leer dat Trotski uit een joodse familie uit de Oekraïne kwam en Bronstein heette. Ik zie foto's van joodse vrouwen in een burka, en een joodse man in een Chinees gewaad. Een groot schip vol vluchtelingen richting VS -dat terug moest naar Europa-, kleine bootjes op het strand bij Haïfa die door een Engelse blokkade breken. Als de vluchtelingen ergens aan land mogen, kijken ze zielsblij.
Er is in honderd jaar weinig veranderd.
Zelfde zee en aantallen. 
Andere richting en religie. 

Het blijft beangstigend dat het mogelijk is om een heel volk door middel van stelselmatig zwartmaken en buitensluiten uiteindelijk bijna uit te roeien. Als het Ebola virus. Als Malaria. Waargebeurde horror. Te gruwelijk voor een film. Al komt Shoah aardig in de buurt.

Op de Grote Markt gaapt een gat. Waar een ontmoetingscentrum moet komen. Het Forum. In de oorlog stond hier het beruchte Scholtenhuis. Nu zitten vlak voor deze plek, op de trappen van het mooie VVV kantoor, tientallen mensen te genieten van een zonnige dag van de arbeid. Intussen wordt een ander plein, in Istanbul, afgesloten voor demonstranten. En gooien onbekenden bommen op Aleppo.

Bij de ingang van de buurtsuper staat een man met een keppeltje. O nee, dat heet anders bij moslims. Hij voert eierkoeken aan de duiven. In het park zitten mannen in kleermakerszit. Er fietsen kinderen omheen. Komende week herdenken we de doden en vieren we de vrijheid.
Die is me erg lief.
En die gun ik iedereen.
Ook haar
En hen ook.













dinsdag 19 april 2016

Op dinsdag door de stad dolen

Dat doen er aardig wat. Hoewel ik natuurlijk niet met zekerheid durf vast te stellen of elke ziel die ik tegenkom ook dolende is. Wellicht had de in een scootmobiel gezeten travestiet op de Korreweg wel een duidelijk doel voor ogen. Net als de gehandicapte moslima die in Beijum in eenzelfde voertuig overstak. Misschien was deze laatste wel goed ter been en had ze ook niks speciaals met de Islam. De dame die vanmorgen een doek om haar hoofd knoopte heeft, voor zo ver ik weet, ook weinig op met geloof. Ze smeerde afbijtmiddel op haar trap, wat ik er vervolgens afkrabde.

De lijmresten onder mijn werkschoenen kleven gelukkig niet aan het pedaal in de bus, maar in de statige hal bij de pianoleraar trek ik de kistjes voor de zekerheid toch uit. De leraar slaat mijn meegebrachte wafels af, die een Peizenaar had gebakken en die de dame die geen moslima was aan me had meegegeven. Hij is op dieet.

Kees valt naast me in slaap en ik stop, samen met een ambulance, bij het tankstation aan de gracht. De jongen bij de kassa vertelt dat dit het laatste tankstation in een binnenstad is. In heel Nederland. Martin Bril schreef een stukje over deze plek in "Heimwee naar Nederland". Iets met een vader die hardop praat tegen zijn huilende kind, omdat hij niet goed weet waar hij heen zal. Dolende zielen. Bril zat aan het eind van zijn leven in een rolstoel. Ook daar schreef hij over. Iets met 'leven op gulphoogte'. Ik las hem in de trein naar Keulen.

De zon schijnt. Bij de Slachthuisstraat klimmen twee kindjes op een kunstwerk. Het ziet er moeilijk uit. En spannend. Zoiets meen ik te lezen in hun pretoogjes die elkaar aankijken. Het is koud. Abba schalt door de radio. Als we thuis zijn wordt Kees (11) weer wakker. Leo (15) is al thuis. Ik knip zijn haar. Hij hangt de was.

Ik zuig de haren van de grond en aai de kat.  Buiten wapperen kleren aan de lijn. De ratatouille is rood en couscous komt uit Afrika. Van afbijtmiddel wordt je high. Morgen moet ik een afwasmachine plaatsen voor architecten en een luikje in een plafond zagen. Om gif achter te verstoppen. Omdat er studentes wakker liggen van de ratten.

Welterusten.

woensdag 6 april 2016

Het kan, het mag, dus doen we het!

Er schuilt hebzucht in ons allemaal. Daar hoef je geen Gunnlaugsson of Porosjenko voor te heten. Gelukkig bestaat er wet- en regelgeving. Om zelfverrijking, wurgcontracten of monopolies (lang leve de EU!) een beetje binnen de perken te houden. Wetten dienen ook een omgekeerd doel. Zo schijnt Seedorf niet betrokken te zijn bij illegale praktijken. Want van 600000 een paar miljoen maken màg. U zou het zelf ook doen. Sterker nog, naast Seedorf zijn het vooral 'de Kleine Luyden'  uit het midden- en kleinbedrijf die om uiteenlopende redenen hun geld elders parkeren. Niks geen belastingontduiking aan. Het mag volgens de wet.

Dat referendum van vandaag is ook zo'n ding. Is dat niet vooral bedacht omdat het kàn? Omdat het màg. Toen ik er voor het eerst over hoorde, dacht ik dat het een grap was. Die met het gemekker over te weinig stembureaus alleen maar slechter werd. En hoewel ik graag gebruik maak van mijn stemrecht, proeft het woord 'recht' hier als misplaatst.

Via Panama en de Oekraïne, loop ik ook nog even met u mee naar binnen bij de failliete V&D. Waarvan sommigen zeggen dat hun formule achterhaald was. Terwijl anderen juist beweren dat klantgedrag zo'n concern niet om zeep kàn helpen, dat het Sun-Capitals is die het boetekleed moet aantrekken. Maar het was legaal. Het mocht, het kon. Men mag geld in belastingparadijzen stallen. Men mag een referendum organiseren voor een al aangenomen wet en ook een bedrijf leegzuigen, tackelen en vervolgens het laatste bloed uit al die prachtige paspoppen persen is legaal.








Maar ik schaam me toch een beetje. Dat ik er vorige week was. En niet alleen vanwege mijn werkbroek vol verfspatten. Ik kocht er zelfs boxershorts. Met het V&D logo. Soort van collectersitem. Toen ik later las dat Sun Capitals vóór in de rij bij de schuldeisers stond, voelde het geld voor de onderbroeken aan als bloedgeld. Lehti de lijkenpikker.



Hoe heerlijk was het om dit schuldgevoel vandaag te kunnen sussen. Niet bij de stembus, maar door een nieuwe werkbroek te kopen in een zaak waar de tijd nog langer had stilgestaan dan bij V&D. Maar waar wel klanten waren. En personeel. En kleding met 'made in Germany' en 'France' in plaats van China en Bangladesh. Waar het niet naar wegwerpplastic stonk. Hier werd niet geïnvesteerd in eigentijdse logo's of slimme marketing. Hier verkocht men kleding. Voor verpleegkundigen, paardenfokkers of obese stratenmakers. Maar ook waxjassen en stevige stretchbroeken. En ze waren er drieëndertig jaar eerder dan de V&D!

Misschien sluit het Vakkledinghuis straks een handelscontract met Oekraïne. Of parkeren ze zelf (of via Porosjenko) geld in Panama. Ik weet niet wat er allemaal kan en mag. Daar hebben we gelukkig gekozen politici voor. En geen referenda voor nodig.

Er past een duimstok, bouwpotlood en smartphone in mijn broek. Ik vroeg wat ik wilde en kreeg wat ik vroeg. Bij het afrekenen geen zegels, airmiles, gebedel om een mailadres of bonusgelul. Heerlijk! Na nog een rondje door de winkel zeg ik tegen de winkeljuffrouw: "Fijn, nu weet ik wat jullie allemaal te koop hebben."

Ze antwoordt lachend: "Zegt het voort, zegt het voort!"

Bij deze.



zaterdag 19 maart 2016

Mazzeltov, Singer en andere verborgen verhalen

Voor het eerst schaam ik me enigszins. Om met mijn werkkleding nog aan, door mijn tweede huiskamer, de Vismarkt te banjeren. Maar het moet. Ik parkeer mijn klusbus op de Hoge der Aa en been naar de kaasdame. Twee platte stukken belegen wil ik. Om kaasletters van te snijden. Voor mijn vroegere schoolvriend die vandaag gaat trouwen. Bij Jan en Paula haal ik nog snel wat venkel en ren dan terug richting bus. 

In die paar minuten binnenstad zuig ik me vol nieuwe indrukken. Dan vervaagt de haast en doe ik hetzelfde als Adriaan van Dis, Kees van Kooten en Saskia Noort gister in 'Kijken in de ziel ' zeiden. Indrukken opschrijven. Ingevingen noteren. Al zal ik er later zelden iets mee doen. Ook omdat het uitwerken van de krabbels om concentratie vraagt, om afzondering. Om een omgeving zonder zelfs maar de mogelijkheid gestoord te kúnnen worden. Te midden van alle indrukken las ik op de deur van Van de Velde de aankondiging dat hij zou signeren. Helaas precies in het uur dat ik op het stadhuis zou zijn.

Maar die middag, na menig lofzang op de liefde -'je bent niet ván elkaar maar je bent er vóór elkaar- en het scanderen van 'mazzeltov', snelde ik alsnog naar Jelle Brandt Corstius. En ja, hoe gaat dat met een BN-er, waarvan iedereen de naam al kent, dan vergeet je jezelf voor te stellen. Ik knalde er gelijk in 'of hij mijn manuscript nog had gelezen?'  Waarover ik met 'm sprak na afloop van 'De nacht van de geschiedenis' in de tegenovergelegen A-kerk. Waar hij één van de sprekers was.     


Ach ja. Schrijven. Gelezen worden. Het gaat toch om de verhalen. Om het zien. Van de hippiemoeder die voorovergebogen in haar fietskar kijkt. Terwijl gehuil van haar peuter weerkaatst tegen de gevel. Uit haar biotas steekt verlept wortelloof.
Een snelle blik in de winkelruit toont me een glimp van het zusje van mijn Singer, uitgevonden door een immigrant wier ouders vast van muziek hielden. Weerspiegelingen. Verhalen. Ze woekeren aan een boom in mijn hoofd. En wat zou er schuilgaan achter de 'Heren en dameskapper' met een porseleinen pot 'cetaceum' in de hoge etalage? Een etalage die sinds een halve eeuw onaangeroerd lijkt. Op de kade bij de Hoge der Aa zit een marsmannetje voor een schip. Beelden waar niemand op wacht. Woorden waar niemand wat aan heeft. Maar waar ik niet zonder kan.

Het was een mooie bruiloft.
Op de receptie luisterde ik naar verhalen van nazaten.
Tweede wereldoorlog, arbeidseinsatz, Hamburg, vrouwen, Groningen.
In de gang hing een foto van een verwoest huis in de Oekraïne.

Jelle gaf me een handtekening.
Ik had inmiddels andere kleren aan. Een jurk.
Gekregen van een nakomeling van Indianen. Tevens kind van gelukszoekers uit Ierland, Italië en Nederland. Mijn volgende boek gaat over haar.

zondag 13 maart 2016

Het mag wel in de krant

Het filmfestival in Assen sloeg ik dit weekend over. Ook Borgen van het NNT, naar de gelijknamige Deense tv-serie, heb ik gemist. In de krant stond naast hoofdrolspeelster Malou Gorter ook een artikel over een andere, mij eveneens bekende creatieveling, Remko Wind. En op de school van mijn kinderen loopt er naast toneel- en muziektalent ook een schrijver rond. Bronja Prazdny om precies te zijn. Van wie onlangs haar tweede boek 'Verloren taal' uitkwam.

Graag was ik vrijdag met haar meegegaan naar Amsterdam. Maar helaas schopte ik het niet tot een toegangskaartje voor het boekenbal. Het was al een hele eer om bij de beste vijftig van de NPO verhalenwedstrijd te komen. En mijn inzending over verkrachtingen, vluchtelingen met ook nog Keulen er in verwerkt, was wel op het randje.

De boekenweek is begonnen, het schrijfseizoen is voorbij. Gelukkig stroomt mijn agenda weer vol. Met opdrachten voor sloopwerk en badkamers. En terwijl ik bezig was om met een oorverdovend lawaai een pizzeria te ontmantelen, werd ik gebeld. Door een columniste. Zo'n echte. Die ik zaterdag vaak lees in de papieren krant. Ze sprak een boodschap in op een al even archaïsch medium: 'de voicemail'.

Toen ik Trouw terug belde stelde ik me voor met 'Lehti Paul'. Maar dat bleek nou net het punt. Monic Slingerland was er achtergekomen dat dit een pseudoniem was. Hoewel Paul evengoed mijn familienaam is als de naam in mijn paspoort. Maar woensdag kwam ik dus onder mijn eigen naam in de krant. Helaas werd daardoor niemand hierheen gelokt.


Zo'n papieren krant wordt wel grondiger gelezen dan ik dacht. Er volgden mails met reacties van familie uit Amersfoort en Amsterdam. En smsjes van klanten. De brief over woningnood leverde me zelfs schilderwerk op! Best handig. Of, om met Bronja te spreken: 'Je hebt toch niks te verbergen?'








Of ik dit weekend nog wat cultureels deed?
Jazeker. Op een motor door het Drentse land racen. Smeltende taartjes snoepen in de voorjaarszon. En daarna een gedicht van Vasalis voorlezen.
Aan mijn lief. Met mijn lief.
Daar kan geen film aan tippen.