Daar zit je dan. Met je ogen dicht en je mond half open. Je hoofd hangt achterover. Als ik naar je kijk, krijg ik al kramp. Een glazen schot belemmert het nog verder knakken van je nek. 'Kom maar naast me zitten', zei ik net nog tegen je. Je reageerde nauwelijks. Snauwde iets weigerachtigs naar de grond. Vechtend tegen dat wat sterker is dan jij. Wetend dat het je niet zou lukken. Dat je weer zou worden overmand, opgeslokt en straks weer opnieuw moest beginnen. Tegen je zin geteleporteerd in de tijd.
Er stappen mensen in. Ze lopen langs je, draaien zich om. Kijken ernstig naar je. Als het niet zo kut zou zijn, zou ik er om moeten lachen. Want je houdt mensen ongewild voor de gek. Ik kan hun gedachten bijna lezen: 'Issie misschien dood? of ontvoerd? of onwel? moet ik iets doen? de chauffeur waarschuwen? waar is zijn vader of moeder?'
Als mensen zichtbaar 'anders' zijn of doen, kijken omstanders vaak weg. Bij een blind iemand verandert dat, wanen we ons onbespied. Maar als iemand zijn of haar ogen ècht dicht heeft, wordt er gewoon gestaard. Ik neem het niemand kwalijk. Ik zou vast hetzelfde doen. Als ik niet beter wist. Dus maak ik de man die voor me zit maar wijzer. "Hij slaapt gewoon, hoor. Straks wordt hij wel weer wakker." De mensen achter me, die al starend na ons instapten, kunnen ook meeluisteren.
De man reageert nauwelijks. Kijkt weg. Misschien voelt hij zich betrapt. Hoewel hij nu wèl weet waar die afwezige moeder is. ('Nou ja zeg, laat ze haar kind met geknakte nek en open mond heen en weer schommelen in de bus, waarom gaat ze er niet náást zitten?)
Jou overkomt dit dagelijks. Dit gevecht, de reacties van anderen ('was zeker laat hè, gister?) en het steeds toch weer overmeesterd worden door een onbedwingbare slaap. Je tong die slap wordt als je lol hebt, zodat mensen je niet meer verstaan. Of erger, dat je door je benen zakt. Het is geen ramp. Wel strontvervelend. Onhandig. Gedoe.
Je leert er elke dag beter mee leven. Doet een dutje van te voren ('ik wil straks niet in de winkel in slaap vallen') of kiest een computerspel om de slaap de baas te kunnen. Ook hield je er een spreekbeurt over en ging zelfs al twee keer alleen met de bus, waarbij een medepassagier je moest wekken (wat ie vervolgens niet deed volgens jou). Maar soms wordt het je teveel. Sla je je zelf op je hoofd. Voel je je bestolen van je tijd. Van je plannen. Van je goede humeur.
Dat ik trots ben op hoe je er mee omgaat, wil je niet van me horen. Ook niet dat je bent afgevallen, helemaal op eigen wilskracht. Je slaat toetjes over, biedt weerstand aan verleidingen die er constant zijn, zeker voor jou ('ik heb altíjd honger'). Ik mag het niet hardop zeggen, en er vast ook niet over schrijven.
Maar weet je schat, jouw aandoening is zeldzaam. Novy dacht dat als ik alleen daarover zou schrijven, het vast een hit zou worden. Met veel lezers. Misschien is dat zo. En bekendheid geven aan een zeldzame aandoening, dient ook een hoger doel. Want zelfs de kindersarts sloeg de juiste diagnose van de huisarts destijds in de wind omdat 'narcolepsie nu eenmaal nooit voorkomt bij kinderen'.
Maar jij bent mijn kind. Mijn fantansierijke, wilskrachtige, muzikale, leesgierige, lieve kind.
Jij bent je ziekte niet. Je hèbt het. En dat is al lastig genoeg.
Daarom is dit de laatste keer dat ik er over schrijf.
Beloofd.
Posts tonen met het label Novy. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Novy. Alle posts tonen
maandag 28 maart 2016
zaterdag 29 september 2012
Unbeschreiblich weiblich*
Vrijdag is een prima dag om de vrouw uit te hangen. Door
bijvoorbeeld te gaan koffiedrinken met soortgenoten. Maar dit eerste
plan maakte bij mij plaats voor de aandrang om iets leuks te kopen.
Voor mezelf. Welke gelegenheid ik gelijk te baat nam, want zoiets is een
zeldzaamheid. Ik heb geen last van een tassenfetisj of schoenverslaving en
eigenlijk heb ik ook een broertje dood aan passen. Altijd al gehad.
Als puber was ik wel eens jaloers op meiden die elk half jaar met hun moeder de stad in gingen om voor een paar honderd gulden hun garderobe te vernieuwen. Anderzijds leek het me een crime. Want nieuwe kleren betekende passen. En de enkele keer dat ik met mijn moeder gezellig ging winkelen in Delft of Den Haag, verliep ongeveer zo:
Moederlief zag vanuit haar ooghoek dat ik langer dan twee seconden bleef hangen bij een kledingrek (het liefst één dat pontificaal buiten op de stoep stond, zodat het overgaan van een drempel nadrukkelijk werd vermeden). Met een beetje mazzel reikte mijn hand dan, ja betástte ik met mijn vingertoppen zelfs, een kledingstuk. Als ze me dan voorzichtig attendeerde op de aanwezigheid van een paskamer, creëerde het uitspreken van dit woord een plotselinge afstand tussen mij en het mogelijk nieuwe t-shirt, sweater of broek: "Nee hoor, mam, ik vìnd dat niet mooi, hoe kom je dáár nou bij?" En als ik dan, bij hoge uitzondering, toch in mijn ondergoed in zo'n hokje stond (het is mij een raadsel hoe ze mij zo ver kreeg), constateerde ze vol ongeloof dat ik voor de gelegenheid mijn meest aftandse hemd droeg en waarschijnlijk ook niet de moeite had genomen me van te voren even op te frissen.
Fijn. Zo'n dochter.
Met vriendinnen 'stadten', is ook nooit wat geworden. Want ik ging met zestien jaar al het huis uit en liep even later, -vraag me niet waarom-, in nog aftandser kleren achter een kudde schapen (en een foute vent) aan. In een land waar men de onnavolgbare gewoonte heeft om zich minstens drie maal daags om te kleden. Quel horreur!
De kledingoorlog begon al als peuter. Een befaamde familieanekdote is die van mijn oma die op haar kleindochters zou passen om mijn moeder, die ziek was, te komen helpen. Oma was dol op ons en kwam graag. Ze naaide, wandelde, bakte brood en havermoutkoekjes maar ze stelde wel één voorwaarde, alvorens van Friesland naar Holland af te reizen: als ze míj maar niet hoefde aan te kleden. Mijn moeder is toen zelf maar uit bed gekomen om de strijd met monster Lehti te leveren.
Er waren meer 'meisjesdingen' die niet aan mij besteed waren. Zo weigerde de kapper me te knippen toen ik als kleuter wild om me heen sloeg. Hij wendde zich tot mijn moeder en zei: "Neemt u dat varken maar weer mee." Als ik nú kind was geweest, zat ik al lang onder de ritalin.
En ook nu ik -een soort van- volwassen ben, blijft het behelpen. Op mijn vorige klerenjacht, nam ik mijn minnaar mee. Hij is dòl op mooie kleertjes, geurtjes, schoenen. Híj wel. Toen ik me met drie te dure broeken terugtrok in een peeskamertje (haakjes! haakjes!, waarom zijn er toch overal zo weinig háákjes?) nam hij plaats op een krukje (Nee, beste lezer, het beeld van zo'n ongelukkige vent die om zijn vrouw heendraalt klopt hier niet. Deze man genóót) en hield hij een verplichte babbel met de winkeljongen: "Ze houdt niet van passen, meneer, haha", "Nou, precies, wat u zegt, dat hoor je niet vaak, ha ha." (Ja, halló, neem ik iemand mee om te voorkomen dat ik zelf in mijn slipje door de winkel moet voor een ander model, gaat ie me een beetje belachelijk maken! Oud wijf!) Na één broek had ik het wel gehad. Wat er verder in de schappen lag, gunde ik geen blik meer waardig. Boos beende ik de winkel uit. Mijn goed geklede begeleider kwam proestend van het lachen achter me aan.
Maar deze vrijdag zou ik de vrouw zijn! Vol goede moed fietste ik naar de kledingzaak. Die nog dicht was. De naastgelegen kinderkledingwinkel was gelukkig wèl open (uitstellen van pasgedrag?). En jawel, toeval bestáát, want daar stond de winkeljuffrouw van de zaak waar ik heen zou (we wonen hier eigenlijk in een dorp). Even later struinde ik alsnog onwennig tussen de tweedehands kleren.
'Wat is je maat?', vroeg ze (zou ze me al een tijdje hebben gadegeslagen?: 'Wat zou dat mens toch zoeken tussen de rekken met XXL?!'). Ik mompelde iets terug over 'mijn onderarm die in de taille moest passen'. Want ik wéét dat dus niet, hè, welke maat ik heb. De broek om je nek doen werkt ook prima, vooral om de paskamer te omzeilen.
Uiteindelijk heb ik me dan toch in een broek gehesen. Toen ik voorzichtig het gordijntje weer openschoof, klonk er eerst een veelbetekenend: "En?". Maar na bestudering van mijn bilpartij, zei ze dat ie me te wijd was. "Waar heb je die gepakt?... O, ja, dáár hangen de gróte maten." Om niet te snel toe te geven wierp ik eerst nog een blik in de spiegel. De broek was vies. "Nee," zei ze, "dat hóórt zo, dat doen ze expres (Ja duh, dat wist ik óók wel!), volgens haar had ik last van beroepsdeformatie. ("Dokter, ik zie schildersschimmen").
Ik weiger te betalen voor bevlekte kleren, dus dat ie te groot was kwam goed uit. Maar na het aan- en uittrekken van nog vijf broeken, kreeg ik zweterige associaties met mijn pubertijd. Voor de vorm bladerde ik nog even tussen de drollenvangers en pochte dat ik ècht wel wist dat die nu in de mode zijn. Weer mis! Zo'n zwemvlies tussen je benen is alweer passé. Zei ze. Vrouw zijn valt niet mee.
Tussen het bedienen van mij en de enkele andere klant, lepelde ze haar sla naar binnen. Zíj had vanmorgen wel eerst koffie gedronken met andere vrouwen. Drie cappuccino zelfs. Nu stond ze te stuiteren en had honger. Maar ze wist mijn minderwaardigheidscomplex wel te relativeren: "Ik heb er ook wel eens moeite mee hoor, met vrouw zijn." Verheugd vroeg ik wat haar zoal dwars zat: "Nou, ik schrijf in mijn agenda dat ik mijn benen moet ontharen, anders vergeet ik dat."
(toen ik die avond ging douchen, zag ik dat ik alwéér was vergeten nieuwe scheermesjes te kopen.
Net als vorige week, en de maand daarvóór. Misschien moest ik ze eens op mijn lijstje zetten.)
De foto's zijn vijf jaar geleden gemaakt, bij een heuse sarto (kleermaker) Toscano. Daar schopten ze het tot bruidsjonkers. Gelukkig heb ik geen dochters.
*Voor de liefhebbers nog een link naar de bijbehorende en onverbeterlijke Nina Hagen.
Naturträne, is ook mooi.
Als puber was ik wel eens jaloers op meiden die elk half jaar met hun moeder de stad in gingen om voor een paar honderd gulden hun garderobe te vernieuwen. Anderzijds leek het me een crime. Want nieuwe kleren betekende passen. En de enkele keer dat ik met mijn moeder gezellig ging winkelen in Delft of Den Haag, verliep ongeveer zo:
Moederlief zag vanuit haar ooghoek dat ik langer dan twee seconden bleef hangen bij een kledingrek (het liefst één dat pontificaal buiten op de stoep stond, zodat het overgaan van een drempel nadrukkelijk werd vermeden). Met een beetje mazzel reikte mijn hand dan, ja betástte ik met mijn vingertoppen zelfs, een kledingstuk. Als ze me dan voorzichtig attendeerde op de aanwezigheid van een paskamer, creëerde het uitspreken van dit woord een plotselinge afstand tussen mij en het mogelijk nieuwe t-shirt, sweater of broek: "Nee hoor, mam, ik vìnd dat niet mooi, hoe kom je dáár nou bij?" En als ik dan, bij hoge uitzondering, toch in mijn ondergoed in zo'n hokje stond (het is mij een raadsel hoe ze mij zo ver kreeg), constateerde ze vol ongeloof dat ik voor de gelegenheid mijn meest aftandse hemd droeg en waarschijnlijk ook niet de moeite had genomen me van te voren even op te frissen.
Fijn. Zo'n dochter.
Met vriendinnen 'stadten', is ook nooit wat geworden. Want ik ging met zestien jaar al het huis uit en liep even later, -vraag me niet waarom-, in nog aftandser kleren achter een kudde schapen (en een foute vent) aan. In een land waar men de onnavolgbare gewoonte heeft om zich minstens drie maal daags om te kleden. Quel horreur!
De kledingoorlog begon al als peuter. Een befaamde familieanekdote is die van mijn oma die op haar kleindochters zou passen om mijn moeder, die ziek was, te komen helpen. Oma was dol op ons en kwam graag. Ze naaide, wandelde, bakte brood en havermoutkoekjes maar ze stelde wel één voorwaarde, alvorens van Friesland naar Holland af te reizen: als ze míj maar niet hoefde aan te kleden. Mijn moeder is toen zelf maar uit bed gekomen om de strijd met monster Lehti te leveren.
Er waren meer 'meisjesdingen' die niet aan mij besteed waren. Zo weigerde de kapper me te knippen toen ik als kleuter wild om me heen sloeg. Hij wendde zich tot mijn moeder en zei: "Neemt u dat varken maar weer mee." Als ik nú kind was geweest, zat ik al lang onder de ritalin.
En ook nu ik -een soort van- volwassen ben, blijft het behelpen. Op mijn vorige klerenjacht, nam ik mijn minnaar mee. Hij is dòl op mooie kleertjes, geurtjes, schoenen. Híj wel. Toen ik me met drie te dure broeken terugtrok in een peeskamertje (haakjes! haakjes!, waarom zijn er toch overal zo weinig háákjes?) nam hij plaats op een krukje (Nee, beste lezer, het beeld van zo'n ongelukkige vent die om zijn vrouw heendraalt klopt hier niet. Deze man genóót) en hield hij een verplichte babbel met de winkeljongen: "Ze houdt niet van passen, meneer, haha", "Nou, precies, wat u zegt, dat hoor je niet vaak, ha ha." (Ja, halló, neem ik iemand mee om te voorkomen dat ik zelf in mijn slipje door de winkel moet voor een ander model, gaat ie me een beetje belachelijk maken! Oud wijf!) Na één broek had ik het wel gehad. Wat er verder in de schappen lag, gunde ik geen blik meer waardig. Boos beende ik de winkel uit. Mijn goed geklede begeleider kwam proestend van het lachen achter me aan.
Maar deze vrijdag zou ik de vrouw zijn! Vol goede moed fietste ik naar de kledingzaak. Die nog dicht was. De naastgelegen kinderkledingwinkel was gelukkig wèl open (uitstellen van pasgedrag?). En jawel, toeval bestáát, want daar stond de winkeljuffrouw van de zaak waar ik heen zou (we wonen hier eigenlijk in een dorp). Even later struinde ik alsnog onwennig tussen de tweedehands kleren.
'Wat is je maat?', vroeg ze (zou ze me al een tijdje hebben gadegeslagen?: 'Wat zou dat mens toch zoeken tussen de rekken met XXL?!'). Ik mompelde iets terug over 'mijn onderarm die in de taille moest passen'. Want ik wéét dat dus niet, hè, welke maat ik heb. De broek om je nek doen werkt ook prima, vooral om de paskamer te omzeilen.
Uiteindelijk heb ik me dan toch in een broek gehesen. Toen ik voorzichtig het gordijntje weer openschoof, klonk er eerst een veelbetekenend: "En?". Maar na bestudering van mijn bilpartij, zei ze dat ie me te wijd was. "Waar heb je die gepakt?... O, ja, dáár hangen de gróte maten." Om niet te snel toe te geven wierp ik eerst nog een blik in de spiegel. De broek was vies. "Nee," zei ze, "dat hóórt zo, dat doen ze expres (Ja duh, dat wist ik óók wel!), volgens haar had ik last van beroepsdeformatie. ("Dokter, ik zie schildersschimmen").
Ik weiger te betalen voor bevlekte kleren, dus dat ie te groot was kwam goed uit. Maar na het aan- en uittrekken van nog vijf broeken, kreeg ik zweterige associaties met mijn pubertijd. Voor de vorm bladerde ik nog even tussen de drollenvangers en pochte dat ik ècht wel wist dat die nu in de mode zijn. Weer mis! Zo'n zwemvlies tussen je benen is alweer passé. Zei ze. Vrouw zijn valt niet mee.
Tussen het bedienen van mij en de enkele andere klant, lepelde ze haar sla naar binnen. Zíj had vanmorgen wel eerst koffie gedronken met andere vrouwen. Drie cappuccino zelfs. Nu stond ze te stuiteren en had honger. Maar ze wist mijn minderwaardigheidscomplex wel te relativeren: "Ik heb er ook wel eens moeite mee hoor, met vrouw zijn." Verheugd vroeg ik wat haar zoal dwars zat: "Nou, ik schrijf in mijn agenda dat ik mijn benen moet ontharen, anders vergeet ik dat."
Dank je wel juffrouw Novy, broek en blouse passen perfect. Ik voel me weer helemaal vrouw!
(toen ik die avond ging douchen, zag ik dat ik alwéér was vergeten nieuwe scheermesjes te kopen.
Net als vorige week, en de maand daarvóór. Misschien moest ik ze eens op mijn lijstje zetten.)
De foto's zijn vijf jaar geleden gemaakt, bij een heuse sarto (kleermaker) Toscano. Daar schopten ze het tot bruidsjonkers. Gelukkig heb ik geen dochters.
*Voor de liefhebbers nog een link naar de bijbehorende en onverbeterlijke Nina Hagen.
Naturträne, is ook mooi.
woensdag 12 september 2012
Stemgenot
Het was verkiezingsdag! Joechei! Ik ben er de persoon niet naar om mijn stembiljet te reduceren tot een kunstwerkje. Integendeel. Dus ter voorbereiding op het uitbrengen van mijn stem, nam ik na thuiskomst plaats achter de buis. Alwaar ik, met een bordje linzendrab en tzaziki op schoot, genoot van de hilarische bijdrage van Arjen Lubach en Giel Beelen aan het verkiezingsgekte. Een tweet van Joris Luyendijk had de aanzet gegeven voor het zoeken van een passende band voor elke partij.
Queen matchte met de SP, Fleedwood Mac was de PvdA, Lady Gaga leek op het CDA en U2 paste goed bij de VVD (Giel: "Ze hebben ontzettend mooie woorden voor de wereld, maar uiteindelijk steken ze het geld gewoon in hun eigen zak), The Kelly family bij de SGP en Coldplay werd gekoppeld aan D66 (en toen wist ik zeker dat Novy er goed aan had gedaan thuis te blijven)
Eten op, mannen op tv uitgeluld en hopla, op de fiets naar de stembus. In zo'n multifunctioneel gebouw. Waar ik een paar uur eerder in de file voor had gestaan. Omdat er straten waren afgesloten, en er tevens drie auto's op elkaar waren gebotst. Al het spitsverkeer propte zich door een tweebaansweg langs het winkelcentrum. Het stoplicht sprong meerdere keren van rood naar groen en weer terug, maar de auto's reden niet. Er stroomde alleen nog meer verkeer in de fuik, zodat ook kruisingen volraakten en niemand nog een kant uit kon. Ik had eenvoudig even uit kunnen stappen om mijn stem uit te brengen. Maar ik deed het fijn op het laatste moment. Je moet van zo'n democratisch recht toch wel iets máken, nietwaar? Het is voorbij voor je er erg in hebt.
Dus parkeerde ik die avond keurig mijn fiets in de daarvoor bestemde rekken en ik liep, samen met die andere last-minutes, die daar waren met hetzelfde doel (dat schept een band, er werd gegroet), de deur door, een gang in, linksaf, nog een keer links, rechtsaf, wéér linksaf. En daar zaten ze dan. Zes mensen achter drie tafels. In die grote gymzaal met prachtige parketvloer. Waar een klein hoekje bij de deur was afgeplakt met rood zeil. Er werd gebladerd in de papieren, mijn paspoort werd gekeurd. En ja hoor, je raadt het al, ik stond op de gastenlijst! Ik mocht door!
Met het enorme witte tafellaken met al die honderden kandidaten, betrad ik het houten hokje. Een soort van kleine afwerkplek. Ik las nog even de instructie over wat te doen als ik blanco wilde stemmen, zocht de kandidaat van mijn keuze, -een zekere Huri-, kleurde het vakje rood, keurig binnen de lijntjes en deponeerde het tafellaken toen in de, jawel, vuilcontainer.
Want dat is dus waarin de stemmen werden gedeponeerd. In zo'n grote grijze rolcontainer.
Da's toch mooi? Dat we in het tijdperk waarin we alle bankzaken en sociale contacten op het net regelen. Waarin we krant en boeken op een beeldscherm lezen. Waarin veel mensen hun vrije tijd doorbrengen met het kweken van virtuele tomaten of het fokken van pixelkippen. Waarin ook politici twitteren alsof hun leven er van afhangt en we appjes kunnen krijgen voor om het even welke toepassing dan ook. Dat we in dàt digitale tijdperk:
een papieren stembiljet ontvangen
van een levende postbode
waarmee we dan eigenhandig naar een bestaand gebouw fietsen
daar met een heus potlood onze stem uitbrengen
en die dan in een grijze afvalbak gooien.
en dat aan het eind van de dag, al die miljoenen papieren, met de hand worden geteld (toch?).
Daar geniet ik gewoon van.
Labels:
eten,
Fleedwood Mac,
genot,
Novy,
politiek,
PvdA,
Queen,
tomaten,
verkiezingen
zondag 5 augustus 2012
Abonneren op:
Posts (Atom)