Posts tonen met het label minnaar. Alle posts tonen
Posts tonen met het label minnaar. Alle posts tonen

maandag 29 januari 2018

Aarde uit Arras (2)

(hier wat er aan vooraf ging: deel 1)

Ook de nicht van de tarte-de-pomme, kwam wel eens langs met haar kinderen. Haar man was toen al met de Noorderzon vertrokken. Zij werd en bleef, net als mijn moeder, verliefd op mijn vader. En in beide gevallen was die liefde wederzijds. Ik was nog een kleuter en kreeg er toen weinig van mee. Strubbelingen of ruzies kan ik me niet herinneren. Al zullen die er vast zijn geweest. Wat ik nog wel weet is dat mijn zus en ik korte tijd later wel eens mee mochten naar Frankrijk. Dan speelden we verstoppertje met haar kinderen. Dat de vriendin van mijn vader tevens de nicht van mijn moeder was, besefte ik pas veel later. Via klasgenoten kwam ik er achter dat mijn gezinssituatie bijzonder was. Als ik zei dat ik naar 'de vriendin van mijn vader' ging, werd wel eens gevraagd: 'Zijn je ouders gescheiden?' De logica van die vraag ontging me en ik antwoordde dan ook verbaasd: 'Nee, hoezo?'  Soms nam ik een stuk brioche of tarte-de-pomme mee naar school die zij had gemaakt. Ik kon het nadeel er niet van inzien.

Vijftien januari overleed ze. Na een lang leven vol taal, muziek en tuinieren. Naast mijn vader gingen ook mijn zus en ik naar haar uitvaart. Mijn moeder had ook mee gewild, maar ze was helaas nog ziek. En zo reden we zondag met mijn vader van Amsterdam naar Arras de route die hij zelf honderden keren per trein aflegde. De sleutel van het huis waar hij opgeteld een maand per jaar, zo'n veertig jaar lang vertoefde, zat nog in zijn broekzak. Maar dit keer sliep hij in een hotel. Op de bedden links en rechts van hem sliepen mijn zus en ik. Met zijn ogen al dicht zei hij tegen niemand in het bijzonder: 'Ik kom hier van mijn leven niet weer.'

Na de crematie gingen we naar haar tuin. De hazelaars en kersenbomen uit de jeugd van mijn moeder zag ik niet. De esdoorn die mijn vader er veertig jaar eerder had geplant was overwoekerd met klimop. Eens friszure appels lagen als een rottend bruin tapijt op het gras, ze waren het afgelopen jaar niet geoogst. Er werd gesproken, gezongen en op wangen gezoend. Gelukkig had mijn vader de dag ervoor de stamboom uitgetekend, zodat ik de namen iets beter kon plaatsen. Toch bleef het een vreemde gewaarwording om bij het handje schudden vaak de Friese achternaam te horen die ik van mijn oma ken. Uitgesproken op zijn Frans. Er waren vrienden en nazaten met Franse, Friese, Joodse, Nederlandse en Afrikaanse voorouders.

Toen haar urn later werd bijgezet in het familiegraf, werd er een toespraak gehouden in het Esperanto. Maar daar waren wij niet meer bij. We reden toen alweer terug naar Amsterdam en werden ingehaald door de Thalys. Een dag later treinde ik verder Noordwaarts. In de richting van de plek waar mijn bevlogen oudoom negentig jaar geleden vertrok om zijn idealen te verkondigen. Van een voorgelezen gedicht van hem versta ik slechts enkele woorden: dolores, canti, lumon, matura, libero, terra. (pijn, zang, licht, rijp, vrij, aarde.)

Toen ik thuiskwam waren de restjes aarde uit Arras in het profiel van mijn zolen opgedroogd en verspreidde ik een spoor door huis. Ik veegde het op en gooide het in mijn tuin onder de appelboom, en bij de braamstruik van mijn oma. 

zondag 28 januari 2018

Aarde uit Arras (1)

Op mijn lichte laminaatvloer lagen restjes aarde. Afkomstig uit een tuin in Arras. Maandagmiddag liep ik daar rond tussen een kweeperenboom en een esdoorn. Op hun wortels stond, naast frisse sneeuwklokjes, een urn. Helaas kon de urn niet open, dus kwam het niet tot uitstrooien van haar as.

De tuin was eens eigendom van een gegoede Franse familie. Van wie de dochter in 1935 trouwde met een Friese boerenzoon. Maar voordat deze Fries daar terechtkwam, maakte hij vele omzwervingen. Hij trok onder meer met een handkar van Nederland naar Zuid-Frankrijk, ontmoette mensen van over de hele wereld met wie hij kon praten want hij sprak een wereldtaal, het Esperanto. De boerenzoon propageerde de taal, maakte er boekjes over. De Esperantovereniging in Noord-Frankrijk draagt tot op heden zijn naam. Hij en zijn Franse vrouw kregen vóór, tijdens en na de tweede wereldoorlog vijf kinderen. Esperanto werd hun moedertaal. De as in de urn is van één van de dochters.

De Friese boerenzoon was een knappe, innemende man. In zijn huis waren familie en vrienden van over de hele wereld altijd welkom, maar vaker nog nodigde hij zichzelf bij anderen uit. Hij had een jeugdvriend, een schoolgenoot van de ambachtsschool in Leeuwarden. Ook deze vriend was ver van zijn geboortegrond neergestreken. Hij was een wees uit Wenen die in de jaren twintig in Friesland belandde, daar inburgerde en trouwde met een boerendochter, de zus van zijn vriend. Deze zus en de Oostenrijker werden de ouders van mijn moeder. Mijn grootouders dus. Mijn oma overleed in 2009  op bijna honderdjarige leeftijd.

Beide jeugdvrienden beleefden in de oorlogsjaren angstige tijden, om uiteenlopende redenen. Ze schreven elkaar brieven maar groeiden later uit elkaar. Mijn opa, de Oostenrijker, was een doener, een selfmade-man, die zonder ouders hogerop wilde komen en ook kwam. Zijn zwager, de geboren Fries, was daarentegen altijd onrustig en vol wilde plannen. Zo vatte hij in 1967 het plan op om zijn geboortehuis in Leeuwarden steen voor steen af te breken en weer op te bouwen in Arras. De dichtbundel die hij in het Esperanto publiceerde heette: 'La tutan mondon volus mi trairi' (ik zou graag door de hele wereld willen gaan). Hij maakte in 1974 een eind aan zijn leven in het huis van deze tuin. Zijn dochter die maandag naast de sneeuwklokjes stond, was degene die hem toen vond.

Voordat kort daarop ook haar Franse moeder overleed, had die het familiebezit keurig verdeeld over haar vijf kinderen. Met die erfenis gingen ze verschillend om. De één verkocht het huis, waar een benzinestation voor in de plaats kwam, een ander sleet er zijn laatste jaren tussen de geiten en de vrouw van wie we nu afscheid nemen verbouwde er aardappels en verwerkte het vele fruit uit de boomgaard tot jam en tarte-de-pomme.

In de jaren vijftig kwamen op de toen nog ongedeelde tuin in Arras mijn moeder en tante als kind. Op bezoek bij hun Franse familie. Ze konden, dankzij Esperanto, met hun neefjes en nichtjes communiceren, want ook mijn grootouders leerden de kunsttaal aan hun twee dochters. Samen plukten ze kersen, appels en hazelnoten. De neven en nichten groeiden op, verhuisden, kregen kinderen, al dan niet met man, ze scheidden, hertrouwden of gingen dood. Mijn ouders trouwden jong, nog ver voordat ik werd geboren, en zijn nu, na vijfenvijftig jaar, nog steeds samen. Ook later, in mijn ouderlijk huis, kwam de Franse familie soms langswaaien.  Een vader met een kind, een verdwaalde achterneef. Ik kon ze nooit goed plaatsen en niet met ze praten. Want Esperanto sprak ik niet.

Vervolg, deel 2

woensdag 6 februari 2013

Zuigende pindakaas

De lange ladders, drilboren en kitpistolen liet Lehti vanmorgen links liggen. Ze vond het een uitgelezen dag om zich weer eens van haar vrouwelijke kant te laten zien. Zij douchte lang, maakte zich minimaal op en deed frisse kleertjes aan. Maar toen?
Hoe kom je, als rechtgeaarde dame, het beste tot je recht op zo'n doordeweekse ochtend? Door chocola te gaan schranzen? koffieleuten? ongebreideld te roddelen? Een combinatie zou ook kunnen. Want multitasken is naar het schijnt bijzonder vrouwelijk. 

Kleding shoppen viel af. Dat deed ik al -vijf maanden geleden- en was geen onverdeeld succes. Hoewel ik het gehannes in zo'n zweterig peeskamertje met te weinig en veel te hippe (dus onhandige) haken wel heb overleefd. Ik kocht op de valreep zelfs een jas! Toegegeven, hij ìs te groot en toen ik die laatst dichtdeed riep iemand: "Lehti, je knoopt 'm schééf, zo kom je natuurlijk nóóit aan een vent." Maargoed, vanmorgen ging ik, in gezelschap van die gevatte dame, èn van de voormalige winkeljuffrouw,  èn van de vrouw die een heerlijke vruchtencake meenam waar je niet dik van wordt.
Koffie drinken.

En het was nog echte koffie ook. Geen hete kom vol chocomel met een grote, geile, langzaam over de rand lopende dot slagroom er op (waarbij sommige vrouwen dan menen dat ik de enige ben die  schaamteloos zo'n caloriebom naar binnen kan werken). Ook niet zo'n aangelengde plas 'Latte'. (Op alles wat Italiaans klinkt zit standaard twintig procent aantrekkelijkheids-tax). Nee, mijn inktzwarte koffie zat in zo'n pietepeuterig ieniemieniekopje. Ik goot er vervolgens zoveel suiker in dat de inhoud verdubbelde, en slurpte toen aandachtig het vloeibare zoete vocht naar binnen.

Wat zeg je? Zo'n kopje natgeroerde suiker is mannenleut? Ook best. De macho in mij moet ook gevoed, niet waar. Ter compensatie was het geklets dan wel weer übervrouwelijk. Niet te direct en zo. Je weet wel. En ik betaalde, bij hoge uitzondering, de eerste koffieronde. Wat een gentlewoman.

Waar het over ging? Nou, wij spraken braaf over Cito-toets en schoolkeuze. Het ging over de schoonmaak (-man, -middel, -sters) en over ons werk. Maar vooral óók over wat er tijdens dat werk besproken werd. Dat gaat dan dus niet over wie er die nacht, waar, hoe en door wie werd genomen, maar wèl over welke BN-er er in sommige stoute dromen voorbijkwam. Níet over wilde fantasieën om met pruimenjam dan wel onder de slagroom te worden afgelikt. Maar wèl over het andere geslacht.
Neem dat geslacht gerust letterlijk.
Dus in welk soort etenswaar steken geile mannen graag hun jongeheer. Liever in een warme appeltaart of in een smeuïge pot pindakaas? En of het voor de -aan- zuigende werking dan uitmaakt of daar hele stukjes noot in zitten. Het antwoord op deze vraag bleven we aan elkaar schuldig.

Maar vrouwen denken of praten natuurlijk niet over s.eks alléén -wie wil er nu wedijveren met het sterke geslacht?!- Nee, zij wisselen vooral hoogdravende informatie aan elkaar uit over kunst met een grote K. Over films als Call girl of The patience stone bijvoorbeeld. Met hoeren en mannen met macht in de hoofdrol. En we spraken over boeken. Van Esther Jacobs bijvoorbeeld: Heb jij al een foute man? Dat onder meer theoretische uitleg geeft bij het feit dat vrouwen gedurende hun cyclus op een ander soort man kunnen vallen. Ik hield ook nog een betoog waarin ik mannen vergeleek met bloemkolen. Maar dat kon ik zelf niet helemaal volgen.

De vrouwenochtend is voorbij. Ik mag me weer fijn in mijn stinkende overall hijsen, mijn haren tot sisaltouw reduceren en kloofjes kweken in mijn nu nog zachte vingers. Waarmee ik als lunch acht boterhammen met pindakaas naar binnenprop.

Voetballen is per slot ook niet aan elke man besteed.

zaterdag 29 september 2012

Unbeschreiblich weiblich*

Vrijdag is een prima dag om de vrouw uit te hangen. Door bijvoorbeeld te gaan koffiedrinken met soortgenoten. Maar dit eerste plan maakte bij mij plaats voor de aandrang om iets leuks te kopen. Voor mezelf. Welke gelegenheid ik gelijk te baat nam, want zoiets is een zeldzaamheid. Ik heb geen last van een tassenfetisj of schoenverslaving en eigenlijk heb ik ook een broertje dood aan passen. Altijd al gehad.

Als puber was ik wel eens jaloers op meiden die elk half jaar met hun moeder de stad in gingen om voor een paar honderd gulden hun garderobe te vernieuwen. Anderzijds leek het me een crime. Want nieuwe kleren betekende passen. En de enkele keer dat ik met mijn moeder gezellig ging winkelen in Delft of Den Haag, verliep ongeveer zo:

Moederlief zag vanuit haar ooghoek dat ik langer dan twee seconden bleef hangen bij een kledingrek (het liefst één dat pontificaal buiten op de stoep stond, zodat het overgaan van een drempel nadrukkelijk werd vermeden). Met een beetje mazzel reikte mijn hand dan, ja betástte ik met mijn vingertoppen zelfs, een kledingstuk. Als ze me dan voorzichtig attendeerde op de aanwezigheid van een paskamer, creëerde het uitspreken van dit woord een plotselinge afstand tussen mij en het mogelijk nieuwe t-shirt, sweater of broek: "Nee hoor, mam, ik vìnd dat niet mooi, hoe kom je dáár nou bij?" En als ik dan, bij hoge uitzondering, toch in mijn ondergoed in zo'n hokje stond (het is mij een raadsel hoe ze mij zo ver kreeg), constateerde ze vol ongeloof dat ik voor de gelegenheid mijn meest aftandse hemd droeg en waarschijnlijk ook niet de moeite had genomen me van te voren even op te frissen.

Fijn. Zo'n dochter.

Met vriendinnen 'stadten', is ook nooit wat geworden. Want ik ging met zestien jaar al het huis uit en liep even later, -vraag me niet waarom-, in nog aftandser kleren achter een kudde schapen (en een foute vent) aan. In een land waar men de onnavolgbare gewoonte heeft om zich minstens drie maal daags om te kleden. Quel horreur!

De kledingoorlog begon al als peuter. Een befaamde familieanekdote is die van mijn oma die op haar kleindochters zou passen om mijn moeder, die ziek was, te komen helpen. Oma was dol op ons en kwam graag. Ze naaide, wandelde, bakte brood en havermoutkoekjes maar ze stelde wel één voorwaarde, alvorens van Friesland naar Holland af te reizen: als ze míj maar niet hoefde aan te kleden. Mijn moeder is toen zelf maar uit bed gekomen om de strijd met monster Lehti te leveren.

Er waren meer 'meisjesdingen' die niet aan mij besteed waren. Zo weigerde de kapper me te knippen toen ik als kleuter wild om me heen sloeg. Hij wendde zich tot mijn moeder en zei: "Neemt u dat varken maar weer mee." Als ik nú kind was geweest, zat ik al lang onder de ritalin.

En ook nu ik -een soort van- volwassen ben, blijft het behelpen. Op mijn vorige klerenjacht, nam ik mijn minnaar mee. Hij is dòl op mooie kleertjes, geurtjes, schoenen. Híj wel. Toen ik me met drie te dure broeken terugtrok in een peeskamertje (haakjes! haakjes!, waarom zijn er toch overal zo weinig háákjes?) nam hij plaats op een krukje (Nee, beste lezer, het beeld van zo'n ongelukkige vent die om zijn vrouw heendraalt klopt hier niet. Deze man genóót) en hield hij een verplichte babbel met de winkeljongen: "Ze houdt niet van passen, meneer, haha", "Nou, precies, wat u zegt, dat hoor je niet vaak, ha ha." (Ja, halló, neem ik iemand mee om te voorkomen dat ik zelf in mijn slipje door de winkel moet voor een ander model, gaat ie me een beetje belachelijk maken! Oud wijf!) Na één broek had ik het wel gehad. Wat er verder in de schappen lag, gunde ik geen blik meer waardig. Boos beende ik de winkel uit. Mijn goed geklede begeleider kwam proestend van het lachen achter me aan.

Maar deze vrijdag zou ik de vrouw zijn! Vol goede moed fietste ik naar de kledingzaak. Die nog dicht was. De naastgelegen kinderkledingwinkel was gelukkig wèl open (uitstellen van pasgedrag?). En jawel, toeval bestáát, want daar stond de winkeljuffrouw van de zaak waar ik heen zou (we wonen hier eigenlijk in een dorp). Even later struinde ik alsnog onwennig tussen de tweedehands kleren.

'Wat is je maat?', vroeg ze (zou ze me al een tijdje hebben gadegeslagen?: 'Wat zou dat mens toch zoeken tussen de rekken met XXL?!'). Ik mompelde iets terug over 'mijn onderarm die in de taille moest passen'. Want ik wéét dat dus niet, hè, welke maat ik heb. De broek om je nek doen werkt ook prima, vooral om de paskamer te omzeilen.

Uiteindelijk heb ik me dan toch in een broek gehesen. Toen ik voorzichtig het gordijntje weer openschoof, klonk er eerst een veelbetekenend: "En?". Maar na bestudering van mijn bilpartij, zei ze dat ie me te wijd was. "Waar heb je die gepakt?... O, ja, dáár hangen de gróte maten." Om niet te snel toe te geven wierp ik eerst nog een blik in de spiegel. De broek was vies. "Nee," zei ze, "dat hóórt zo, dat doen ze expres (Ja duh, dat wist ik óók wel!), volgens haar had ik last van beroepsdeformatie. ("Dokter, ik zie schildersschimmen").

Ik weiger te betalen voor bevlekte kleren, dus dat ie te groot was kwam goed uit. Maar na het aan- en uittrekken van nog vijf broeken, kreeg ik zweterige associaties met mijn pubertijd. Voor de vorm bladerde ik nog even tussen de drollenvangers en pochte dat ik ècht wel wist dat die nu in de mode zijn. Weer mis! Zo'n zwemvlies tussen je benen is alweer passé. Zei ze. Vrouw zijn valt niet mee.

Tussen het bedienen van mij en de enkele andere klant, lepelde ze haar sla naar binnen. Zíj had vanmorgen wel eerst koffie gedronken met andere vrouwen. Drie cappuccino zelfs. Nu stond ze te stuiteren en had honger. Maar ze wist mijn minderwaardigheidscomplex wel te relativeren: "Ik heb er ook wel eens moeite mee hoor, met vrouw zijn." Verheugd vroeg ik wat haar zoal dwars zat: "Nou, ik schrijf in mijn agenda dat ik mijn benen moet ontharen, anders vergeet ik dat."

Dank je wel juffrouw Novy, broek en blouse passen perfect. Ik voel me weer helemaal vrouw!

(toen ik die avond ging douchen, zag ik dat ik alwéér was vergeten nieuwe scheermesjes te kopen.
Net als vorige week, en de maand daarvóór. Misschien moest ik ze eens op mijn lijstje zetten.)



De foto's zijn vijf jaar geleden gemaakt, bij een heuse sarto (kleermaker) Toscano. Daar schopten ze het tot bruidsjonkers. Gelukkig heb ik geen dochters.

*Voor de liefhebbers nog een link naar de bijbehorende en onverbeterlijke Nina Hagen. 
Naturträne, is ook mooi.

zondag 10 juni 2012

Komt een vrouw bij de


Laat ik die zin maar niet afmaken. Ik ben niet zo bekend met de auteursrechten in blogland. Pochen dat je kind op een filmster lijkt mag misschien nog nèt, maar dit riekt vast te veel naar misbruik. Heel Nederland weet intussen wel waar die vrouw kwam.

Ook ik moet misschien maar 's naar een dokter. Voor mezelf. Niet voor 'n ander, zoals ik vorige week deed bij de bloedbank, waar de dienstdoende arts me er op wees dat niet alleen mijn ijzergehalte maar ook mijn bloeddruk te laag was. Iets beter voor mezelf zorgen dus. Mijn eigen huisarts sprak ik trouwens ook al. Maar dat ging dan weer over hypotheken, Afrika, drugs en de klassenverdeling. Dat heb je zo, met een dokter die kinders heeft op dezelfde school als je eigen kroost. 

Ok, prima, geen dokter dus. Dan gaat die vrouw toch gewoon naar de markt. En niet naar de gewone markt. Nee, dit was een heuse een-uur-voordat-het-Nederlands-elftal-moet-spelen-markt. Da's net zo zeldzaam als die Venus die eerder deze week voor de zon langs ging. Ik zag het niet, want ik was niet op Ameland. En in de rest van het land was Venus afgeschermd door een dik wolkendek.

De aardappelman wist me bij het volscheppen van een zak muizen nog vrij relaxed te melden dat je die lekker in de schil kunt koken (vast geen voetballiefhebber). Ook de kaasvrouw was in voor een babbel. Ze vroeg hoe het met de vriendin van de vriendin was, die al twee keer was geopereerd aan een hersentumor. En toen ze vorige week kennis had genomen van mijn status van gescheidene (Goh, jee, echt wáár meid?) gaf ze me, met invoelende blik, een stuk kaas kado. Ik nam me voor om me dit keer ook vol overgave in het roddelcircuit te storten van de sociale kant te laten zien. Maar ik sloeg de plank mis. Want de man naar wie ik beleefd informeerde bleek al drie jaar dood te zijn. Kanker. Moest ik haar nu condoleren? Me excuseren? Ik mompelde iets vaags over het door elkaar halen van namen, betaalde en liep verder. Gelukkig had ze het druk met een kudde Duitsers die na mij kwam.
 
Nu ging het er om spannen. De fruitman had zijn appels al onderop de kar gezet. 'Doe maar tien kiwi's', het eerste dat ik zag, 'en een doos aardbeien' en weg was ik. De A-kerk wees vijf uur aan. De poelier was zijn kar al van het plein af aan het manoeuvreren. Oranje leeuwen fietsten, laverend met sixpacks bungelend aan het stuur, tussen de marktkarren door. De groenteman maakte er geen geheim van en zei, meer geïrriteerd dan verontschuldigend: 'Ja, hoor 's, ik wil de wedstrijd zien' en drapeerde zijn zeil over de broccoli. Geen groente dus.

Het leek alsof op elk moment een onweersbui kon losbarsten (gister, vrijdag, was ècht de bliksem ingeslagen in de Herestraat). De bloemenboer reed zich klem en stond met zijn neus bijna tegen de SUV van de Belg die zijn friettent wegsleepte. Achteruit rijden was onmogelijk. Ze blokkeerden beiden het fietspad voor de Korenbeurs, dat toch al volstond met barrels omdat iedereen nog gauw iets lekkers wilde scoren bij de AH. Er stonden welgeteld nog zes pijpjes pils van mijn favoriete merk in het allerlaatste krat. Voetbal op de buis betekent bier in je kruis. 
   
Het was leuk geweest om de tijdstippen te noteren waarop de oerkreten opstegen uit de stad. En dan de toonhoogte of lengte van het gebrul te verbinden met doelpunten of gemiste kansen. Vergelijkend onderzoek doen. Met hoe apenkreten klinken of wat het met seks van doen heeft. Want soms leek het alsof heel Groningen tegelijkertijd (bijna) tot een hoogtepunt kwam. Na afloop hoorde ik dat Nederland met 1-0 verloor tegen de Denen. Arme Denen. Kunnen ze voorlopig niet rustig over hun markt struinen. Misschien hadden ze seks gehad voor de wedstrijd. Of juist niet. Ik las deze week een artikel over onderzoeken (meer het gebrek hieraan) die aantoonden dat dit voor sporters prestatieverhogend (of juist verlagend) zou werken. Over spieren, aandacht en het 'knuffelhormoon' oxytocine. Misschien moest ik maar 's onderzoeken of er nog dansgrage gedesillusioneerde manspersonen in de stad zijn.

Ik stuur een sms. Of hij nog gaat dansen. 'Als je me vraagt', luidt het antwoord. Tja. Het is laat. Nachtrust is een goed medicijn voor je weerstand. Hij vraagt of ik bij hem kom. Maar ik ga slapen. Ik hoef geen wedstrijd te winnen.

Zondagochtend eet ik verse radijsjes uit de kindertuin.
Die zijn rijk aan ijzer naar het schijnt.

Un ravanello al giorno, toglie il medico di torno
(a radish a day keeps the doctor away).

Er komt geen vrouw bij de dokter.
En ook niet bij de groenteboer. 

Een gezonde zondag allemaal!







zondag 20 mei 2012

De datende mama


Het is één uur 's middags. Ik ga te laat komen, zoals gewoonlijk. Tijdens het wegwerken van een laatste weekendwas, sms ik dat ik er aan kom. Hij is per trein uit de randstad gekomen. Met de auto haal ik hem op bij een vriendin in een dorp boven Groningen, waar hij logeert. Er is geen plan. Alleen een date.

Ik gris mijn jas van de kapstok, zwaai mijn rugzak over de schouder (moest ik misschien niet toch een handtas meenemen? Nee,... het is geen nette meneer) en dender de trap af. Hé, de buurvrouw heeft de krant in het portiek gelegd. Die ook maar meteen meenemen. Uit mijn achterbroekzak peuter ik een giro-envelop, waarop het adres staat gekriebeld. Terwijl de Tom-tom opwarmt, kan ik nog even koppensnellen: 'Griekenland en de run op spaartegoeden, Grunbergs column gaat over 'glijmiddel' en helemaal bovenin, op de voorpagina, staat een kleurenfoto van een bekend babykoppie. Het is één van de rotjes. 'Mamablogs om jaloers op te worden' staat er naast het hoofdje. Straks maar 's verder lezen wat Aaf Brandt Corstius daarover te melden heeft.

Het navigatiesysteem is klaar voor gebruik maar weigert mij de weg te wijzen naar het oord dat ik intyp. Geen gps signaal. Het is midden op de dag en mooi weer. Zolang ik mijn schaduw achterna rijd komt het goed. Drie keer doorkruis ik het gehucht ('àls je te laat komt, doe het dan góed', was het devies van mijn leraar psychologie) alvorens de weg te vragen aan de postbode. Die kent niet alleen de juiste straat, hij wijst me ook het huis van mijn bestemming. In een dorp gebeurt niets ongezien. Ik zwaai naar een schoffelende man, kinderen doen tikkertje op het kerkhof en na wat heen en weer steken met mijn klusbus ben ik waar ik moet zijn. Mijn date stapt in. Ik zag hem één keer eerder. Een hand, drie zoenen. 'Wat gaan we doen?, waar gaan we heen?'

Per mail had ik gekscherend geopperd om te gaan wadlopen of salsadansen. Maar hij leidt me, turend op de kaart, naar Appingedam, waar een heus hippiefeest aan de gang is. Eigenlijk wilde ik hem de beroemde hangende keukens laten zien. Maar de gepimpte volkswagenbusjes en visboer met indianenveer, ogen ook inheems. We praatten over de Linge, de Dieze, kamperen in de VS, de kurfürsten, de Keileweg, Afghanistan en kloostermoppen. We zitten op het terras in Ewsum, waar ik ooit werkte met een dikke buik, en waar vergeten groentes worden gekweekt. We passeren een plaatselijke motorcross en bewonderen de kerken van Leermens, 't Zandt en Westerwijtwerd. Of was het de oostelijke 'wijtwerd'? Soms mis ik een zin of twee. We duwen dikke deuren open en klimmen met een kop thee een krakende trap op. Een tikkend uurwerk slaat vier uur. Boven in de klokkentoren is geen mens. Het is er donker. We verlaten de kerk.

Eenmaal terug in de stad, blijkt dat mijn 'we zien wel'-aanpak niet altijd werkt. De voorstelling van Theater te water, ("over relativering, maar vooral over hartstocht, verlangen en liefde..."), aangemeerd aan de prachtige Hooge der A, is uitverkocht. En even later staan we beteuterd voor de dichte pui van het filmhuis aan de Poelestraat, dat jaren geleden verhuisde naar het Hereplein. Ik ben er met mijn hoofd niet bij. We komen te laat voor de laatste film. We drinken koffie op een terras aan het water. Naast ons zit een stel Fransen. Hij is geen voetbalfan, want terwijl het meeste manvolk zich in de kroeg om een groot scherm schaart, pluist mijn date geduldig de uitladder na. Veel meer dan wandelen doen we niet. Maar het bier vloeit rijkelijk, het patatje oorlog smaakt goed en ook de kermis blijkt, mits in goed gezelschap, best leuk.


En op zondagochtend, tussen de gebakken eieren en het versgeperste sap, gaat het gesprek gewoon verder. Daarna trekken we voldaan een sprintje naar het station. Het zit mee dit keer, het perron staat vol mensen. Precies 24 uur nadat ik hem ophaalde, zwaai ik hem weer uit.

Als ik weer thuis ben duik ik in de krant waarin Aaf de loftompet steekt over mamablogs. En dan vooral de ecologische thuisblijfmoederblogs. Want ze knutselen en koken zo leuk. Ze hebben een schare volgelingen en plaatsen foto's van vergeten groenten en zelfgemaakte kleding. Dat wil iedereen. Aaf heeft het over 'diep-jaloers' en een 'internationale beweging'.

Ik deed dat ook eens. In mijn vorig leven. Thuisblijven. En aubergines wecken, kaas maken, sokken stoppen en zelfs kalveren met mijn hele arm uit een koeienkut trekken. Ik genas geiten met mastitis en verjoeg springbeestjes uit de moestuin met natuurlijke brandneteldrab (stinken!). Ik at mijn varken (Maria Rosa) in worstvorm en werkte eigenhandig konijnen, duiven en kalkoenen de diepvries in. (Met eufemismen kan men het aaibaarheidsgehalte van 'ecologisch' aardig opkrikken. Shockeren is immers niet des moeders. Want dat, moeder, was ik in dat vorig leven ook al) Maargoed, met die kunde kan ik nu dus niks meer. Hoewel ik het jagen soms niet kan laten. Op een papiertje in mijn broekzak staat "5 punten. Dingemans schiettent"


Aaf maakt er geen geheim van dat de jaloezie ook haar treft. Ze werd onlangs geïnterviewd op de radio. In verband met haar pas verschenen boek over het moederschap. Over de kinderen die ze kort na elkaar kreeg, haar jong verloren moeder en haar beroemde vader, die dat schrijven over privézaken maar matig vindt. Mme ZsaZsa, één van de genoemde mammabloggers, legt haar keuze voor het thuismoederen uit als had ze 'geen ambitie'. Maar een alinea later is ze in de wolken omdat ze een Zeer bekende Vlaming, van de Belgisch bestsellerlijst heeft gestoten. Ambiteus madammeke. Gelukkig maar, ook moeders is niks menselijks vreemd. Ze voegt er later nuchter aan toe dat ze ook ontzettend saaie dingen meemaakt. Maar dat ze daar niet over blogt. Wegens oninteressant.

Maar soms hè, lieve lezer die hier om de hoek kijkt, sòms is ook wat wèl interessant is, toch geen waardig blogvoer. Zoals dat verhaal wat hierboven is weggevallen, daar tussen dat stukje over de charme van de kermis op zaterdag en het zondagse ei met sap. Daar waar nu de foto's van die scheur in die zerk en dat opwindmechanisme van het klokkenspel staan. Stel je voor zeg. Staan er straks jaloerse volgers op je stoep. Of zo.

P.S. Aaf haar eigen dagelijks column ging over "een tijdloos document over drie ultieme levensbehoeften: voetbal, eten en moederliefde". Ze besluit met een handige tip van voetbalmoeder Sneijder. Die geleerd heeft de knop om te zetten en zichzelf uit te zetten. Aaf, naar eigen zeggen ook samenwonend met iemand die voetbal als ultieme levensbehehoefte beschouwt (en die ze leerde kenen op haar werk) gaat ook op zoek naar die knop. Arme Aaf. Ik hoop voor haar trouwe volgers, waaronder ik ook mezelf schaar, dat 'werk' (lees: 'schrijven') nog lang tot haar eerste levensbehoeftes mag behoren.
Kan ik haar blijven volgen.

dinsdag 28 juni 2011

Ierse lifters

Het waren van die hele echte. Zij met een strooien hoed, hij met een stoppelbaardje. Hun rugzak een beetje scheefgezakt aan hun voeten. Ze stonden daar. Op de eerste echte Liftplaats van Nederland. In Amsterdam.

Ik was er speciaal langsgereden. Had geen zin om opnieuw twee uur in mijn uppie te rijden. Maar negen van de tien keer staat er niemand te liften. Zeker niet na de invoering van de OV-kaart voor studenten. Maar nu dus wel. 'Germany', daar wilden ze heen. Dat schikt, die kant moet ik ook op! Maar de richting was verkeerd, dus ze bleven liever staan.

Aan mij kan het niet gelegen hebben. Hoewel ik er een uurtje eerder ronduit smerig uitzag, was mijn aanblik nu, al zeg ik het zelf, best appetijtelijk. Had me zelfs zeer smakelijk uitgedost. Want na drie dagen klussen in Amsterdam had ik zin in een verzetje. En mijn minnaar zou ook komen. Per trein. Konden we samen wat leuks doen. En dan samen terug. Maar hij kwam niet. Hoofdpijn. Een soort Ierse lifter zal ik maar zeggen.

O, had ik gedacht, dan kan mister V. tòch mooi mee terugrijden naar Groningen? Dezelfde macho man aan wie ik gisteravond had gevraagd of er nog wat te dansen viel in Mokum. Maar hij had zijn mobiel toen niet gehoord, en mijn sms vanmorgen pas gelezen. Wat erg jammer was, zei hij. Want er was gister toch zó'n enórm fijn Carribean feestje in de Melkweg geweest. Fantastisch! Super! Echt jammer dat je er niet was, Lehti. Ja, leuk, meneer V., en dat zeg je me nú, een dag later, wat koop ik daarvoor? Iets wat wàs maar toch niet. Een Ierse liftparty of zoiets.

Meerijden hoefde de macho later ook niet meer. Want nadat ik tevergeefs op mijn minnaar had gewacht, was de trein die V. Noordwaarts had genomen, al voorbij Zwolle. Geen dansfeest, geen minnaar, geen mister V. en ook mijn naar Amsterdam verkaste vriendin was de avond te voren dronken geweest en had nu een kater. Dus besloot ik via de liftplek naar Groningen te gaan. Waar Ierse lifters stonden. Die niet meereden.

Honderdtachtig kilometer verderop bel ik aan bij mijn eigen huis. Of althans, bij de bel waarnaast tot op heden mijn naambordje prijkt. Naast de naam van mijn ex. Die er nog wel woont. Ik ben zelf een deurtje verder gaan wonen. Moet kunnen. Ik was drie dagen weggeweest, zodat hij en zijn nieuwe liefdesduifje alle vrijheid hadden om te tortelen. Zelfs als glurende buurvrouw zouden ze geen last van me hebben. Ze hadden lekker gezinnetje gespeeld. En ik had kunnen werken. Win-win heet dat toch?

Maar buurvrouw Lehti vond het nu tijd voor een paar plichtplegingen (handje schudden, 'hou-are-joe?' 'fain-end-joe?') met het duifje in kwestie, dat, naast het tortelen ook de zorg voor mijn bloedjes van kinderen op zich had genomen.

Nee, ze wou niet, kon niet, ze wilde geen dag zeggen of handje geven. Ach ja, prille liefde, hè. Moet kunnen. Mooi rokje had ze wel aan. Dat kon ik zien, staand voor mijn eigen voormalige voordeur. Alleen wat zuur dat zij degene was om wie ik dat deurtje verder ben gaan wonen en dat ze desondanks zeurt over dat naambordje, tampons op zijn toilet en foto's van mij in zijn huis die mijn foto's niet zijn. Typisch geval van een Ierse lifster. Zo één waar je op rekent, en die dan toch niet komt vanwege hoofdpijn, een gemiste sms, of omdat ie een andere kant van Duitsland op moet.

Maar wacht 's even? Nu draaf je door lieve Lehti! Je hàd helemaal niet op haar gerekend! Sterker nog, je kunt haar missen als kiespijn (en hij ook, maar dat zal hij niet toegeven, want nu hij 'A' heeft gezegd, volgen daar alle alfabetten van de hele aardbol op, dat is hij aan haar verplicht, daar is ie van overtuigd). Ze is dus geen Ierse liftster. Meer een Franse, of Zwitserse of zo. Zo één die er wel is, als je er niet om hebt gevraagd, die wispelturig wappert met haren, glimlacht, vleit en voert maar dan bergen aandacht terug verwacht. Op de manier en momenten dat zij dat wil. Want ze heeft zo veel voor je over.

Brrr, op dat soort lifters zit ik niet te wachten. Dan maar alleen rijden.