Posts tonen met het label pubers. Alle posts tonen
Posts tonen met het label pubers. Alle posts tonen

donderdag 30 januari 2020

Liften moet je doen

Mijn steekkar maakt een mooi spoor in de pasgevallen sneeuw. Aangekomen bij mijn klusbus laad ik de kistjes gereedschap op de achterbank. Vanuit mijn ooghoek zie ik een groepje pubers op de stoep staan, ligt ineengedoken in een kringetje. Hun aandacht is waarschijnlijk gericht op de smartphone van één van hen. Maar dat kan ik niet zien want ze staan met hun ruggen naar buiten gericht.

Nadat ik de sneeuw van mijn spiegels en voorruit heb geveegd, eet ik in de auto nog snel even mijn vergeten lunch op, pleeg wat telefoontjes en keer mijn auto. Ik ben lekker vroeg vrij. De sneeuw is intussen weggestroomd met de regen, die nu met geweld uit de hemel valt. Raar weer.

Al laverend tussen de vele fietsers door zet ik koers naar huis. Drie straathoeken verder zie ik het groepje jongens opnieuw. In eenzelfde kringetje. Dit zijn overduidelijk geen Pieterpadlopers die voor de fun door de regen banjeren. Daarvoor ontbreken de Nordic walkingstokken en de Gaastra jassen. Deze jongens dragen slechts een papieren tas. Of meer de flarden die daar van over zijn.

Ik doe het bijrijdersraampje naar beneden en roep: 'Zoeken jullie iets?' De jongens kijken op van onder hun capuchons en lopen door elkaar pratend mijn kant op. Ze lijken lichtelijk in paniek. Uit hun half Engelse, half Duitse antwoord maak ik op dat ze hun klas zijn kwijtgeraakt en dat ze naar het Groninger museum moeten, van waar hun bus over tien minuten vertrekt. 
Het Groninger museum? Dat is compleet de andere kant op! De stakkers.  

Ze zijn met z'n vijven, dat zou net passen. Probleem is echter dat alle zitplaatsen al volstaan. Ik stap uit en zet de commandomodus aan. 'I will bring you there but first you have to help me to make some space.' Uitgelaten nemen ze de kistjes gereedschap van me aan en nadat de accuboren, schroevenbakken en verfbenodigheden schots en scheef in het laadruim staan, persen de jongens zich dicht tegen elkaar aan in mijn klusbus. 

Wat hou ik toch van deze leeftijd. Jongens met zware basstemmen en het postuur van een uitsmijter in spé maar met een houding die die van een kleuter nauwelijks ontstijgt. Het roept terstond de opvoeder in mij boven. Net als ik de dag eerder deed met mijn zoon van dezelfde leeftijd. Die me appte of ik hem van school kon halen vanwege een lekke band. 'Ja', schreef ik toen terug, 'Maar bij thuiskomst gaan we dan gelijk je band plakken.' Dit keer taxi ik vijf verloren pubers tegelijk. 

Als we door de Ebbingestraat rijden wijs ik ze op de vele voetgangers. 'If you get lost again, it might be better to ask one of them instead of checking your smartphone. All those people know where the Groninger museum is'. Eén van hen geeft toe: 'Yes, we are dumb'.

'Nou, jullie zijn vast niet dom, alle jongens van jullie leeftijd wonen in hun foon, dat doen mijn zoons ook. Maar soms is de weg vragen aan vreemden handiger dan internet. Belerend voeg ik er aan toe: 'Wat andere volwassenen jullie ook wijsmaken, als jullie later nog 's gaan reizen, ga dan vooral liften, dan ontmoet je nog 's iemand.'

Op de Eendrachtskade staat het zoals altijd vast. Het volume van mijn gezelschap stijgt. Eéntje belt opnieuw de docent om te zeggen dat ze er met vijf minuten zijn, dat ze worden gebracht door een 'Nette Frau'. Ik zeg dat ze vast boos op hen zullen zijn. 'Yes, very angry', antwoorden ze in koor. 

Exact om 14.20 uur stuift het vijftal uit mijn auto en steekt de weg over naar de al klaarstaande bus die na hun instappen gelijk de deuren sluit en vertrekt. Ik wacht nog even om te zwaaien, zodat de docenten kunnen zien dat die met plamuur en purschuim besmeurde Nette Frau geen enge heks is. Maar of ze daaruit de les trekken om toch vooral met vreemden mee te gaan betwijfel ik.

Op de grond voor de bijrijdersbank resten wat flarden van een natgeregende papieren tas.







zondag 24 juli 2016

Kijken naar wat kwijt lijkt

De bril van mijn moeder is vaak kwijt. En die van mijn tante. En die van hun moeder ook. Wat zeg ik? Die oma was zelfs eens haar gebít kwijt. Toen we haar eens hadden meegetroond naar een Franse blootjescamping. Het gebit kwam weer boven water. En de brillen meestal ook.

De bril van mijn vader is nooit kwijt. Hij heeft 'm altijd op. Hoewel in één van de twee glazen gewoon glas zit. Want hij mist op zijn beurt dan weer een oog. Foutje met een schaar in zijn jeugd. Ook zijn kunstoog raakt hij nooit kwijt, dat ligt gewoon elke dag in een zakdoek onder zijn kussen. Wat misschien wat creepy klinkt, maar wat mijn zus en ik als kind doodnormaal vonden.

Nu ik zelf gestaag richting de vijftig ga, wordt ook mijn zicht minder. Al heb ik nog wel beide ogen. De onlangs aangeschafte varifocus bril is dan ook een prachtige prothese. Onmisbaar voor als ik uit het raam leun om scharnieren uit te beitelen in het kozijn van een dakkapel maar ook niks wil missen van wat er zich zes meter onder mij afspeelt. Of bij het hanteren van de haakse slijper. Als ik 'per ongeluk' vergeet een veiligheidsbril op te zetten. Maar in mijn vrije tijd is zo'n ding soms lastig.

Vooral in die gevallen waarbij je ontdekt dat ie er niet meer zit. Op je neus. En je juist na een lange werkweek met drie boeken én de zaterdagkrant aan de waterkant bent neergestreken. En, dat is nog het meest verontrustende, je even te voren een duik nam in het troebele water. Wat je nooit doet. Maar het water was dit keer zo heerlijk pislauw. En de eveneens in drievoud meegekomen puberjongens leken zich ook nog te laten overtuigen door moeders duik. Zodat ik hoopte om voor het eerst deze week ongestoord een hele bladzijde en/of artikel uit te kunnen lezen zonder een verdwaalde bal op hoofd.

Tegen beter weten in schuifelde ik nog wat heen en weer over het baggerzand in het ondiepe water. U kent dat wel. Van dat water waar je op twintig centimeter diepte al niks meer ziet. Laat staan een bril. Eén van de jongens bood nog aan om even voor me naar huis te fietsen om te kijken of ie daar misschien nog lag. Hoe lief.

Maar zonder bril. Zonder boek. Zonder krant en zonder medebadgasten was er ook genoeg te zien. Zwemmende jongens. Een reiger, meeuwen en een kiekendief. Twee zwemmende oma's. De stadsbus aan de overkant en langs wandelende groepjes mensen. Die ook iets zochten. Wat ik niet kon zien. Zelfs niet als ik mijn bril had gehad.

Beestjes. Monsters, De pubers zeiden giechelend dat ik een beetje op een .... god hoe heet dat Pokemon beest nou? Die dik schijnt te zijn en schattig. Ik vond het allemaal best. Ik keek, En zag. Er werd gebasketbald om chips en naar de overkant gezwommen. Zonder leesvoer was ik degene die als eerste uitbundig zwaaide.

Thuis dirigeerde ik de jongsten zonder te douchen naar bed. Ook geen verplichte tekencontrole meer. Ik viel uit mijn rol van schattige dikke Pokemon en zei hardop: 'Ik ben niet blij'. Chagrijnig hing ik bij zoon Leo op schoot voor de buis en fantaseerde over een nachtelijke tocht naar het meertje. Met schepnet. Toen zette Leo, met een nauwelijks onderdrukte grijns, mijn mooie rode bril weer op mijn neus. Hij lag nog in de badkamer. Moeder zijn is soms best fijn.







maandag 18 februari 2013

Over de bevalling van vogels

In verband met mijn werk kom ik veel in studentenhuizen. Niet als meteropnemer of deurwaarder, maar als klusser. Best grappig af en toe. Want een beetje klusjesman maakt natuurlijk graag een babbel. Babbels die over het algemeen heel anders lopen dan de panden waar
gezinnen (Hoe hou ik die beitels buiten bereik van die peuter?),
bejaarden ("Nee, dank u mevrouw, ik heb ècht genoeg koffie gehad)
of boekhouders (Rara, hoeveel strekkende meters dossierplank kan je in één kamer kwijt) wonen.

Bij de pas verhuisde studenten helpt er soms een vriend of vriendin mee met sjouwen en schilderen. Meestal is het de moeder die zich maar al te graag bemoeit met het inrichten van de eerste echte kamer van haar zoon of dochter (Ikea doet gouden zaken). Trots en vreugde over dat mooie, geslaagde kind dat aan zijn of haar eigen leven begint, wedijveren met de angst wat haar (inmiddels achttienjarige) baby wel niet allemaal kan overkomen. Anders dan bij de kleurkeuze voor het behang in de babykamer achttien jaar eerder, voegt moeder zich nu schoorvoetend naar wat het kind zelf wil. Soms fungeer ik als een soort praatpaal bij deze weeën die haar een leeg nest opleveren. "Ik heb haar wel gezegd dat alles daardoor erg donker lijkt, maar ze wil persé zwárte gordijnen."

Leuk is ook te horen hoe de uitvliegende vogel zijn of haar nieuwe vrijheid zèlf ervaart: "Als ik zin heb pas om half negen te gaan eten... dan dóe ik dat!" (gehuld in badjas op klaarlichte dag). Minder blij word ik van de uitwerking van die vrijheid op mijn werk: zelden zag ik een gloednieuwe gootsteen zo rap onder de bamiresten verdwijnen.

Wat ook opvalt is de onwetendheid omtrent technische zaken. Ik begrijp best dat je als nieuwe bewoner niet gelijk weet waar de water- of gasmeter zit. Maar het hele besef dat hetgeen uit kraan of stopcontact komt, ook ergens de woning bínnen moet komen, ontbreekt vaak. Bij het woord 'meterkast' word ik niet zelden schaapachtig aangestaard (Zou ze misschien de naam van een nieuw appje bedoelen?). Soms ervaren de bewoners van de benedenhuizen met lekkende plafonds, de komst van mijn klusbus, als een openbaring van de Messias herself. Terwijl de student die boven woont en het euvel veroorzaakt, mij dan doodleuk vraagt, vlak nadat ik uit voorzorg de hoofdkraan dichtdraai, of er nu dan weer naar hartelust kan worden gedoucht.

Studenten wonen veelal in het centrum. Alwaar parkeerplek schaars is. Vorige week wijdde ik me weer eens aan zo'n huis en dumpte mijn auto eerst een tijdje op de stoep. Dikke, dure auto's die uit onzichtbare inpandige garages op straat leken te worden gespuugd, passeerden stapvoets, met norse blik en ingeklapte spiegels mijn vehikel. Maar de gemeentereiniging toeterde mij weg bij mijn werk, ze pasten er niet langs. Toen ik al draaiend en stekend achter het stuur zat, zag ik twee oranje fietstassen in mijn achteruitkijkspiegel. Er stond een bekend gezicht naast: Het was de postbode, tevens de moeder van een klasgenootje van zoon Kees (8). Twee dames in uniform. Altijd leuk.


"Hé, jij ook hier aan het werk? Weet jij waar ik mijn auto kwijt kan?"
"Vaak zetten ze 'm daar neer, maar dan kan ik er met mijn tassen met post niet meer langs."
"Ok, dan laat ik 'm hier wel staan. Heb trouwens net een brievenbus voor je hersteld!"
"O leuk, welk nummer?"

We zetten het gesprek voort voor de deur van het studentenhuis. Waar de snailmail van de vier nieuwe bewoners weer prachtig door de deur kan glijden. Maar mevrouw de postbode en ik ontmoeten elkaar niet alleen op straat en op het schoolplein, we delen ook de vreugde een kind te hebben gebaard toen we zelf nog een beetje kind waren. Wat vandaag de dag heeft geresulteerd in een half-volwassen fladderend kind dat af en aan, uit- en dan weer thuiswoont. Een lange bevalling.

Het hare is net weer weg, ze vertrok naar het buitenland. Het mijne vond onlangs nieuw werk en een nieuwe liefde en is tijdelijk teruggekeerd in moeders nest. Voor opgelucht ademhalen is het nog te vroeg, maar we overtuigen elkaar lachend dat het goedkomt.
Dan gaan we vrolijk verder met ons werk.

vrijdag 4 januari 2013

Het Panamacollege

"Nee, nee, niet in de stiltecoupé!" zeiden Leo en Kees tegen elkaar op het perron in Duivendrecht.  Nu had het voor henzelf weinig uitgemaakt, want in de ruim twee uur durende reis sukkelden ze om beurten in slaap. Maar in de coupé tegenover ons zat een onlangs uit Zuid-Amerika teruggekeerd gezin. Althans, ouders en broer (?) waren hun dochter/zus er gaan opzoeken en ophalen. Zo leek het. Het meisje was er vol van. Ze hield een betoog over de familieverbanden tussen M en M en W en K, wie wie wel of niet mocht, waar ze waren opgegroeid, naar welke school en welke kerk ze gingen, wie er lesbisch was, wie er geen foto's op facebook wilde, welke tattoo's bij wie wel of niet werden gewaardeerd, wie wie met de nek aankeek, wie sociaal goed bedeeld was, van wandelen hield. Wie oma had belazerd, gescheiden was, wie mooi en wie lelijk was....

Het was of ik er zelf bij was geweest. Haar ouders probeerden heel respectvol -Ja, zij hadden het heus ook erg naar hun zin gehad- vanuit het Nederlands standpunt enige kritische vragen te stellen. Over de tweedeling aldaar, en de wat bizarre gewoonte van de bovenklasse om hun kinderen in de VS of elders naar school te sturen en hoe het toch kwam dat er schijnbaar geen noemenswaardig schoolsysteem voor de locals was. Iets dat, zo beweerden zij, in landen als Singapore toch zeker wel met enig succes was opgezet. Dochterlief zei veel zinnigs en kwam met valide argumenten als vergelijkingspercentages over mensen die hier de mavo bezoeken. En dat in een willekeurig Afrikaans land ook de middenklasse ontbreekt. Maar moeders zat de cultuur- en vooral de enorme inkomens-verschillen tussen de ruim drie miljoen koppige bevolking dwars: "Toch snap ik het niet". Vader (hij zag zijn dochter al voorgoed emigreren) wierp tegen dat er ook niet zo héél veel te beleven viel. Ok, hij ging zelf nu ook niet zo vaak naar theater... maar toch. En het bevreemdde hem dat er geen fatsoenlijke universiteit was. Zouden ze toch eens iets aan moeten doen.

Toen we Assen naderden was broerlief in slaap gesukkeld, vader had de krant gepakt en dochter troosttte zich met het idee dat het toch ook wel weer leuk was om oma hier in Nederland te zien. Maar, zo wierp ze tegen, dat reizen van haar, dat was absoluut geen verslaving. Echt niet.

"Huh, zijn we al bij Haren? Broer: "Ja, zie je, je bent er zo. Je kunt ook wel in Panama gaan wonen."

Thuis dronken we hete thee en warme chocomel met slagrooom. Ik bracht Leo naar zijn slaapfeestje. Later aten Keesje en ik, na ruim een week in gezelschap van zes tot elf mensen te hebben vertoefd, tagliatelle met boontjes. Op de bank voor de buis. We wachtten op "Het Klokhuis". Met Dolores Leeuwin. Kees eet normaal graag en snel. Maar nu niet. Sprakeloos luisterde hij naar Nieuwsuur, waar uitvoerig verslag werd gedaan van weer een frauduleuze bestuurder bij een woningcorporatie.

"Dat is toch èrg!", riep Kees uit, "dat die man het geld voor huizen, zomaar in zijn eigen zak steekt." Ja Kees, dat is erg. En er dan dure huizen voor zichzelf van bouwen. Op Curacao bijvoorbeeld. Kees vond het vreselijk. Het zou niet mogen. Later, na zijn tweede hazeslaapje, toen Klokhuis was afgelopen, vond hij het toch ook wel slim gedaan. Door toch te doen alsof, en toch wat huizen te bouwen.

Nee, Curacao is geen Panama. Maar wat scheelt het. Bananen doen het op beide plekken vast goed. Misschien moest Kees later maar eens doen waar het treingezin van vandaag mee afsloot: een goede universiteit opzetten in Panama. Of een woningbouwvereniging op Curacao. Of een eigen bureau, met locals. Hij wil per slot van rekening architect worden.

Mocht het reislustige Groningse gezin dit lezen: dank jullie wel voor het boeiende college.

maandag 16 juli 2012

Ik ben diep ongelukkig


De reanimatiepoging met behulp van onderdompeling in een bak droge rijst, heeft niet mogen baten. Miss Canon IXUS 8515, 10.0 megapixels, kan definitief worden bijgezet op het kerkhof der camerakarkassen. Ze is vier jaar oud geworden. En ik kan er godbetert niet eens een foto van maken! Wat had ik daar trouwens mee willen doen, vraag ik me af. Online mee gaan pronken? Zoals anderen met hun auto, huis, vakantie of I-phone?

Ik las een artikel (waar?) met percentages over wat er op facebook allemaal heel of half wordt gelogen (hoe meet je dat?). Het artikel concludeerde dat de 'lezer/vriend' bij het zien van al dat -gelogen- moois, het lachen zou vergaan. Het eigen kind, huis, vakantie, man, ... precies, het eigen gazon dus, lijkt zo minder groen. De depressie -volksziekte nummer één- loert. Maar daar wordt al genoeg over geschreven.

Omgekeerd kan je zeggen dat het blootgesteld worden aan allerlei ellende, gelukkig maakt. Onder het voorwendsel van het informeren over de toestand van de wereld (wie bepaalt dat? en kan het ons eigenlijk ècht wat schelen?), krijgen we het gevoel dat het met ons eigen land/ stad/ straat/ seksleven wel meevalt. Sterker nog, lezen over al dat leed is verdorie gewoon lekker. Waarom leest men het nieuws anders zo graag bij een kop koffie? Als koekje! Aardbeving, moord, verkrachting,... zoet gelardeerd met spitsvondige columns. Ja, zelfs bebloede gezichten van gevallen tourfietsers, in kleur, het is allemaal entertainment -'Nee goh, nooit geweten dat bloed van wielrenners róód is'-

Ik hoorde onlangs over een man die al twee jaar bezig is om naar Nederland te komen. Illegaal. Het zou hem twintigduizend euro kosten. Zijn al jaren in Nederland wonende schoonzus, wilde het hem uit zijn hoofd praten. 'Niet doen!, 'Je weet niet waar je aan begint!' Maar dat mocht niet. Haar eigen zus (zijn vrouw, die achter zou blijven) smeekte haar om Nederland als paradijs niet te relativeren. Trouwens, zíj woonde er toch zeker zelf?, als het leven er zo moeilijk was, waarom kwam ze dan niet terug? Zijn huwelijk was goed (lees: hij sloeg haar niet), het was dus geen verkapte poging om haar man dumpen. En hun kinderen zouden hun papa, als die het land uit zou gaan, zeker missen. Wat was nu de werkelijke reden dat ze moest liegen tegen haar zwager? 

Thomas Erdbrink schreef in het NRC van 11 juli over ene Elnaz. "Op Instragram, een app op haar I-phone waarmee je foto's kan delen, komen beelden binnen van haar geëmigreerde vrienden in Canada, Maleisië en Dubai. Ze proosten met cocktails in tropische zwembaden, dansen in clubs en lachen met hun vrienden. (...) Elnaz legt haar telefoon weg, trekt haar verplichte hoofddoek recht en propt haar geblondeerde haar onder het textiel. "Ik moet weg hier", concludeert ze. "Dit is geen leven." (...) "Juist de reizen naar het buitenland, naar Dubai, de Turkse stranden en ook Europa hebben de afgelopen tien jaar de ogen van velen geopend." Aldus Erdbrink.

De man die zich naar het rijke Westen wilde laten smokkelen, ging ook met zijn vrouw op vakantie. Over Istanboel, de stad die voor veel Turken geldt als het Sodom en Gomorra, had zijn vrouw verzucht dat het er erger was dan thuis. Ze vond het er vreselijk. Het leven was er duur en "ze schreeuwen wel vijf keer per dag vanaf die minaret!" (zij waren slechts drie keer gewend). Het groene gras was verbleekt.

Hij heeft besloten niet te gaan. Zijn schoonzus belde mij euforisch op. Zij wist als geen ander hoe zwaar vrijheid kan zijn die geen echte vrijheid is, hoe het voelt om jarenlang je kinderen niet te zien. Om zelf verantwoordelijk te zijn voor je keuzes, goede en slechte of afwezige, zonder familie. Vrijheid is een rekbaar begrip.

Tijdens mijn vakantie in Iran deed ik mij voor als Christen en was ik netjes getrouwd. Het druiste in tegen mijn gevoel, maar het was nodig. Toen ik dit vertelde, op dezelfde dag dat ik hoorde dat de man besloot de twintigduizend euro niet aan de mensensmokkelaar te geven, kreeg ik een discussie, met zijn vernederlandste neef. Hij vond mijn liegen 'belachelijk'. 'Ze' (hij ook al) zouden zo nooit wijzer worden! Door niet de waarheid te spreken, had ik hun beperkte (?) wereldbeeld gevoed!

Misschien had hij gelijk. Maar de stelligheid van zijn 'advies' was tekenend. Het moest zus, het moest zo. Zijn moeder, de vrouw die haar zwager wilde tegenhouden, probeerde tevergeefs aan haar zoon uit te leggen wat 'gescheiden' of 'ongelovig' in Iran werkelijk inhoudt. Hij had geen idee. Al was hij er zelf geboren.

Wij praten over hoofddoeken en zwembaden, lezen over een vader die wordt opgepakt nadat een zoon geestelijken op de hak nam op Facebook. Niet over de toegenomen welvaart in Iran (iedereen heeft ergens wel een eigen huis) met daarnaast de door de overheid ontkende drugs- en prostitutieproblemen. Wel over sancties, niet over het in Iran wijdverbreide racisme ('Gatver, jij bent toch niet bevriend met een Afghaan?') of dat ongehuwd samenwonen of gescheiden zijn, gelijk staat aan een hoer over wie mannen (ook politie) vrijelijk kunnen beschikken. Dat wie niet (in iets) gelooft, geen mens is. De werkelijkheid is weerbarstig. 

از نمایه فیس بوک من ديدن کنید, stond er vandaag in mijn mailbox. De afzender spreekt en schrijft ook Nederlands. Ze heeft daar jaren haar stinkende best voor gedaan in de AZC's waar ze woonde. Nu is ze terug. En wil weer weg. Zoals zovelen. Maar ik heb geen man voor haar. Ook zit ik niet op faceboek en kan dus niet haar vriend worden. Want dat is wat ze vraagt.

Misschien moet ik toch een account aanmaken. Om plaatjes te tonen van een ander Nederland. Of om haar een film te tonen met een completer beeld van Europa. Zoals ik op mijn beurt zag in 'No one knows about Persian Cats' (Een tearjerker is dus tevens feelgoodmovie). Maar nog meer nuance over het Iran van nu zag ik in 'A separation'.
Welke link kan ongestoord langs de staatscensuur?
Welke film, lieve lezer, zou ik haar moeten laten zien?

Zodat ze haar ogen niet gelooft. En dan misschien naar buiten kijkt. Naar het groene gras.

Ik wou dat ik de I-phone van Elnaz had. 

donderdag 30 april 2009

Vuile was

7 uur 's morgens, het huis is nog in diepe rust. Na een ochtendplas, vouw ik de was. Als ik de kleren van Frans op zijn kamer wil leggen, zie ik, na het openen van zijn deur, twee geschoeide voeten over de rand van de bank heen steken. Op de tweede bank ligt een tweede vriend van Frans te pitten. Het raam staat open, de ochtendmist verfrist de berookte kamer. Degene die aan de voeten vast zit ken ik. Ik sprak een dag eerder uitgebreid met zijn moeder. Ze was het zat, had de politie gebeld, de maat was vol. Wat er aan vooraf ging weet ik niet, vuile was hangt men niet buiten. Ik leg een deken over de jongen met de schoenen.

Beneden bel ik zijn moeder. Nee, ze wist niet dat ie bij mij was, en is blij dat ik haar bel. Vanmiddag om twaalf uur heeft hij een gesprek met haar en zijn stiefvader. Hij gaat hij het huis uit, als hij het nog eens flikt. Of kapotte ramen en een tafel niet genoeg zijn? Nou, eigenlijk was het de vader die hem nog een kans wilde geven. Ik wens hen succes en adviseer haar om die morgen gewoon aan het werk te gaan.

12 uur 's middags. Ik laadt de pakken laminaat en de verfemmers uit. Ze gaat de slaapkamer van haar dochter, die net uit huis is, grondig opknappen. Alle punaisegaatjes van de aanbeden filmsterren, alle plekken op de muur, niks blijft bij het oude. De kinderbijslag is gestopt, ze sloot een lening af waarmee ze onder meer een nieuwe wasmachine voor dochter kocht. De gulheid blijkt ook eigenbelang: ze vreesde dagelijks haar dochter op bezoek met bergen was.

Om 7 's avonds schuif ik fris gedoucht aan tafel. Vader kookte een pan pasta voor een weeshuis. Na twee happen gaat de telefoon. Nee hoor, mijn vakantie stoor je niet, je onderbreekt alleen mijn eten. De jongen, die al jaren de puberleeftijd is ontgroeid, maar met zijn bijna even oude zus en beider aanhang nog immer het moederlijk huis bewoond, vertelt het verhaal van de uit de hand gelopen ruzie. Hij komt met zijn liefje mijn kant op. Ik bel de zus nog even thuis en laat haar haar kant van het verhaal vertellen. Moeder is niet met vakantie. Het is flink bonje.

De pan pasta komt goed van pas. Met wat tranen en bibberende handen komt er een verhaal van aangekoekte afwas, te harde muziek, uitgedraaide stoppen en ja, ook van de was die niemand ophangt. Vele sigaretten later zitten de twee vechtende, bijna volwassen vrouwen, die ongewild samen één huis bewonen, met elkaar aan de telefoon. De ene schoonzus is dronken, de ander is in tranen.

Het lijkt me beter dat jullie hier vannacht blijven. Ik zet boven het droogrek aan de kant, maak een bedje op en wens het stel welterusten.

Een nieuwe nacht, met nieuwe gasten.