Posts tonen met het label dokter. Alle posts tonen
Posts tonen met het label dokter. Alle posts tonen

zondag 10 juni 2012

Komt een vrouw bij de


Laat ik die zin maar niet afmaken. Ik ben niet zo bekend met de auteursrechten in blogland. Pochen dat je kind op een filmster lijkt mag misschien nog nèt, maar dit riekt vast te veel naar misbruik. Heel Nederland weet intussen wel waar die vrouw kwam.

Ook ik moet misschien maar 's naar een dokter. Voor mezelf. Niet voor 'n ander, zoals ik vorige week deed bij de bloedbank, waar de dienstdoende arts me er op wees dat niet alleen mijn ijzergehalte maar ook mijn bloeddruk te laag was. Iets beter voor mezelf zorgen dus. Mijn eigen huisarts sprak ik trouwens ook al. Maar dat ging dan weer over hypotheken, Afrika, drugs en de klassenverdeling. Dat heb je zo, met een dokter die kinders heeft op dezelfde school als je eigen kroost. 

Ok, prima, geen dokter dus. Dan gaat die vrouw toch gewoon naar de markt. En niet naar de gewone markt. Nee, dit was een heuse een-uur-voordat-het-Nederlands-elftal-moet-spelen-markt. Da's net zo zeldzaam als die Venus die eerder deze week voor de zon langs ging. Ik zag het niet, want ik was niet op Ameland. En in de rest van het land was Venus afgeschermd door een dik wolkendek.

De aardappelman wist me bij het volscheppen van een zak muizen nog vrij relaxed te melden dat je die lekker in de schil kunt koken (vast geen voetballiefhebber). Ook de kaasvrouw was in voor een babbel. Ze vroeg hoe het met de vriendin van de vriendin was, die al twee keer was geopereerd aan een hersentumor. En toen ze vorige week kennis had genomen van mijn status van gescheidene (Goh, jee, echt wáár meid?) gaf ze me, met invoelende blik, een stuk kaas kado. Ik nam me voor om me dit keer ook vol overgave in het roddelcircuit te storten van de sociale kant te laten zien. Maar ik sloeg de plank mis. Want de man naar wie ik beleefd informeerde bleek al drie jaar dood te zijn. Kanker. Moest ik haar nu condoleren? Me excuseren? Ik mompelde iets vaags over het door elkaar halen van namen, betaalde en liep verder. Gelukkig had ze het druk met een kudde Duitsers die na mij kwam.
 
Nu ging het er om spannen. De fruitman had zijn appels al onderop de kar gezet. 'Doe maar tien kiwi's', het eerste dat ik zag, 'en een doos aardbeien' en weg was ik. De A-kerk wees vijf uur aan. De poelier was zijn kar al van het plein af aan het manoeuvreren. Oranje leeuwen fietsten, laverend met sixpacks bungelend aan het stuur, tussen de marktkarren door. De groenteman maakte er geen geheim van en zei, meer geïrriteerd dan verontschuldigend: 'Ja, hoor 's, ik wil de wedstrijd zien' en drapeerde zijn zeil over de broccoli. Geen groente dus.

Het leek alsof op elk moment een onweersbui kon losbarsten (gister, vrijdag, was ècht de bliksem ingeslagen in de Herestraat). De bloemenboer reed zich klem en stond met zijn neus bijna tegen de SUV van de Belg die zijn friettent wegsleepte. Achteruit rijden was onmogelijk. Ze blokkeerden beiden het fietspad voor de Korenbeurs, dat toch al volstond met barrels omdat iedereen nog gauw iets lekkers wilde scoren bij de AH. Er stonden welgeteld nog zes pijpjes pils van mijn favoriete merk in het allerlaatste krat. Voetbal op de buis betekent bier in je kruis. 
   
Het was leuk geweest om de tijdstippen te noteren waarop de oerkreten opstegen uit de stad. En dan de toonhoogte of lengte van het gebrul te verbinden met doelpunten of gemiste kansen. Vergelijkend onderzoek doen. Met hoe apenkreten klinken of wat het met seks van doen heeft. Want soms leek het alsof heel Groningen tegelijkertijd (bijna) tot een hoogtepunt kwam. Na afloop hoorde ik dat Nederland met 1-0 verloor tegen de Denen. Arme Denen. Kunnen ze voorlopig niet rustig over hun markt struinen. Misschien hadden ze seks gehad voor de wedstrijd. Of juist niet. Ik las deze week een artikel over onderzoeken (meer het gebrek hieraan) die aantoonden dat dit voor sporters prestatieverhogend (of juist verlagend) zou werken. Over spieren, aandacht en het 'knuffelhormoon' oxytocine. Misschien moest ik maar 's onderzoeken of er nog dansgrage gedesillusioneerde manspersonen in de stad zijn.

Ik stuur een sms. Of hij nog gaat dansen. 'Als je me vraagt', luidt het antwoord. Tja. Het is laat. Nachtrust is een goed medicijn voor je weerstand. Hij vraagt of ik bij hem kom. Maar ik ga slapen. Ik hoef geen wedstrijd te winnen.

Zondagochtend eet ik verse radijsjes uit de kindertuin.
Die zijn rijk aan ijzer naar het schijnt.

Un ravanello al giorno, toglie il medico di torno
(a radish a day keeps the doctor away).

Er komt geen vrouw bij de dokter.
En ook niet bij de groenteboer. 

Een gezonde zondag allemaal!







zondag 29 januari 2012

350 Z

Kleine Kees is autofreak. Ik niet. Heb weinig met auto's. Maar Kees laat het er niet bij zitten. Hij praat me graag bij over spoilers, velgen, series van Audi en BMW. Over mini-coopers cabrio. En, met een beetje inspanning, lukt het me steeds beter om me te verplaatsen in zijn aanbidding van rijdend blik.

"Ken jij de Nissan 350 Z?" vroeg hij, toen we, met een stuk of dertig bezwete shirtjes in een enorme sporttas achterop de fiets, terugkeerden van zijn basketbaltoernooi. Nee, de 350Z kende ik niet. Hij zou hem wel even laten zien. Er stond er namelijk één verderop in de straat, helemaal aan het eind. Het was zaterdag, dus we hadden alle tijd. En Kees nàm de tijd. Om foto's te maken van de auto, het nummerbord, de bekleding, het merk, het serienummer en tenslotte liet ik hem natuurlijk poseren voor die supercoole bak.

Dit keer ging hij míj bevragen (als moeder moet je de tijd waarin je nog kunt door gaan voor de almachtige allesweter koesteren)
"Is er ook een merk van Limousine?"
"Volgens mij is dat een koeienras. Vroeger, toen er nog bijna geen auto's waren, gaven ze namen van koeienrassen aan auto's. Limousine, Chevrolet..."
Kees: "Wat is een ras?"
Ik: "Een koeienmerk"
"En die koeien zijn naar een streek genoemd. Kun je lekker met een limousine naar de Limousin, in Frankrijk." (Hoewel wikipedia het heeft over De schapenherders aldaar hadden lange mantels... hm, ik geloof het niet zo. Kip en ei. Herder en streek).

Thuisgekomen wachtte mij de schone -en dagelijkse terugkerende- taak om Kees er toe te bewegen te gaan dutten. Hij heeft namelijk de slaperitis. En een goed dagritme, met één à twee dutten per dag, is eigenlijk het enige wat soelaas biedt. Maar als je zeven jaar bent, heb je daar niet altijd trek in. Want er zijn natuurlijk vriendjes, lego, er moet getekend en gesport en wat al niet meer. En wat het nog ingewikkelder maakt, door die slaperitis wordt hij prikkelbaar. Als hij moe is nog meer. Of nee, hij ìs helemaal niet moe, alleen vallen zijn ogen soms dicht. Als hij stilzit, gaat liggen, in de auto zit of achterop de fiets. 'Ik haat mijn ogen, mag ik lopen?', zei hij, toen dit acht maanden geleden voor het eerst gebeurde. In hartje Amsterdam.

Vrijdag was het weer mis. Ik leverde hem redelijk goedgemutst af bij een vriendje. En zei tegen de moeder dat een dutje wel fijn zou zijn, maar niet absoluut noodzakelijk. (ik zadel medemoeders niet graag op met een kind dat moet en niet wil slapen). Tegen vijven werd Kees opgehaald door zijn vader (die een deurtje naast het mijne woont, zodat me weinig van de kinderen ontgaat en zij bij beide ouders naar binnen kunnen lopen) en ik hoorde ze, met Kees brullend (en later vader ook) voorop, de straat in fietsen. Kees gooide zijn schoenen in een hoek (zodat ze vanmorgen onvindbaar waren en we te laat kwamen bij het toernooi), stampte naar boven, smeet de deur van de televisiekamer dicht om daar vervolgens, na twee tellen, op de bank in slaap te vallen.

Hij was na een uur moeilijk wakker te krijgen. Hij praatte, ontkende te hebben geslapen en toen hij eindelijk goed wakker was, was het alweer etenstijd. Hoe eerder de dut, hoe korter de dut, hoe beter zijn hum. Andersom geldt ook.

Hij smulde van de rijst en zalm. Frans, die langskwam om een was te draaien, at mee. Kees tipte zijn twaalf jaar oudere broer over chocoladesigaretten. Dat zou misschien kunnen helpen bij Frans' poging om te stoppen met roken. Kijk, daar hou ik van. Daar smelt ik van.

Nu ging het soepel. Terug van basketbal en de auto-fotosessie zei Kees: "Ik eet een broodje, dan yoghurt en dan ga ik slapen." Geen rondvliegende schoenen, geen knallende deuren. Alleen een stukje gedroogd crueslifruit, dat half uit zijn mond hing en dat ik er uithaalde, omdat hij, wederom met een snelheid van 380 km per uur, op de bank achter de buis in slaap viel. Met de laatste hap yoghurt nog in zijn mond.

Toen hij -uit zichzelf- wakker werd lachte het leven hem weer toe. Zelfs de rij rode sportshirtjes die her en der door het huis hingen, vond hij mooi. Ik vouwde ze later op, op dezelfde bank als waar Kees zijn dutjes doet. Deed gelijk die van Frans er bij. Die, in één was, vijftien eenlingen had zitten! Overal hetzelfde liedje.

Er schijnt een appje te bestaan. Die een wekker heeft die 'aanvoelt' wanneer je in je 'lichte slaap' bent. Zodat je je makkelijker laat wekken. Door die wekker. Of door je moeder.

In februari ga ik, met Kees, drie mensen ontmoeten. Twee kinderen en één volwassene die ook de slaperitis hebben. De term is door één van hen bedacht. Klinkt leuker en vriendelijker dan narcolepsie. De meeste medici weten er nog weinig van. Van het hoe en wat en waarom.

Maar ik intussen wel. Zo'n Nissan 350 Z lijkt me een prima middel. Blijft ie vast van wakker. Dan zet ik hem zelf achter het stuur. En dan maar hopen dat ie de pizzeria van Frans niet binnenrijdt. Zoals een jongen van vijftien zaterdag deed. Maar het beste medicijn, voor kinderen die 's nachts ook lijden aan wakkeritis, is om één of vier uur 's nachts bij je moeder in bed kruipen. Doen andere kinderen met wakkeritis ook. En de dokter vond het een goed plan.

Het is inmiddels zondagavond. Kwart voor tien. Ik hoor de wc doorspoelen. Even later staat Kees met een grote grijns in de deuropening.
Hij geeft me een kus.
en wacht verwachtingsvol
Ik: 'Jij wou zeker bij mij slapen?'
Kees: 'Ja' (nog grotere grijns)
'Kruip er dan maar gauw in'
Buiten sneeuwt het.
Ik hoor een sleutel in het slot
Frans haalt zijn was op.
We eten samen restjes rijst.

maandag 16 mei 2011

Koperkut


.... of eigenlijk is 'het kutkoper' een passender titel. Nee, niet 'de', ik bedoel echt 'het'. Want het betreft hier geen afnemer van spleten, maar het metaal dat tegenwoordig zo prijzig is dat diefstal ervan de spoorwegen onregelt, kerktorens brandgevaarlijk maakt vanwege het afknippen van bliksemafleiders en dat de koperopkoper -nu wel weer 'de'- in het verdomhoekje drukt omdat die niet afdoende navraag zou doen naar de duistere herkomst van dit gewilde goedje. Van koper dus.

Juist omdat het zo prijzig is, heb ik onlangs voor het eerst een lekkende loden waterleiding vervangen door een witte plastic buis. Niet door koper. Dat is dan natuurlijk de buitenkant, de binnenkant en de koppelstukken zijn namelijk weer wel van dit zo wonderlijk riekend rode metaal. Ook nog van koper was de aansluiting naar de meter en de badkamerkraan. Kortom, nog koper zat.

Als ik met water aan de slag ga, gaat de hoofdkraan dicht. Logisch. En als er geen water is, was ik minder vaak mijn handjes. Ook vrij logisch. En hoewel ik mezelf best hygiënisch vind, nam ik het bij deze klus niet zo nou. Lunchte dus met vieze handjes tussen het solderen van een muurplaatje en het aansluiten van de stortbak door. En nu heb ik last van overmatige afscheiding. Niet de waterleiding lekt, niks mis met die plastic buis, maar mijn kut. Geen oorzakelijk verband, zou je zeggen. Want ik werk dan wel behoorlijk chaotisch, maar ik stop die koppelstukken ècht niet in mijn vagina.

Eenmaal bij de huisarts, vraag ik waar deze onschuldige, doch niet zo praktische aandoening vandaan komt. (hoef me als loodgieter niet te schamen voor nattigheid op mijn werkkleding, een nat kruis zal vast minder opvallen dan bij een mantelpak). De dokter blijft vaag.
Ik opper iets met hygiëne?,
Nasleep van mijn miskraam?
Seks?
'Nee', zegt de dokter, 'Nonnen kunnen het ook krijgen.' (mijn gevatte reactie hierop laat zich raden). 

Terwijl hij een recept voor een 'vaginaal paasei' intypt, mompelt hij dat je het ook van 'koperen waterleiding kunt krijgen'.
Pardon???, Wát zei u daar?!
Ik heb me zojuist dagenlang met koper omgeven! Moet ik dit euvel nu scharen in de categorie bedrijfsgerelateerde ziekten?!

Nadat het recept via de digitale snelweg bij mijn apotheek is beland, gaat het gesprek verder over anticonceptie. Een spiraal wel te verstaan. Op een model van een vagina, ter grote van een blikje nachtcrème, laat hij geduldig zien hoe het inbrengen er van in zijn werk gaat.
Heeft de werking hiervan niet met koper van doen, dokter? Nee, mevrouw, die dingen zijn tegenwoordig van veel vriendelijker materiaal.
Ik meen toch iets groens te ontwaren.
Kutkoper.

zaterdag 5 maart 2011

Hoofdkranen



Het apparaat dat het overtollig speeksel uit mijn mond moet afvoeren, zuigt zich vast aan mijn tong, hetgeen niet alleen een vreemd gevoel geeft, maar bovendien bijzonder inefficiënt is. De dienstdoende tandarts tuurt in mijn mond en komt handen te kort. Ze heeft de Antilliaanse assistente nodig, maar deze is net een telefoontje aan het afhandelen. De tandarts verlegt nu zelf de zuiger, hannest met een krabber en boor maar haar blik blijft zorgelijk. Ik sluit mijn ogen. Vooral tegen het felle licht.

Een half uur voordat ik plaatsnam in de ligstoel, had ik mijn werkkleding verruild voor een wat nettere outfit. Geheel tegen mijn vaste gewoonte in, was ik ruim op tijd vertrokken, de klus waar ik mee bezig was, schoot toch niet op. Na het aansluiten van de afvoerbuizen, had het met het aansluiten van de kraan niet meegezeten. Het was een goed moment om wat afstand te nemen om later, zo was mijn ervaring, met frisse blik en hernieuwd inzicht, in een mum van tijd het karwei af te maken. Door het monteren van twee kogelstopkranen hoefde niemand last van het langdurig afsluiten van de hoofdkraan, die kon weer open.

Ik verheugde me al op de rubrieken in Quote en Vriendin, de lectuur die je normaliter aantreft in de meeste wachtkamers. Een beetje bewuste arts heeft daar nog een WNF blaadje aan toegevoegd. Maar van lezen zou niks terecht komen. Want de afslag naar de vinexwijk waar mijn tandarts praktijk houdt, was afgesloten wegens werkzaamheden aan, jawel, het riool. Tja, natuurlijk vereist ook op dit niveau de afvoer soms enig onderhoud. Braaf volg ik de gele bordjes, die mij via de achterkant de nieuwbouwwijk in loodsen. Ik vraag me af wat er in de maand waarin het riool wordt opgeknapt, met al het afvalwater gebeurt. Een omleiding via een andere wijk geeft natuurlijk al gauw stront, in de meest letterlijke betekenis. En de bron tijdelijk afsluiten, in de vorm van één of andere hoofdkraan, leek me alleen op micro-niveau, zoals ik even tevoren deed, haalbaar. Voor een hele wijk, en dan gedurende een paar weken, zal dat vast niet gebeuren.

Het gevoel alsof een botte appelboor zich rond mijn stompje tand in mijn vlees zet, haalt me ruw uit mijn overpeinzingen. De assistente begrijpt gelukkig gauw wat ik met mijn gegesticuleer bedoel: 'Oh, je wil dà ik je in je han knijp?!' De zuiger en de vele mond tampons kunnen het bloeden niet stelpen. Ze hebben een uur voor me ingeruimd. Het maken van een foto, -voor een vrouw in mijn positie wordt dit afgeraden- sloegen ze over. Mijn mond blijft zich, getuige het commentaar van de tandarts -ik zie er zelf niks van-, vullen door een niet te stoppen bloedtoevoer. Van vullen kan, ze zegt ze, op deze manier geen sprake zijn. Onwillekeurig trek ik een vergelijking met het afdoppen van een leiding, terwijl de hoofdkraan openstaat.

Ten einde raad vraagt ze Priscilla om de 'witte boor'. Het klinkt als een noodmaatregel. Ze wil een randje tandvlees bij me wegbranden, zodat ze over kan gaan tot het opbouwen van de afgebroken kies zonder te worden gehinderd door plassen bloed. Na een paar venijnige verdovingen, ruik een een schroeilucht uit mijn mond opstijgen. Door de verdoving lukt het me opnieuw om mijn gedachten terug te voeren naar mijn eigen werk. De verloopstukjes van de waterleiding pasten perfect, en toch vloeide de soldeer onvoldoende in de naad. Misschien zou een 'witte boor' mij kunnen helpen. binnenpretje. Terwijl ik er lustig op los fantaseer, zegt de tandarts opeens dat ik me kan oprichten, dat ik kan gaan. Het heeft geen zin, zegt ze, kom volgende week maar terug. Verbaasd vraag ik of ze denkt dat het bovenmatig bloeden dan vermindert zal zijn. Ik zal per slot van rekening nog een half jaar in omvang zullen groeien, voordat mijn bloedsomloop weer enigszins is genormaliseerd.

Ik vertel haar over de overeenkomsten die ik zie tussen mijn werk en het hare. Ware het dat ik in dergelijke gevallen de hoofdkraan kan dichtdraaien. Ik spoel mijn mond met veel water. Een roze draaikolk verdwijnt in de afvoer. Ergens naar toe.