Posts tonen met het label oma. Alle posts tonen
Posts tonen met het label oma. Alle posts tonen

zondag 7 januari 2018

Over ijs

Over ijs, over slootjes, over vaarten bij Giekerk schaatste mijn oma. Het was 1943, of misschien wel 1942 of 1944. Ik zal het mijn moeder eens vragen. Die er toen ook al was en, in tegenstelling tot haar moeder, mijn oma, nu nog steeds. Ze ligt weliswaar geveld door griep, gordelroos en ongelooflijke jeuk op de bank in Amsterdam. Maar ooit schaatste ook zij als kleuter door het Friese land. Bij Giekerk. Onder een andere naam. Omdat haar Oostenrijkse vader deserteerde uit het Duitse leger. Mijn oma, moeder en tante wisten niet waar hun man en vader was. Maar een enkele keer heeft oma hem ontmoet. Bij de grens bij Groesbeek. Waar ik vorig jaar met mijn vriend ongemerkt de grens over fietste.

Schaatsen maakt melancholisch. Zeker in verstild landschap. Dat landschap zat er dit weekend helaas niet in bij dat schaatsen. Niet bij Giekerk en ook niet in Groningen of Amsterdam. Maar daar, op de Jaap Edenbaan volgde mijn moeder wel schaatslessen. En in de weinige strenge winters van de jaren zeventig, tachtig en negentig reden we de Molentocht, schaatsten bij de Rijp en op de Vinkeveense plassen. 

Vrijdag wist ik twee van mijn drie zonen over te halen om ook even te komen krabbelen op het opgespoten plasje op de Grote Markt in Groningen. Frans (26) leerde Leo (16) hoe hij moest remmen. Kees (13) liet het schaatsen aan hem voorbij gaan, verkoos om op de tribune met zijn smartphone te spelen. De dag erna sleepte ik Leo opnieuw mee het ijs op, naar de kunstijsbaan in Kardinge. Alwaar kleuters met sleetjes, opa's, oma's, Fries sprekende gezinnetjes ('jou dat mar an heit, leave') en enkele nieuwkomers krabbelden, lachten en vielen. Helaas moest Leo zijn val bekopen met een pijnlijke pols. Waarna hij met een zakje ijs op een bankje zat en ging klokken hoe lang ik over één ronde op de vierhondermeter-baan deed.  

Ik zei Leo dat ik hoopte dat het schaatsbloed ondanks zijn val door zijn aderen bleef stromen. Dat zijn overgrootmoeder, oma en moeder alle drie fervent schaatsers waren en zijn. Terecht merkte hij op dat hij nog andere genen heeft en zijn vader niks met schaatsen heeft. Daar had hij een punt. Grieks bloed en schaatsen gaat wellicht slecht samen.

Toen zijn ijszakje was gesmolten gingen we toch maar weg. 
Nadat ik nog één laatste rondje deed. Nog één.
Met mijn handen op mijn rug, diep door de knieën.  
Denkend aan Giekerk van vijfenzeventig jaar geleden.
En mijn moeder op de bank in Amsterdam.   

woensdag 18 mei 2016

Mit liebe aus Köln

Haar oma kwam uit Keulen. Zo vertelde Rosita Steenbeek. Naar wie ik luisterde met mijn lief. Wiens oma op haar beurt uit Gieslingen kwam, vierhonderd kilometer verder. En nog weer zeshonderd kilometer Oostwaarts stapte mijn eigen opa in het bagagerek van een trein die hem voorgoed van Wenen naar Nederland zou brengen. Honderd jaar terug, tachtig jaar terug. Tijd tussen oorlogen.

Duitstalige voorouders vluchtten naar een beter bestaan. Waar werk was, waar eten was, een toekomst. Als tiener, als twintigers. En ze waren niet de enigen. Anne Frank, Miep Gies. Half Europa was on the move. Vrijwillig of gedwongen. Maar toen kwam de oorlog en heette je opeens Duits. Of jood, of beide. Of vluchteling. Of fout. Of beide. De joodse oma van Rosita zag vanuit haar pastorie bommen vallen op Rotterdam en zei: "Dat doet mijn volk." Twee jaar later werden er duizend bommen op haar geboortestad Keulen gegooid.

In Duitsland is de publieke opinie omtrent vluchtelingen onlangs gekanteld. Door gebeurtenissen die plaatsvonden in Keulen. Niet de aanrandingen an sich leken interessant, maar de kleur en afkomst van de plegers. Hoog tijd om zelf eens een kijkje te gaan nemen. Bij pausen en engelen, bij Turkse en Griekse cafe's, bij een museum met de verkiezingsuitslag uit dat interbellum. Bij een confectiewinkel uit de wederopbouwtijd die inmiddels alweer was omgebouwd tot hippe kroeg. Waar borstvoedende dames en flexwerkende soortgenoten aan gezonde drankjes zaten. We zagen een stil Eau de Cologne huis, aten schnitzel tussen een buslading bierdrinkens en waren ook op het beruchte stationsplein. Waar het wit zag van de mensen. Er lag een spoorbiels met een koperen plaat. Hierop werd de Deutsche Bahn ter verantwoording geroepen voor haar medewerking aan de holocaust.

Er was veel politie. Voor het station. Bij het beeld van Bismarck. Op de brug vol liefdesslotjes. Een slenterende blanke man wenkte naar mij. Zijn tassen puilden uit. Hij keek nors. Met het statiegeld van de petflessen hoopt hij vast zijn bestaan iets te verbeteren.










vrijdag 6 januari 2012

Dag oma, welterusten

Op een maandag in februari, nu bijna drie jaar geleden, at ik samen met mijn oma makreel en speelden we domino. Ze won steeds. Een paar dagen later overleed ze. Dit verhaal heeft mijn zus geschreven en voorgelezen op de begrafenis van onze oma. In maart 2009.

De naam Paul die ik hier gebruik, heb ik van haar. Het is de naam die mijn opa heeft meegekregen uit Wenen.

Dankjewel, zus.
---------------------

Oma, Oma Beppe, mijn lieve Omaatje, nou ben je dood. Zo snel, zo plotseling. Al jaren dacht ik elke keer als ik bij je was: goed kijken en voelen en ruiken en ervaren, want dit is misschien de laatste keer. Het afscheid, elke keer weer schrikken hoe dun ze is, vel over been, maar toch zo eigen, zo thuis, zo familie. Haar perkamenten huid, haar zachte haren. Dag Oma, we gaan nu, tot de volgende keer. Niet huilen, zeg ik tegen mezelf, je zei: tot de volgende keer, dus er komt nog een volgende keer. Kom kinderen, we gaan.

De laatste jaren zakte ze steeds verder weg in haar eigen wereldje, en werd steeds minder duidelijk of ze nou wel of niet begreep waar je het over had. Of ze het echt niet snapte of dat ze eigenlijk dondersgoed wist waar het over ging, maar het wel goed vond en er gewoon niet meer op in ging. Zo doof als een kwartel, maar als je haar aan de telefoon vertelde dat je de volgende dag langs zou komen, deden haar oren het plotseling wonderwel.

Daar zat ze dan, alleen in haar huisje. Weliswaar omringd door zorgers en helpers en huishouders, maar toch alleen. Geen bezigheden meer, niks omhanden. Het Staphorster stipwerk, zingen in het koor, volksdansen, schilderen en natuurlijk altijd weer breien, haken, naaien, handwerken, dat ging allemaal niet meer. Haar huisje vol met zelfgemaakte knuffelbeesten en een grote verscheidenheid aan zelfgeschilderde landschapjes, bloemen, vulkanen, veelkleurige vogeltjes, een Homerusportret en een hongerend kindje, een Javaanse dessa en een dame in badpak. En foto’s van de kinderen, de kleinkinderen, de achterkleinkinderen.

’s Avonds kwam het telefoontje, Oma is gevallen, ze heeft haar heup gebroken en wordt vanavond nog geopereerd. De schrik, mijn aanvankelijke reactie om er meteen heen te willen, dan het relativeren, het zal allemaal wel loslopen. En bovendien, wat zou ik daar nou moeten? De ziekenhuismensen in de weg lopen? Aan haar bed zitten terwijl ze nog onder narcose is? Ik ga die avond uit en vermaak me, maar ik ben er met mijn hoofd niet helemaal bij. Midden in de nacht kom ik thuis, er zijn twee berichtjes op mijn telefoon – van mijn moeder en van mijn zusje – dat de operatie geslaagd is. Ik ga gerustgesteld slapen.

Zondagochtend om half 10 wordt ik door de telefoon gewekt. Het is Lehti, mijn zusje. De operatie is inderdaad geslaagd, maar Oma is toch wel erg zwak. Er moet gerevalideerd worden, en wie gaat dat begeleiden? En wat zal Oma daar van vinden? Mijn zusje en ik praten erover en komen tot de slotsom dat het allemaal wel niet zo’n vaart zal lopen. Oma heeft ons wel vaker versteld doen staan. Ze is weliswaar oud en broos, maar ze is taai. Ik besluit in Berlijn te blijven en reken er op dat ik deze week nog naar Nederland moet om Oma te helpen.

Om twee uur ‘s middags weer een telefoontje, het is mijn vader. Het is toch erger dan het aanvankelijk leek. Oma heeft het moeilijk, en het zou kunnen dat ze niet lang meer leeft. Mijn hart staat stil, ik wil daar zijn, niet hier aan de telefoon, ik wil dáár zijn, bij Oma, aan haar bed, met de anderen. Maar ik ben er niet. Papa, ik stap over een uur op de trein, dan ben ik middernacht in Leeuwarden. “Het zou kunnen dat je dan al te laat bent…”

Ik schakel over op de automatische piloot. Telefoontjes plegen, briefjes schrijven, afscheid nemen van de kinderen, die zo lang bij hun vader in Berlijn blijven. Ik pak snel wat kleren in een tas en ren de deur uit naar de metro, naar het station.

In de trein, met de trein, ergens heen, de treinreis, het reizen.
Opa in de trein. Een paar verre treinreizen heeft hij gemaakt. Die ieder voor zich zijn leven volkomen veranderd hebben. Op zijn veertiende, de grote reis van Wenen naar Friesland, van zijn geboortestad naar een onbekende toekomst, van de plek van honger en alleen zijn op zoek naar een nieuwe familie en een nieuw thuis. Ook hij reed van Duitstalig gebied naar het Friese Land, net als ik nu. Duits was zijn moedertaal, de taal die hij twintig jaar later slechts nog met accent kon spreken. Nederlands is mijn moedertaal, die ik – nu ik al bijna twintig jaar in Duitsland woon – niet meer perfect beheers, waar gaten in vallen, zonder dat ik er een andere moedertaal voor in de plaats krijg. Duits en Nederlands zijn de moedertalen van mijn kinderen. Hoe zou Opa het gevonden hebben om met zijn achterkleinkinderen, die nog lang niet geboren waren toen hij overleed, te praten in de taal die zijn moeder in een ver verleden met hem sprak. Naar Friesland kwam hij, waar Fries gesproken werd, een taal die ik niet versta.

Hij vond wat hij zocht, een nieuw thuis en een nieuwe familie. En, een paar jaar later, toen hij geen kind meer was, maar een jongeman, ook een meisje, het zusje van een schoolvriend van hem. Oma was een boerendochter en had een paar jaar tijd om na te denken of ze deze man, de buitenlander, tot man wilde. Na zijn opleiding tot machinist op de Grote Vaart, reisde hij op stoomschepen de wereld rond als baas van de machinekamer, en zij wachtte op hem.
Oma zei ja toen ze 21 was en samen verhuisden ze naar de Grote Hoogstraat, van waaruit hij de grote ovens van de bakkers in Friesland ontwierp en bouwde en waar zij in de winkel bakplaten, pannenschrapers en amandelbroodblikken verkocht.

Oma, mijn lieve Omaatje. Jij werd daar moeder van twee dochters, de tweede drie jaar jonger dan de eerste. En mijn moeder, jouw jongste dochter, werd moeder van twee dochters, de tweede ruim drie jaar jonger dan de eerste. En wat dacht je dat ik deed? Ik werd moeder van twee dochters, de tweede drie jaar jonger dan de eerste.

De ovenbouwer, de kleine Oostenrijker, mijn Opa, had samen met de Friese boerendochter, mijn Oma, nu zelf een gezin gesticht. In Nederland, zijn nieuwe thuisland. Maar zijn paspoort was nog Oostenrijks. Iets wat in de jaren daarna voor het jonge gezin bijna fatale gevolgen had. Hij moest, na talloze pogingen er onderuit te komen, in militaire dienst, onder de wapenen, voor de Führer.

Toen kwam die andere grote, levensgevaarlijke reis, ook van Duits gebied naar Friesland, ruim twintig jaar na zijn eerste grote treinreis. Geen jongen meer nu, maar een man, een echtgenoot en vader van twee kinderen. Terug naar huis wilde hij, en niet, niet, niet vechten voor nazi-Duitsland. Dus vervalste hij papieren en vluchtte hij weg van het oorlogsgeweld. Als deserteur uit het Duitse leger, van Stettin naar Leeuwarden, terug naar huis. Zou hij over Berlijn gereisd zijn? De trein waar ik nu in zit, komt uit Stettin. Zou hij precies dezelfde weg afgelegd hebben als die ik nu afleg? Langs Berlijn, Hannover, Bremen, Oldenburg, Groningen? Ik weet het niet, niemand zal het meer weten. Maar zijn einddoel en het mijne zijn exact hetzelfde: hij wilde terug naar vrouw en kinderen en dat zijn precies dezelfde mensen die ik straks ook zal aantreffen aan het einde van mijn treinreis, die 65 jaar na zijn reis plaatsvindt. Het zijn mijn Oma, mijn moeder en mijn tante.

Het is half 7. Mijn mobiel gaat. Ik neem op, ik hoor de gesmoorde stem van mijn moeder. Het is voorbij, het is gebeurd. Is ze dood? vraag ik. Ja, ze is dood.
Ik zak in elkaar.
Ze is dood.
En ik ben juist naar haar op weg. Om haar te zien en haar hand vast te houden en over haar hoofd te aaien en om zachtjes met haar te praten. Maar het is te laat. Ik wil uitstappen en de eerste de beste trein terug nemen. Waarom ben ik verdorie niet een paar uur eerder in de trein gestapt? Vanochtend had ik ook al kunnen vertrekken, maar dat heb ik niet gedaan. En nu is het te laat. Mijn treintijdenschema dwingt me om mijn spulletjes bij elkaar te pakken, me in de rij voor de deur te voegen, en over te stappen op de volgende trein. Verder naar het westen, niet terug naar het oosten.

Oma, mijn Oma, die toen nog geen Oma was, maar een jonge moeder, zat 65 jaar geleden, midden in de oorlog, op hem te wachten, niet wetend waar hij was, of hij nog leefde, of ze hem ooit levend terug zou zien. Maar hij kwam. Na zijn terugkomst moest hij onmiddellijk onderduiken, want bij ontdekking zou hij ter plekke terechtgesteld worden. En omdat de echtgenote van de deserteur geacht werd te weten waar hij was, moest ook mijn oma met haar kinderen onderduiken. Niet weten waar je man is, of hij nog leeft, of je kinderen hun vader ooit terug zullen zien, niet weten of je morgen opgepakt wordt, zien dat je eigen kinderen oneerlijk behandeld worden, maar er niets aan kunnen doen, omdat je dankbaar moet zijn dat je hier een onderkomen gevonden hebt. Haar dagelijkse angst dat de kinderen, jong en onbevangen als ze zijn, per ongeluk hun echte, Duits klinkende naam zullen zeggen en dat ze vergeten dat ze niet Paul maar De Vries moeten antwoorden op de vraag hoe hun achternaam is.
Het gaat goed, het einde van de oorlog is in zicht, de bevrijding, het gezin is weer herenigd.

De kinderen worden groter. Het gezin beklimt de treetjes van de sociale ladder. Er wordt gereisd, naar Amerika, met de Holland-Amerika-lijn. Ruim dertig jaar na Opa’s vertrek uit zijn geboortestad, reizen Oma en de dochters mee naar Wenen. Hij was er al die jaren niet weer terug geweest.

De dochters vliegen uit en stichten gezinnen. De kleindochters, mijn zusje en ik, komen graag bij Opa en Oma in Leeuwarden. Als ik tien ben en mijn zusje bijna zeven – net zo oud als mijn dochters nu zijn - gaat Opa dood. Eerst is het vreemd, Oma zonder Opa. Ze voelt zich onthand, moet veel dingen eerst leren. Maar ze maakt er het beste van en ontdekt op haar oude dag nog allerlei interessante bezigheden. Ze handwerkt als de beste, breit truien en vesten voor de kleinkinderen, naait knuffelbeesten, die door ons van namen worden voorzien. Ze volksdanst, zingt in een koor, speelt piano en begint zelfs te schilderen. Wij knutselen er koffers vol sinterklaaskadootjes; geborduurde kussens, gebreide popjes, genaaide raamversieringen.
De vegetariërsbond, de vereniging tegen vivisectie, Esperanto-wereldcongressen, haar correspondentie in verschillende talen met mensen over de hele wereld; het woord “verveling” komt niet in haar woordenschat voor. Ze is zuinig, laat ons de kapotte wasknijpers repareren, spoelt plastic zakjes en yoghurtbekertjes af en gebruikt die weer ergens anders voor. En als het niet meer gebruikt kan worden, maken wij er mooie dingen van. Recycling avant la lettre.

Ze is onze Oma, niet onze moeder. We mogen haar mooie, lange, grijze haar kammen en vlechten, doen gek met een panty en hebben lol met elkaar. Als dan plotseling de bel gaat en ze eigenlijk naar de deur moet, durft ze niet. Zo kan ze zich toch niet aan de buren vertonen?
Wij kleine, spichtige bleekscheetjes moeten vooral ook goed eten als we bij haar zijn. ’s Middags warm, zilvervliesrijst met vis en groente, of rijstpannenkoekjes, of kaaskroketjes. Zelf brood bakken en havermoutkoekjes en lekkere vette tulband met rozijnen. En oranjekoek van de banketbakker en Friese dumkes en roggebrood en kwark met bieslook en groentesoep en vla met bessensap. Als we een week later dan weer op de trein naar het westen stapten, terug naar onze ouders, zei ze tevreden dat we van dat weekje bij haar een lekkere kleur op onze wangen gekregen hadden.

Ook de kleindochters vliegen uit en stichten gezinnen. Ze zetten de traditie voort, zoeken buitenlandse of half-buitenlandse mannen en baren allochtone kindertjes. Haar tweede achterkleinkind, mijn oudste dochter, wordt tien jaar geleden geboren. Ik wil graag de Friese traditie van het doorgeven van de namen voortzetten, en zoek in de stamboom naar een geschikte naam. “Oma, ben jij ook naar je Oma genoemd?” “Nee, mijn Oma Njiske vond haar naam niet mooi en zei dat mijn ouders het pasgeboren meisje, mij dus, maar een andere naam moesten geven. Zo ben ik naar mijn vader genoemd". Ik, die de naam van mijn Oma draag, geef mijn oudste dochter de naam die mijn Oma eigenlijk had zullen krijgen, de naam van haar Oma.

De vorige keer dat ik bij haar was, de laatste keer, bij mijn lieve, oude, broze Omaatje, hebben we spelletjes gedaan. Halma. Oma met haar stijve reumavingers, mijn dochter met haar friemelige kindervingertjes. Negentig jaar leeftijdsverschil, maar dat mocht de pret niet drukken. Nee, Oma, dat kan niet, die moet daarheen, niet daar. Oja, ik zie het.



Na het middageten met een lekker visje, ging Oma op de bank liggen. Ik had bij het eten al aangekondigd dat we dan weer weg zouden gaan. Er kwam niet veel reactie, de bank riep. Maar toen ze daar vredig lag bij te trekken, en ik haar over haar hoofd aaide en zei dat we nu zouden gaan, prevelde ze iets. Wat zeg je, Oma? Centjes, centjes uit de beurs. Wat zeg je? Moet ik centjes uit je beurs halen? Centjes, een centje voor de spaarpot, uit de beurs. Oh, moet ik een centje uit de beurs halen voor de spaarpot van de kinderen? Ja, ik had het goed begrepen, beduidde ze. Nauwelijks beseffend dat de twee blonde meisjes met wie ze net halma gespeeld had, haar achterkleindochters en niet haar kleindochters waren, had ze er in haar halfslaap toch maar mooi aan gedacht om de kinderen even wat toe te stoppen.

Oma, mijn lieve Omaatje,
de reis is afgelopen.
Je was de allerliefste en allerbeste lievelingsoma van de hele wereld.
Welterusten.

------------------

Ik bedenk me nu pas dat ik oma ook echt 'in slaap' zong. Met 'do byst myn femke'. (Jij bent mijn meisje). Dat ze dertig jaar eerder voor ons zong. Weet niet of ze het hoorde. Wel aaide ik haar grijze haar. Ook namens jou, zus.

zaterdag 15 oktober 2011

Rucola, dood, een voorstelling en weer muizen

Oktober begon zwoel aan het strand, werd toen grijs en nat en nu, nu we op de helft zijn, is het binnen warm en buiten koud. Een laaghangende, bijna witte zon, schijnt fel over de ontwakende stad. Bij het openschuiven van de gordijnen zie ik tientallen schoorstenen rook uitblazen. Voordat mijn eigen kachel aan is, ga ik met mijn rug naar het raam zitten. De zon verwarmt mijn zwarte trui. Lekker.

Na een ontbijt van rucola en gorgonzola, rij ik naar mijn werk in Leeuwarden. Om CV en elektra te repareren. En als de kachel en het licht bij de klant weer brandt, zet ik weer vrolijk koers naar het Oosten. Hoewel ik weet dat de reparaties nodig waren om bezoek een warm onthaal te geven. Rouwbezoek wel te verstaan. Van een nog niet overleden vrouw. Die nog geen jaar terug haar eigen moeder te grave droeg. Triest. Maar het verhaal dat zij nu, samen met haar broer, haar eigen begrafenis tot in de puntjes kan regelen, op de manier die het best bij haar past, ontroert me. Het is vast vele malen te verkiezen boven het plotseling wegvallen van een naaste. Warm.

Ik rij langs de kerk waar mijn oma ligt begraven. Die twee jaar geleden in mijn armen stierf, terwijl ik 'do bist myn femke' (je bent mijn meisje) voor haar zong. Net als zij dat, jaren eerder, voor mij zong. Ze ligt bij haar man. Die ooit als twaalfjarig bleekneusje uit Wenen naar Friesland kwam. Om aan te sterken. Net als Miep Gies. Ze gingen beiden niet meer terug. Op de dag dat ik zeven jaar zou worden, zou mijn opa de zeventig volmaken. Maar hij ging eerder dood. Toen was ik ontroostbaar. Nu is het goed.

De zon schijnt nog steeds uitbundig. Dit keer doet de Iraanse reggaemuziek het op de weg terug naar huis prima. Zou dat ook aan het weer liggen? Ik kan niet meezingen, want ik ben de taal niet machtig. Het betekent iets van "Zeg maar niks meer".

Maar ik zeg wel wat. Want Kees (7) was 's avonds weer meesterlijk. We stonden in de badkamer.
Of dat ook overging, die ziekte van hem, vroeg hij.
"Nee," zei ik, "die gaat niet over."
Kees: (zonder al te veel emotie) "Maar dan ga ik dood."
"Nee," zei ik "je gaat niet er niet dood aan en je hebt ook geen pijn, het is alleen wel strontvervelend. Van dat slapen en dat vallen. Maar het is ook bijzonder want het is een heel zeldzame ziekte die jij hebt."
Z'n ogen gingen twinkelen en ik zag dat er een plan in zijn koppie opkwam.
Kees: "O, maar dan kan ik wel een voorstelling geven, en dan komen er mensen kijken en dan wordt ik vet rijk!"
En toen stapte hij zingend onder de douche en zong hij, uit volle borst "Say, say, say." (x25). Na het zien van de clip besef ik pas hoe hilarisch de link is. Ik zag het niet eerder.

Met een beetje oktoberzon lukt het best om de zware zaken in het leven met lichtheid zien.
Zelfs de aardappels op de markt worden er mooi van.
Weet je hoe ze die noemen,
die piepers uit Andijk?
'Muizen'.



maandag 8 februari 2010

Verse bejaarden, oude verhalen

Een jaar geleden kuste ik haar perkamenten wang en pakte iets lekkers bij haar uit de kast. (zie: wederzijdse zorg)
Nu neem ik mijn eigen thermos mee naar een zelfde soort flat. Ik moet de woning klaarmaken voor een nieuw oudje, bejaarde, dame op leeftijd...of hoe wil een vrouw van drie kwart eeuw worden aangeduid, die nog verre van levensmoe is maar wel toe is aan een kleinere woning?

De lift, de lucht, het gezoem van de openslaande deuren, alles lijkt op het huis van mijn oma, die er niet meer is. Maar zo vol als het bij oma was, zo leeg is het nog hier. Het huisje klinkt hol, het behang is vaal, het tapijt van de vorige bewoonster is zorgvuldig van de betonnen vloer gekrabt. Ik mag het opnieuw schilderen en stofferen. Zodat zij haar statige huis zal kunnen achterlaten, waar haar man stierf, waar haar boeken zijn, en die grote meubels, die nu weg moeten, anders past ze niet in de nieuwe flat.

'Nee', zegt de nieuwsgierig geworden buurvrouw, 'ik heb geen last van de bouwradio en dat mens aan de andere kant is ook nagenoeg doof, dus maak je vooral geen zorgen.' Even later belt de halfdove vrouw aan om te vragen of ik iets warms bij me heb. Pas zes uur en twintig liter latex later besef ik pas dat dit waarschijnlijk een omslachtige manier was om me uit te nodigen voor een kop koffie. Zo'n vrouw is misschien de hele dag alleen thuis en zit wellicht verlegen om een praatje.

Als ik na gedane arbeid bij de dove buuf aanbel, voor 'iets warms', doet ze de deur niet open. Opnieuw komt de nieuwsgierige buurvrouw over de galerij. Haar kleine keffertje loopt langs mij heen naar binnen, het lege huis in. Het hondje kan mijn werk wellicht beter inspecteren dan mijn opdrachtgever, want die is bijna blind.

Op de bouwradio wordt melding gemaakt van het burgerinitiatief van voormalige politieke vijanden Hedy d'Ancona en Frits Bolkestein. Het gaat over de zeggenschap over het beëindigen van je eigen leven 'als je vindt dat je leven af is.'

Terwijl ik de laatste verfspetters wegpoets vraag ik me af hoe dat zou voelen: 'af' zijn. Zou je dan ook niks meer te vertellen hebben? Of zou je denken dat anderen je verhalen niet meer willen horen of dat ze te oud of gedateerd zijn? En als er nog wel naar je wordt geluisterd, er nog oprechte belangstelling is voor je verhalen, zou je je dan toch 'af' voelen? Of zou ik dan, onder het genot van 'iets warms' met 'iets lekkers' graag vertellen over vroeger, van voordat mijn leven 'af' was. Over de boeken van de Beauvoir, mijn leven in den vreemde of zondagmiddagwandelingen, over liefdes, over inzichten?

Ik luister nu naar de vrouw met het hondje. Haar kinderen pikten elkaars vrouw in, en ze spreken elkaar nu niet meer. En de vent aan wie één van die kinderen haar koppelde ('je hoeft niet zo lang alleen te zijn, mam') heeft haar geld er doorheen gejaagd in de kroeg, zodat ze, berooid, alleen nog maar naar deze flat kon. Als ze mijn laatste kop thee uit mijn thermos heeft opgedronken zwaait ze mij uit tot ik uit beeld ben.

Zo lang er iemand luistert is niemands leven af.

zaterdag 7 maart 2009

Water en vis

Traag trap ik de trappers rond in cirkels. Kees en Leo gaan naar zwemles. Ze hebben geen zin. Ze hebben nooit zin. Zit in de familie. Ik had ook nooit zin, moest op mijn vijfde nog vóór de school begon in dat koude bad. Hun broer Frans kreeg al nachtmerries als hij nog zes dagen verwijderd was van de volgende les. En tante en opa?, zij vinden zwemmen wel leuk, ware het niet dat dat water altijd zo nat is. Hun honderdjarige oma leerde alles pas op mijn leeftijd. Schilderen, vreemde talen, piano spelen en ja, ook zwemmen dus. Maar als haar voeten de grond niet raakten, vreesde ze te verzuipen.

Ze is gevallen, die oma. Nu moet er een pin haar heup. Vorige week versloeg ze me, met domino, vier keer. Vóórdat ik mijn vertrek in gang zette, fileerde ik de vis voor haar. Voor 's avonds, voor op brood, voor als ze weer alleen was. Ze watertandde bij het zien van het vette vel: 'Moet dat weg?'. De thee en de twee koeken hadden haar lekkere trek niet gestild: 'Geef me een stuk', zei ze, met haar ogen gericht op de gefileerde stukken die ik verdeelde over bakjes. 'Waarom doe je dat daarin?'. Tja, voor zo'n op vis verzotte oma hoeft niks te worden verdeeld. Ze krijgt die makreel ook zo wel op. En ze heeft dat, zodra ik mijn hielen had gelicht, misschien ook wel gedaan. Een dag later moest ze overgeven. En nu is ze onder het mes. Maar dat komt niet door de vis.

Terwijl Leo en Kees poedelen in het zwembad, wacht ik bij de visboer. Dit keer neem ik haring. Het is druk. De één wil vier, de ander zelfs acht matjes. De leeftijd van de gemiddelde klant is twee maal die van het personeel. Tachtig-veertig, zeg maar. Terwijl er tientallen haringen worden gekaakt, luister ik naar de praatjes en de liedjes, de visboer is in een goede bui. Als ik mijn Hollandse nieuwe weghap, denk ik aan haar, aan oma. Mijn buurvrouw bij de viskraam loopt met een rollator, net als zij. En net als die vrouw, is ook oma dol op vis.

Met mijn gedachten ergens anders, droog ik mijn jongens af. Traag fietsen we weer terug naar huis, in de eerste voorjaarszon.

dinsdag 24 februari 2009

Wederzijdse zorg

De vakantie is voorbij. Een nieuwe dag begint. Vader smeert broodjes, Leo doet zijn schoenen aan, Frans rijdt weg op zijn fiets en Keesje zoekt zijn jas. De uitbesteding van de zorg zet zich weer in beweging. De school en crèchedeuren zijn weer open.

In de trein is het vinden van een zitplek lastig. Velen blijven staan op het balkon. De controleur -altijd goed om deze handhaver der wet in te zetten, zo vlak een vakantie-, geeft het vriendelijke advies om een ander eens te vragen een tas van een zitplaats weg te halen. Maar vragen schijnt de basebalpetjes en bomberjacks vreemd. Mij niet.

Ik mag gratis met de bus, de kaartjes zijn op en de rest rijdt met ov. 'Het is anders zo sneu' zegt de chauffeuse, bij het zien van mijn verbaasde blik.
'Ja hoor, mevrouw, die plek is vrij'. De vlotte jongen neemt z'n tas op schoot en praat vrolijk verder met zijn studiegenoten aan de andere kant van het middenpad. Eén van hen had onlangs opgepast bij de kerk: 'Vooral zo'n jochie van acht, dat was echt een kutkind'. Er volgen meer oppasverhalen. 'Ze halen altijd lekkers in huis', 'Ik hoef echt niks te doen. Ze liggen altijd al in bed. 'Beetje chips eten bij de buis'. Maar ook aan luxe baantjes kleven nadelen: 'Ze kopen echt vet veel, man, zijn bang dat ik iets niet lus, of zo'. 'Dan zijn ze gewoon boos als ze thuiskomen, dat ik niks heb genomen! Maar soms heb ik gewoon geen trek, geen dorst'. 'Ja', zegt de jongen: 'Mijn oma ook, ze leeft heel zuinig, eet nooit iets extra's en toch ligt de hele kast vol chips en drinken, voor het geval er iemand langs komt. Ik sta op, wurm me tussen de schooltassen door en wandel naar de grote flat.

'Oh, ben jíj het' zegt ze zacht. Ik zoen haar perkamenten wang. Ze gaat weer zitten en ik ruim haar ontbijtrestjes van tafel. 'Zet zelf maar even maar koffie, meid, en pak maar wat lekkers uit de kast'.

woensdag 18 februari 2009

Krokus logistiek

Tot drie keer toe stormt en een kudde bizons langs mijn slaapkamer. Het blijkt zoon Frans te zijn. Deze vakantie is erg geschikt om de aan hem opgelegde taakstraf uit te voeren. De kudde zoekt tevergeefs zijn sleutelbos. Drie minuten voordat hij aanwezig dient te zijn op zijn 'werk', racet hij de straat uit op mijn fiets. Ik ben zonder dat ding onthand, maar leen die van de vader. Die daardoor geen boodschappen kan doen en de broertjes niet naar hun speelvriendjes kan brengen.

Via een lege trein, -ha eindelijk kan ik eens zitten-, en een volle bus -nooit geweten dat er zoveel kinderen scholieren op pad gingen als hun scholen gesloten zijn- wandel ik binnen bij oma. Haar hulp heeft ook vakantie dus ik moet flink aan de bak. De pillen zouden worden gebracht maar komen niet. Ik moet zelf naar de apotheek.

Van de pillen loop ik naar de natuurwinkel. Oma zweert bij 'goed spul'. Ze wil beslist 'geen rommel' op haar eten. Vroeger beantwoordde ze mijn 'ik lus het niet' met een veelbetekenend 'maar het is goed spul'. En daarmee kon ik het dan doen. En aten we die tuinbonen of alfalfakiempjes of wat dan ook. We kwamen altijd een paar kilo aan nadat we bij haar hadden gelogeerd. Was geen overbodige luxe. We waren mager toentertijd en oma kon lekker koken. Nu moet ik op haar letten. Opdat ze niet te veel afvalt. Mijn omaatje.

Het enige blik kippensoep dat nog in het schap staat is flink gebutst. Maar een alternatief is niet voor handen. Want oma loopt vast niet warm voor 'mosterdsoep met boerenslak' (hoe kómen ze er op, zou er soms een markt zijn voor voedsel met onfrisse namen?).

Met lamme armen van de tassen sjok ik terug naar de duttende oma. Na het wassen, zuigen, soppen en gieten pak ik weer de bus naar huis. Oma's slurpt gulzig van de soep uit het gebutste blik. Het vet druip van haar kin.

Thuis wordt het sleutelcaroussel van die morgen herhaald in omgekeerde richting. Frans sleutels zijn weer boven water. De taakstraf zit er op. Ik krijg mijn fiets terug. En vader de zijne. De broertjes kunnen morgen weer spelen en inkopen kan weer per fiets worden gedaan.

maandag 3 november 2008

Oma en Obama

Obama's onmiskenbare keelstem galmt over de gang. Door de deur waar het geluid vandaan komt, komt een vrouw aanschuifelen. Ze heeft een bolle toet en een wond op haar hoofd. Ik ben er al snel achter dat zij niet de juiste persoon is om te vragen waar de watermeter zit. 'Oh, zijn ze bij u al geweest?', brengt ze hoopvol uit, terwijl ze verder schuifelt, van nergens naar nergens. Er komt een witgejaste zwarte dame uit het trappenhuis. Ja, ze weten ervan, van dat bloed, die dame is onlangs aan haar hoofd geopereerd.

Oma heeft het koud. 'Zullen we wat gaan wandelen?'. Er komt geen antwoord maar haar hoofd draait langzaam naar de deur en dan wiebelt ze met haar voeten. 'Ja, oma, ik zie het, uw schoenen zijn nog los, zal ik ze vastmaken?'. Twee witte witgejaste dames praten door ons heen als we hen passeren. Ze zijn vast gewend aan zeer oude mensen. Die zeggen toch niks terug, dus zeggen zusters niks heen. Althans niet tegen ons. Ik ben dan wel niet oud, maar zo schuifelend naast oma, zien ze mij vast als één met haar. Het gaat over nachtvoedingen en foto's. Nee, naar buiten wil oma niet. Ze vindt het 'miserabel weer'. We keren om en schuifelen terug. Overal hoor je Obama. Zij niet. Ze is bijna doof. Voor haar geen verandering.

'Post halen' mompelt ze. Ik haal de sleutel, zij wacht. De krant is opgezegd. Een brief is er wel. Iets over een patientendossier. Of al haar gegevens in de computer mogen. Haar warrigheid, haar pillen. Waarvan ze niet weet dat ze die krijgt. Of anderen dat wel mogen weten. Vreemde vraag. Ik maal het pilletje fijn in de watergruwel. 'Pareltjespoep', noemden ze dat vroeger bij haar thuis. Als ik de pareltjes voor haar opwarm in haar emaillen hondebakje, zing ik. Oma schommelt heen en weer in haar stoel. Ze neuriet zachtjes mee.

'Je zet de rozijntjes eerst even te week, apart. Het bessensap doe je er als laatst in, dat alles er in blijft, een beetje kan je er bij doen voor de kleur. En die parelgort moet nog wel eventjes staan geloof ik. En dan nog wat suiker,... dacht ik, ik weet het niet eens.' Ze is het recept vergeten.

Na het eten gaat ze slapen. Ik aai haar over haar perkamenten wang. Ze glimlacht. Met haar ogen halfopen kijkt ze naar me terwijl ik de afwas doe. Het boek dat ik lees gaat over een oude boer die zijn nog oudere vader naar boven verhuist. De boer krijgt bezoek en doet alsof vader dood is. Buiten is het grijs maar de gordijnen moeten dicht. Ik kan de letters niet meer zien en val zelf ook in slaap. Ik droom dat ik oma verstop. Ik schrik wakker van de bel. De zuster wil thee zetten. Maar dat is is niet nodig, ik doe dat vandaag. We eten er koek bij. Veel koek. En aardbeien (in november!) en kiwi en peer en vis. We smullen. Oma heeft vet aan haar kin.

Als het tijd wordt dat ik ga, wordt ze onrustig. 'Wat moet ik nou?' zegt ze. Ik was nog even af en vraag of ze straks zelf kan afdrogen.
'Tot volgende week.'
'Tot volgende week.'
Dan ren ik het donker in, het park door, naar de bus, de trein, naar een huis vol kinderen, computers, de tv. Oma zit in haar lege huis. Ze wacht.

Op Hawaii overlijdt een andere oma.

maandag 14 april 2008

Schoolgang

Sommige gebeurtenissen luiden het einde van een tijdperk in. De dag waarop je jongste telg gaat wennen op de 'grote school' is zo'n markering, een mijlpaal. Aan kleine voorvallen kondigt zich deze dag zich al aan. Hij doet neerbuigend over het op de crèche aanwezige speelgoed: 'Da's alleen voor baby's'. Ook zelf kijk je rijkhalzend uit naar de dag waarop er geen drie cijferige bedragen meer op je bankafschriften prijken vanwege diezelfde crèche.

Toch is er van een jubelstemming geen sprake. Het is ook een afscheid, een episode die wordt afgesloten, een nieuw tijdperk dat zich aandient en schuldgevoel ligt op de loer. Wat deed ik al die uren samen?. De eendjes voerden we éénmaal. Koekjes bakken was erg zeldzaam en naar het strand gingen we nooit. Ze zijn maar één keer klein is waar, maar er naar handelen is moeilijk. Uitstapjes door de week zijn nu passé. Samen met de trein naar oma. De peuter en de dementerende die zo heerlijk konden kletsen. Communicatie om de nabijheid, om de blik, om de aandacht maar zonder inhoud. Of naar de wijdverspreide ooms en tantes, boten en vliegtuigen spotten of gewoon slenteren door het winkelcentrum en de speeltuin......

De grote dag is daar. Kees blijft in zijn bed en schreeuwt: 'Ik wil niet naar school'. Bij het aankleden zijn de kleren niet cool genoeg en kan hij zijn mooie medaille niet vinden: 'wèèèèh!'. Aan het ontbijt is het ook mis want hij wil worst en toch geen kaas en op de stoel van zijn broer zitten en.....

Eenmaal op school kruipt Kees in zijn schulp, zijn slakkehuis, dicht tegen me aan. Vertederd, soms lachend kijken medeouders naar het verlegen wurm. 'Ik wil niet naar school', klinkt het nu zachter. Kinderen kijken hem aan, bestoken hem met vragen. Na de voorleessessie worden ouders geacht te vertrekken, maar juf vind het prima als ik, zo'n eerste dag, wat langer blijf. Ik vraag of Kees naast Sjaak wil zitten, want die kent hij al. Kees knikt. Aan zijn andere kant neemt Boris plaats. Er moet flink worden ingeschikt, de klas is tjokkevol. Ik ga achter de volle bank op mijn knieen zitten. Kees' eerste appèl; braaf dreunen kleuters 'Ja juf' bij het horen van hun naam. Sjaak en Boris bieden tegen elkaar op: 'Ik woon vlak bij hem', 'Mijn moeder past op hem' en verderop in de kring klinkt er: 'Hij is het broertje van Leo, ik ben bij hem thuis geweest'. Het kennen van Kees geeft blijkbaar status. Kees zelf laat het over zich heen komen, zijn handen rusten op schoot.

Na een paar minuten keert hij zich om naar mij en vraagt: 'Waarom blijf je zo lang?'
'Wil je dat ik wegga?'
'Ja, ga maar weg'.
Ik sluip de klas uit en begeef me richting markt. Waar vroegtijdig schoolverlaters zich bekwamen in de verkoop van kip en noten. Kees loopt zijn kaas en krentjes mis. Misschien verkoopt hij ze over twaalf jaar zelf.