Posts tonen met het label zingen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label zingen. Alle posts tonen

zondag 15 april 2018

De koorknaap en de oude man

Er wordt vandaag voor het eerst met muzikanten gerepeteerd. Een vleugel, een trompet, doedelzak, cello... het is een bont geheel, net als het kleurrijke gezelschap dat ze bespeelt. Meer dan de zangers, die overwegend wit zijn.

Na het inzetten van het vierde lied zet het orgel te vroeg in, of moet de percussionist een extra riedel doen of was het dat de sopranen de alten -die volgens de dirigent altijd bescheiden zijn- toch beter kunnen versterken? Ondanks mijn voornemen me goed te concentreren, dwalen mijn gedachten af. Ik masseer mijn handen die na een week schilderen weer aardig gevoelloos zijn.

Net nu we voor het eerst op het podium oefenen, is de oude man die alle voorgaande repetities naast mij zat, achterin de kerk gaan zitten. Naar verluidt omdat hij het staan te vermoeiend vindt. 'Ik oefen wel thuis', had hij gezegd. Toch jammer, samen zingen voelt anders dan thuis achter de laptop.

Aan de andere kant van de kerk, voor ons op de eerste rij, zit een jongetje dat tachtig jaar jonger oogt dan de man die niet kan staan. Het jongetje verruilt zijn kleurboek voor een tablet. Ik probeer te bedenken van wie hij het kind zou kunnen zijn. De dirigente zegt dat we straks vooral gefocust moeten blijven op de muziek en niet 'nog even zwaaien naar ome Piet die ook is gekomen'. Haar humor doet de aandacht verslappen. 'Gaan we voor het zingen de kerk uit', grapt een blozende bas naast me. 

We zingen voor vrede. Althans zo heet deze mis die we over twee weken voor publiek ten gehore gaan brengen. Meer nog dan de woorden van het stuk en de beelden van de oorlogsgruwelen die over de hoofden van het koor, op de muur achter ons worden geprojecteerd, vormen de teruggetrokken oude koorgenoot samen met het jongetje een mooi schouwspel voor die vrede.

Geduldig herhaalt de dirigent dat gelijktijdig inademen, het 'recht op de noot zingen' en vooral, naar háár kijken- essentieel zijn om straks iets moois neer te zetten.

Na een uur lijkt ook de tablet niet meer de gewenste afleiding te geven en zoekt het kind ander vertier. Hij hangt onderuit, luistert nu aandachtig naar ons geploeter -"We seek Thy merci now!'- en steekt zijn beide handen in zijn zakken. Of eigenlijk meer in zijn broek. Maar hij heeft de leeftijd dat zulks nog niet aanstootgevend wordt gevonden. En zijn musicerende ouders zijn te geconcentreerd bezig om hem op deze onkuisheid te betrappen. Gelukkig maar. Want ik zal vast nooit meer een vredesmis in een kerk mogen voordragen aan een gehoor dat uit een oude man en een kleuter bestaat.

Vrediger wordt het niet.

donderdag 5 mei 2016

De kelder en het koor

Het lijkt wel oorlog. De wegen zijn uitgestorven. Hoewel de ochtend al lang is begonnen. Op het anders zo hectische kruispunt van de Dirk Huizingastraat sta ik moederziel alleen te wachten voor een rood stoplicht. Ook de anders van scholieren krioelende Sint-Janstraat lijkt net schoongeveegd. Alsof mensen zich hebben verstopt.

Ik wil de stad in. Om mensen te horen zingen. Die willen dansen, die willen vrijen, die langzaam willen ontwaken. Want dat hoort op deze dag. Gister was ik ook in de stad. Waar ik sloopte en sjorde aan de ingang van een oude kelder. Zodat er weer licht naar binnen kon. En lucht.

Ik kon er net niet rechtop staan. Met gebogen hoofd zag ik benen over de stoep lopen. Hoorde even later stemmen boven mijn hoofd. Het was drukker dan anders in de wijk. Vanwege de open dagen van huizen waar ooit Joden woonden. Die in de oorlog waren weggevoerd.

Zou men dat in het jaar 2086 in Syrië ook doen? Bij huizen waar ooit yezidi's woonden? Of bij die van soennieten, sjiieten of alevieten? Net naar gelang welke stroming, geloof of stam zich superieur waant? En welke 'anderen' dan moeten afgeslacht. Ik juich het levend houden van een gruwelijk verleden toe. Maar begrijp de weerstand van een stad als München tegen struikelstenen als herdenkingspunt ook. De doden geëerd met hun naam in de straat.

Ik fiets verder de stad in. De Grote Markt staat vol tafels en bankjes. En meer dan levensgrote foto's uit de oorlog. Onze oorlog. Die vrijwel niemand hier heeft meegemaakt. Tientalllen kleerkasten beveiligen het plein vol ontbijtende stadjers. Het koor dat ik wil horen zingen, komt uit een andere oorlog. Waar wij geen weet van hebben.

"Het is eigenlijk alleen voor genodigden, maar vooruit, u ziet er zo hongerig uit", zegt één van de beveiligers. Ze staan hier voor een mogelijk bezoek van de premier. Hij klikt me een armbandje om. Ik mag door de hek.

Rutte komt gelukkig niet. Anders hadden ze vast niet durven zingen, zegt de pianiste. Zij was degene die me gister tipte over dit optreden. Door het kelderraam. Waar ze me een rode 'S' liet zien. Er moesten nog negen rode letters bij. Voor de dag erna. Voor op de Grote Markt. Zodat wij ook weet zouden hebben van andere kelders. Waar voorlopig geen daglicht komt. Waar mensen levend liggen begraven onder het puin. Nu. En waar over zeventig jaar misschien ook struikelstenen liggen.







Het koor zingt Nederlands. Arabisch. Tweestemmig. Of eigenlijk meerstemmig. Want tijdens het refrein, hoor ik achter me één van de genodigden hardop zeggen: "Niet te geloven, dat zij ook in tentjes in Calais hebben gezeten. Zij zijn gewoon even oud als ons."

Het is de galm van de woorden die worden gezongen door 'New life':


Na afloop fiets ik met tranen in mijn ogen weer verder. De straten zijn nog steeds verlaten.

donderdag 28 augustus 2014

De andere helft van de hond danst in Damascus

Het lijkt de laatste warme zomerdag. Of, op z'n Hollands gezegd, de eerste. Allemachtig wat was het nat. In mijn tuin groeien intussen paddestoelen. En op plekken waar het wel lekker warm was, tussen de zonnebloemen in Oekraïne of in Syrië, hadden mensen heel andere dingen aan hun hoofd dan vakantie vieren. Of ligt dat genuanceerder?

Beelden versimpelen de werkelijkheid. Die wordt verkleurd en vertekend om in ons brein te passen. In het boek 'Een halve hond heel denken' schrijft Joke van Leeuwen over een kleuterklas, die prachtig zingt. Maar als de meisjes worden opgeschrikt door een binnenlopende cameraman, moeten ze huilen. Please note: het speelt in Afrika (huidskleur kleuters verandert nu in uw hoofd van wit naar zwart). De tranen die dan op film komen, worden gelabeld als verdriet van de honger. En dat zien we in Nederland op de buis.


In Libië heerst nu chaos. Clans, oud-legerleiders, overlopers, herrieschoppers. Op alle beelden die ik zie, staan mannen en in veel artikelen gaat het over krijgsheren. Ik vraag me dan steeds af: zouden hun moeders, zussen en echtgenotes elke dag voor hen koken? Of zouden ze liever een gebraden kippetje bij KFC bestellen, net als in Gaza? En zouden ze ook nog tijd hebben om lief te hebben, of slapen ze fijn met een kalasjnikov in bed? Of zijn de heren die wij in beeld krijgen, net als bij de kleuterklas, maar een deel van de werkelijkheid? Een antwoord op die vraag zal ik vast nooit krijgen. Het schijnt nu eenmaal interessanter te zijn welke wapens men gebruikte, dan welk voedsel men at en of de winkel of de school of de dokter of toneelclub nog gewoon functioneert.

Maar soms plopt er toch iets omhoog uit dat dagelijks leven. In een hoekje van een krant of na een paar keer doorklikken op het net. Geen keuken- of slaapkamergeheimen, maar wel iets over vrije tijd. Dat men in dat verscheurde Libië ook in de zon ligt. Dat volgens de verslaggeefster ter plaatse het strand zelfs vol zit men zonaanbidders. En de theehuizen ook geen klagen hebben. Terwijl in Tripoli de nationale luchthaven tot de grond toe afbrandt.


Permalink voor ingesloten afbeelding

Weet je wat ik denk?
Dat er in Ferguson ook vrolijke kinderfeestjes worden gevierd, dat je je bachelor kunt halen aan de universiteit van Baghdad en dat je in Damascus kunt genieten van het Syrische nachtleven.
Ja dat denk ik.
Hoewel ik de andere helft van de hond nooit te zien krijg.