Er waren teams uit Egypte, Tunesië, Qatar, Saoedi-Arabië, Frankrijk èn jawel, tussen al die Arabiertjes dribbelden ook negen blonde Hollandse jongens. Waar Leo er één van was. Dat ze verloren was geen ramp. Al dacht mijn zoon daar na de vierde nederlaag heel anders over. Huilend zat hij in een hoekje van het stadion. Ontroostbaar. Boven hem prijkte het metershoge portret van de koning. Tegenover hem waren tapijtsnijders, schilders en schoonmakers druk bezig om de eretribune op te knappen.
En jawel, vlak voor de finale, terwijl een paar als stripfiguur verklede entertainers die de gangnamstyle dansten ('héééy, sexy lady'), naast een witbejurkte oliesjeik in de arena stonden. En intussen op de tribune duizenden gillende kinderen die dit keer geen flesjes water meenamen om opzwepende ritmes mee te slaan op de aftandse polyester stoeltjes zodat ze na na uren stilzitten bij oplopende temperaturen toch wel flinke dorst kregen, toen betrad, in gezelschap van belangrijke mannen in dure pakken en hijgerige fotografen, Moulay el Hassan, op zijn gepoetste schoentjes, het stadion. Arme kroonprins.
Leo was het wachten en het stilzitten intussen zat. We gingen samen naar buiten voor een ijsje. De dagen er voor was het oversteken van het plein waaraan het stadion lag, een soort Russische roulette geweest. Nu was alles afgesloten, je kon de vogels horen fluiten. Naast een erewacht in witte pakjes stond een geblindeerde prinselijke limousine op een rode loper. En om de twintig meter waren er mannen in rode jurken, afgewisseld met kleerkasten met oortjes in. Wij liepen wat verweesd rond, likkend aan een ijsje.
Na de bekers, de poppenkast met de prins, de ereronde, drukdoenerij van mannen met mobieltjes en ontbrekende tolken, ging het gezelschap van alle spelers met een deel van de aanhang naar het afscheidsdiner. Ik had geen tijd meer om mijn feestjurk op te halen in het hotel, maar verruilde mijn bergschoenen voor zilverkleurige slippers die ik die ochtend in de medina had gescoord.
We reden naar een ommuurd koninklijk dorp binnen Rabat. Met aangeveegde straten, groen gras en fonteinen. Onze dikke bus paste precies door de poort in de metershoge muur. Wat of wie daar allemaal woonde weet ik niet. Wel vermoed ik dat de vrouwen die me tijdens het diner naar hun kant wenkten, het terrein zelden verlieten. En het arme prinsje alleen in een gepantserde auto. De vrouwen beweerden dat onze zonen van twaalf nu onze echtgenoten waren. Al zingend kondigden ze de uitwisseling van kado's tussen de sjeik en de Marokkaanse delegatie aan. Ze zoenden onze kinderen, dronken mierzoete muntthee en maakten foto's. Dat de vegetarische teamgenoten niks aten van het lam vond men raar. Maar ook de vleeseters waren geschokt: 'Er lag een heel schaap op tafel'.
De volgende dag was de dode kat die al dagen op de stoep naast het hotel lag, verdwenen. Ook werd ik in de badkamer niet meer begroet door Zaza, onze eigen kakkerlak. Misschien was ook de kikker uit de toilet van het majesteitelijke sportcomplex in onze koffer gekropen en vloog ie met ons mee terug naar Europa.
Naar Amalia misschien.
Amalia Moulay El Hassan.
